RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/415607/FZ RK 23-603 en C/05/425561/FZ RK 23-2918
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
beschikking verdeling eenvoudige gemeenschappen, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en gebruikersvergoeding
in de zaak van:
[naam man] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker, hierna te noemen de man,
advocaat: mr. H.J. Scholten in Doetinchem,
tegen
[naam vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster, hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin in Urmond (voorheen: mr. I.M.H. Bloemen in Elst en mr. A.M. Slootweg in Barneveld).
1. Het verdere procesverloop
Dit verdere procesverloop blijkt uit:
de tussenbeschikking van deze rechtbank van 11 april 2024;
diverse (journaal)berichten over de aanhouding/voortzetting van de procedure;
het aanvullende verzoekschrift van de man strekkende tot een gebruikersvergoeding;
het journaalbericht van mr. Scholten van 16 maart 2026 met bijlagen.
Op 24 maart 2026 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw.
De rechtbank heeft daarna nog de volgende stukken ontvangen:
de akte nadere concretisering/aanvulling petitum tevens overleggen nadere prodcuties van de man, met bijlagen;
het (aanvullende) verzoekschrift ‘verdeling’ van de vrouw, met bijlagen;
de brief van mr. Augustin van 4 mei 2026, met een bijlage;
het journaalbericht van mr. Scholten van 6 mei 2026, met bijlagen;
het journaal bericht van mr. Scholten 7 mei 2027, met bijlagen.
Bij de hiervoor genoemde tussenbeschikking is – voor zover nog van belang –:
bepaald dat aan de vrouw het voortgezet gebruik van de [adres 1] toekomt met de bijbehorende inboedel, voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
voor recht verklaard dat in ieder geval tot het te verrekenen vermogen behoort:
o de aandelen van de man in [holding v. de man] ;
o de panden van de man aan de [adres 2 & 3] ;
o de woning van de man aan de [adres 4] .
Op 13 mei 2026 is de behandeling van zaak op de zitting van de meervoudige kamer opnieuw voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
Daarna heeft de rechtbank nog van zowel de advocaat van de vrouw als van de vrouw zelf aanvullende stukken ontvangen. De overlegging van deze (proces)stukken acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Voor het indienen van nadere (proces)stukken na de zitting heeft de rechtbank geen gelegenheid gegeven. De rechtbank laat daarom de nader ingediende (proces)stukken buiten beschouwing en deze zullen niet aan het procesdossier worden toegevoegd.
2. Nadere feiten
De echtscheidingsbeschiking van deze rechtbank van 11 april 2024 is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2025 is – voor zover hier van belang – de beslissing van deze rechtbank van 11 april 2024 over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden bekrachtigd.
3. Nog voorliggende verzoeken
De rechtbank moet nog beslissen op de volgende (aanvullende) verzoeken van de man:
I. de echtelijke woning aan de [adres 1] aan te man toe te delen onder verrekening van de helft van de waarde van € 725.000 met de vrouw;
II. te bepalen dat de man in het kader van de verrekening van de waarde van de [adres 4] aan de vrouw een bedrag van € 141.653 moet voldoen;
III. te bepalen dat de man in het kader van de verrekening van de panden aan de [adres 2 & 3] aan de vrouw een bedrag van € 196.765,50 moet voldoen;
IV. te bepalen dat de man in het kader van de verrekening van de aandelen in [holding v. de man] en de belastinglatentie een bedrag van € 230.083,50 aan de vrouw moet voldoen;
V. te bepalen dat de vrouw aan de man in het kader van de verrekening van de rekening-courantschuld aan [holding v. de man] een bedrag van € 65.0000 moet voldoen;
VI. te bepalen dat in het kader van de banksaldi € 238.019 tussen partijen verrekend moet worden, waarvan aan de vrouw een bedrag van € 196.916 is toegekomen en de man € 41.103, zodat er niets meer te verrekenen valt;
VII. te bepalen dat de vrouw in het kader van de verrekening van haar paarden aan de man een bedrag van € 140.000 moet voldoen;
VIII. vast te stellen dat de vrouw aan de man een voorschot op de verdeling en verrekening heeft gehad van € 100.000;
IX. te bepalen dat alle overige vermogen van partijen tussen hen is verdeeld dan wel de waarde ervan is verrekend en zij over en weer terzake niet meer van elkaar te vorderen hebben.
Daarnaast heeft de man nog aanvullend verzocht de door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het exclusieve gebruik van de echtelijke woning met ingang van 17 maart 2025 te bepalen op € 1.325 per maand, dan wel op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
De rechtbank moet ook nog beslissen op de volgende aanvullende verzoeken van de vrouw:
I. te bepalen dat de peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verreken vermogen 21 februari 2023 is;
II. te bepalen dat in ieder geval in de verdere afwikkeling worden betrokken:
a. de echtelijke woning aan de [adres 1] ;
b. de woning aan de [adres 4] ;
c. de panden aan de [adres 2 & 3] ;
d. de aandelen in de onderneming van de man;
e. de banktegoeden per peildatum;
f. de per peildatum bestaande schulden;
g. de overige op de peildatum aanwezige voertuigen en roerende zaken voor zover deze tot de gemeenschap of het te verrekenen vermogen behoren;
h. de inkomsten uit laadpalen, alsmede de daarmee samenhangende saldi, vorderingen, exploitatieopbrengsten en eventuele ondernemingswaarde;
III. de waarde van de panden aan de [adres 2 & 3] vast te stellen op € 845.000;
IV. de waarde van van de woning aan de [adres 4] vast te stellen op € 575.000;
V. de waarde van de woning aan de [adres 1] vast te stellen op € 655.000, althans, indien de rechtbank de waarde nog onvoldoende vaststaand acht een nadere taxatie te gelasten;
VI. primair: de waarde van de aandelen in de onderneming van de man vast te stellen op € 1.216.000; subsidiair: een onafhankelijke deskundige te benoemen voor de vaststelling van de waarde van de aandelen en, indien nodig, van de in de onderneming achtergebleven winsten;
VII. te bepalen met welke schulden en correcties rekening moet worden gehouden, waaronder in geval:
a. de rekening-courantschuld aan de [holding v. de man] ;
b. de lening verbonden aan de [adres 4] ;
c. de lening verbonden aan de [adres 2 & 3] ;
d. de eventueel latente belastingclaim, voor zover deugdelijk onderbouwd;
VIII. de man te bevelen om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn volledig in het geding te brengen:
a. een RDW-overzicht van alle voertuigen die op 21 februari 2023 op zijn naam stonden geregistreerd, alsmede van de voertuigen die in de zes maanden vóór en na die datum op zijn naam of van diens onderneming hebben gestaan;
b. de bijbehorende kentekenbewijzen, aankoop- en verkoopbescheiden, lease- of financieringsovereenkomsten, verzekeringspolissen en, voor zover beschikbaar, waardebepalingen of taxaties;
c. alle overeenkomsten, exploitatieoverzichten, uitbetalingsspecificaties, jaaropgaven, bankafschriften en fiscale bescheiden met betrekking tot de laadpalen en de daaruit genoten inkomsten over de periode rondom de peildatum;
d. voor zover de laadpalen via de onderneming of een vennootschap worden geëxploiteerd: de grootboekkaarten, omzetoverzichten, jaarstukken en overige bescheiden waaruit de opbrengsten en waarde van deze exploitatie blijken;
voor zover de man nalaat voormelde gegeven volledig te verstrekken, de rechtbank daaraan de gevolgen te trekken die zij geraden acht;
IX. de wijze van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vast te stellen, waaronder de echtelijke woning aan de [adres 1] , in die zin dat:
a. de woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een door de rechtbank vast te stellen waarde
b. en indien toedeling aan de vrouw niet mogelijk blijkt, te bepalen dat de woning door tussenkomst van een makelaar wordt verkocht en dat de netto-opbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, na verrekening van dat wat partijen over en weer uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden van elkaar te vorderen hebben;
X. primair: de uiteindelijke verrekenvordering vast te stellen en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het bedrag dat uit de vaststelling volgt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank te bepalen datum;
subsidiair: voor zover de rechtbank de uiteindelijke verrekenvordering nog niet defintief kan vaststellen, de man te veroordelen om aan de vrouw bij wijze van voorschot op de uiteindelijk vast te stellen verrekenvordering een bedrag van € 500.000 moet voldoen, alhans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, binnen veertien dagen na de datum van de beschikking tot aan de dag van de dag van tot voldoening van de gehele vordering;
XI. met veroordeling van de man in de proceskosten.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.
4. De verdere beoordeling
Verdeling eenvoudige gemeenschap
[adres 1]
Partijen zijn het op de zitting erover eens geworden dat de (voormalig) echtelijke woning aan de [adres 1] (hierna: de woning) aan één van hen kan worden toegedeeld voor een waarde van € 725.000. Zij zijn het alleen niet eens over aan wie de woning moet worden toegedeeld. De rechtbank zal hierover een beslissing nemen.
De rechtbank deelt de woning toe aan de man. Hiervoor vindt de rechtbank doorslaggevend dat partijen in de leveringsakte in een onderdeel van artikel 10 een voorkeursrecht ten aanzien van de man zijn overeengekomen. Die bepaling luidt als volgt:“Voor zover mogelijk komen de comparanten sub 2 [toevoeging rechtbank: de man en de vrouw] het volgende overeen. indien er tussen hen een echtscheiding plaatsvindt of een scheiding van tafel en bed zal het onderhavige registergoed [toevoeging rechtbank: de woning] worden toegedeeld aan de comparant sub 2.a. [toevoeging rechtbank: de man] waarbij het onderhavige registergoed wordt verrekend tegen de waarde in het economisch verkeer in vrije staat.”Dat in “voor zover mogelijk” een belangenafweging zou zijn neergelegd, die vervolgens in het voordeel van de vrouw moet worden uitgelegd, volgt de rechtbank niet. Een belangenafweging strookt niet met de rest van de bepaling en zou ook onlogisch zijn, omdat een dergelijke belangenafweging bij iedere verdeling gebruikelijk is. Als partijen die bedoeling hadden gehad, dan hadden zij geen voorkeursrecht hoeven laten opnemen in de leveringsakte. Daar komt nog bij dat de man de achtergrond van het voorkeursrecht goed heeft uitgelegd. De ouders van de man wonen immers in de aangrenzende woning. De woning van de ouders van de man en de woning waren vroeger één woning. Dit was ook het ouderlijk huis van de man. Op enig moment heeft een splitsing plaatsgevonden en zijn partijen eigenaar geworden van de echtelijke woning. De man heeft daarom bedongen dat hij de woning toebedeeld zou krijgen. De rechtbank vindt de uitleg van de man dat “voor zover mogelijk” moet worden begrepen als de (on)mogelijkheid tot financiële uitkoop in dat licht bezien dan ook veel aannemelijker.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wijst zij het verzoek van de man onder I. toe. Het verzoek van de vrouw onder V. en IX. wijst de rechtbank af. De rechtbank wijst de vrouw erop dat zij verplicht is om mee te werken aan de levering van de woning aan de man bij de notaris.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden (hierna: HV). In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen gehuwd in een gemeenschap van inboedel en elke andere (huwelijks)gemeenschap is uitgesloten.
Definitie gemeenschap van inboedel
In artikel 2 van de HV is opgenomen wat onder de gemeenschap van inboedel valt: tot de gemeenschap van inboedel behoren alle inboedelzaken der echtgenoten, onverschillig door wie, wanneer of op welke wijze verkregen , alsmede hetgeen voor die inboedelzaken in de plaats treedt, mits het inboedel is. Van de gemeenschap van inboedel zijn uitgesloten die inboedelzaken die door een echtgenoot tijdens het huwelijk zijn verkregen krachtens erfrecht of schenking.
Onder inboedelzaken wordt verstaan huisraad en tot stoffering en meubilering van de woning of woningen van de echtgenoten dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard, een en ander als bedoeld in artikel 5 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Verrekenbeding
In artikel 11 HV zijn partijen een periodiek verrekenbeding overeengekomen. Inhoudende: “De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 8, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishoudingen aan premies of koopsommen voor een levens- of ongevallenverzekering (als bedoeld in artikel 10) – ongeacht met welk doel een verzekering is gesloten - overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.”
Partijen zijn het erover eens dat zij geen uitvoering hebben gegeven aan artikel 11 HV tijdens het huwelijk. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt bij het einde van het huwelijk het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
Op grond van artikel 1:142 lid 1 onder b BW geldt in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding als tijdstip voor samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen: het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Hiervan kan bij overeenkomst worden afgeweken. Dit laatste is hier niet aan de orde. De peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen is daarom 21 februari 2023. Het verzoek van de vrouw onder I. ligt daarom voor toewijzing gereed.
Door de rechtbank is bij beschikking van 11 april 2024 ten aanzien van de aandelen van de man in [holding v. de man] , de panden aan de [adres 2 & 3] en de woning aan de [adres 4] een verklaring voor recht afgegeven dat deze tot het te verrekenen vermogen behoren. Dit is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd. De rechtbank betrekt daarom deze bestanddelen van de man in de verrekening.
Daarnaast zal de rechtbank de vermogenbestanddelen in het door de man opgestelde overzicht als uitgangspunt nemen. Niet langer is in geschil dat de daarin genoemde vermogenbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren. De eenmanszaak van de vrouw laat de rechtbank wel buiten beschouwing, aangezien de man op de zitting daarmee heeft ingestemd. Uitsluitend is tussen partijen nog de waarde van de diverse vermogensbestanddelen in geschil. De rechtbank zal daarover een beslissing nemen.
[adres 1]
Partijen zijn het eens over een waarde van € 725.000 van deze woning. Deze woning behoorde aan beide partijen op 21 februari 2023 (en nog steeds) voor de helft in eigendom toe, zodat aan beide zijden een waarde van € 362.500 in het verrekenoverzicht wordt opgenomen.
[adres 4] van de man
Door de man is een taxatierapport overgelegd waaruit een waarde volgt van € 360.000 per 2 oktober 2025. Hoewel de man zich realiseert dat de taxatie ruim na de peildatum (21 februari 2023) is gelegen, wil de man hiervan om proceseconomische redenen uitgaan, zelfs als dit betekent dat de taxatie per de eerdere datum mogelijk lager zijn zal. Door de vrouw is uitsluitend één bladzijde, de samenvatting van een taxatierapport, overgelegd waaruit volgens de vrouw een waarde van € 575.000 op 26 augustus 2025 zou volgen. De rechtbank constateert dat uit de overgelegde samenvatting van het taxatierapport uitsluitend een gezamenlijke waarde voor de [adres 1] en [adres 4] van € 915.000 is af te leiden en daaruit kan onmogelijk een waarde van € 575.000 voor de [adres 4] volgen (uitgaande van een waarde voor [adres 1] van € 725.000). Op de zitting is door de vrouw toegelicht dat een waarde van € 575.000 door de fiscalist van de vrouw is genoemd. Enige onderbouwing daarvan ontbreekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw de door de man gestelde (en onderbouwde) waarde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een waarde van € 360.000 voor de [adres 4] . Het verzoek van de man onder II. zal worden toegewezen (voor de schuld inzake de [adres 4] : zie verder onder 4.23). Het verzoek van de vrouw onder IV. wijst de rechtbank af.
[adres 2 & 3] van de man
De man heeft een (definitief) taxatierapport overgelegd van de [adres 2 & 3] (hierna: de panden). Hieruit volgt een waarde van de panden van € 440.000 per 12 september 2025. Ook hier geldt dat de man zich realiseert dat deze taxatie ver na de peildatum is gelegen, maar dat hij om proceseconomische redenen daarvan wil uitgaan. De vrouw gaat uit van een waarde van € 845.000 op 11 september 2025. Hiervoor verwijst zij naar het door haar ingediende (concept) taxatierapport van Ten Hag Makelaars. Nog los van het feit dat de vrouw slechts een concept taxatierapport heeft ingediend, is er door de man terecht op gewezen dat bij de vaststelling van deze waarde de schattingsonzekerheid is ingeschat als ‘gemiddeld tot hoog’. Ook is bij deze taxatie geen rekening gehouden met een correctie op de waarde wegens bodemverontreinging. De taxateur heeft geen uitgebreid onderzoek (meer) gedaan naar de milieukundige toestand van de grond en het grondwater op basis van de conclusies uit de bestaande rapporten. Bij de taxatie van de vrouw is kortom geen rekening gehouden met (toekomstige) saneringskosten van de grond, het grondwater en het hierdoor mogelijke nadelige effect van de verontreiniging op de waarde van het getaxeerde. Omdat de man vervuiling van de bodem waar de panden zich bevinden heeft onderbouwd, had het op de weg van de vrouw gelegen om gemotiveerd te betwisten dat dit effect op de waarde van de panden heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw de door de man gehanteerde waarde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De vrouw is bovendien al tijdens de regiezitting op 24 maart 2026 erop gewezen dat een (definitieve) tegentaxatie nodig is om de waarde van de man gemotiveerd te betwisten. De vrouw heeft desondanks geen nieuwe taxatie laten maken. Het verzoek van de man onder III. zal de rechtbank toewijzen (zie verder voor de schuld gerelateerd aan de panden onder 4.23). Het verzoek van de vrouw onder III. wijst de rechtbank dus af.
De aandelen van de man in [holding v. de man]
Door de man is een waardebepaling van zijn aandelen in [holding v. de man] (hierna: de aandelen) overgelegd. Hieruit volgt een waarde volgens een EBITDA-berekening van € 660.423. Het pand waar [autobedrijf] B.V. haar werkzaamheden uitvoert – de [adres 5] (hierna: het bedrijfspand) – is bij de waardering van de aandelen tegen een nihilwaarde meegenomen. Hieraan ligt het milieu hygiënisch vooronderzoek naar de bodem volgens NEN 5725 ten grondslag. De kosten voor sanering worden begroot op € 1,8 miljoen. Door de vrouw is ook een waardebepaling van de aandelen overgelegd. Hieruit volgt een waarde van € 1.261.000.
De rechtbank constateert dat het voornaamste verschil tussen de beide waardes zit in de waardering van het bedrijfspand. Dit pand is bij de waardering van de aandelen door de vrouw verdisconteerd voor een bedrag van € 523.000, een en ander gebaseerd op het door de vrouw overgelegde (concept) taxatierapport van het bedrijfspand. Nog los van het feit dat de vrouw wederom geen definitief, maar een concepttaxatierapport heeft overgelegd, wijst de man ook hier er terecht op dat bij de waardebepaling in het concept taxatierapport sprake is van een gemiddeld tot hoge schattingsonzekerheid, doordat er geen informatie ter beschikking is gesteld en een externe inspectie heeft plaatsgevonden. Verder wijst de man er terecht op dat voor de waardebepaling de taxateur ervan uitgaat dat de aanwezige bodemgesteldheid geen directe belemmering vormt voor het huidige gebruik en niet leidt tot een afzonderlijke waardecorrectie. Hoewel het op zichzelf juist is dat er tot op heden niet is gesaneerd door de man, moet worden uitgegaan van de waarde van de aandelen in het economisch verkeer en is het op basis van de door de man ingediende stukken, aannemelijk dat de sanering bij verkoop van de aandelen van de onderneming een rol zal spelen. Het had op de weg van de vrouw gelegen om gemotiveerd te betwisten dat de bodemvervuiling een nadelig effect op de waarde van het pand heeft, mede gelet op het door de man overgelegde onderzoek en de begrote kosten voor de sanering. Dit alles in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw de door de man gehanteerde waarde van zowel de aandelen als het pand onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank gaat dan ook uit van de door de man gehanteerde waarde (verzoek van de man onder IV.). Het primaire verzoek van de vrouw onder IV. wijst de rechtbank af. Om diezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het subsidiaire verzoek van de vrouw onder VI. toe te wijzen.
Partijen zijn het erover eens dat een correctie op de waarde van de aandelen moet plaatsvinden vanwege een latente belastingclaim. Zij verschillen echter van mening of deze latente claim nominaal of contant moet worden berekend. De rechtbank stelt voorop dat zowel in de jurisprudentie als in de literatuur hierover verdeeldheid bestaat en er (nog) geen sprake is van een bestendige lijn. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van een in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime ontstane belastingverplichting die kan worden doorgeschoven naar de toekomst, zoals bij een verdeling van een (eenvoudige) gemeenschap. De man hield en houdt immers alle aandelen en de vrouw is geen aanmerkelijkbelanghouder (geworden). Hij moet dit vermogensbestanddeel (de aandelen) met de vrouw verrekenen op de peildatum. Dit betekent dat de waarde van de aandelen per die datum moet worden bepaald te verminderen met de eventuele claim van de belasting die op dat moment zou gelden als de aandelen zouden worden verkocht. Daarom is de rechtbank van oordeel dat een nominale berekeningsmethode aan de orde is. Los van de berekeningswijze heeft de vrouw de door de man berekende belastingclaim inhoudelijk niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van een latente belastingclaim van € 194.744 aan de zijde van de man, zoals door hem op de zitting naar voren gebracht.
Paarden van de vrouw
Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de vrouw op de peildatum in het bezit was van een aantal paarden. Wel is in geschil hoeveel paarden de vrouw in haar bezit had en welke waarde de paarden vertegenwoordigden.
De man heeft eigendomsbewijzen van de paarden van de vrouw overgelegd. Door de vrouw is niet betwist dat deze schriftjes zijn aan te merken als eigendomsbewijzen. Hoewel de man stelt dat de vrouw zeven paarden op de peildatum in eigendom had, is op de zitting uitsluitend de eigendom van drie paarden en één pony komen vast te staan. Door de vrouw is op de zitting verklaard dat één paard “Duke Sinclair” is verkocht voor € 15.000. De moeder, Latina, heeft inmiddels een bemerking, maar heeft in het verleden Z-Dressuur gereden. Dat de overige paarden een waarde van € 2.000 zouden vertegenwoordigen, heeft de man betwist. De vrouw heeft vervolgens nagelaten de waarde van de paarden nader te onderbouwen. De rechtbank gaat daarom schattenderwijs uit van een waarde van in totaal € 50.000 aan de zijde van de vrouw voor de drie paarden en de pony. Het meer of anders verzochte door de man onder VII. wijst de rechtbank af.
Bankrekeningen
De vrouw heeft ingestemd met het door de man gehanteerde overzicht van de bankrekeningen. Daarmee erkent zij de tenaamstelling en de hoogte van de saldi. Tussen partijen is wel nog in geschil of er nog moeten worden ‘afgerekend’ (de rechtbank begrijpt: verrekend). De man stelt naar de rechtbank begrijpt dat partijen al wel hebben ‘verdeeld’ maar nog wel moet worden ‘verrekend’. Dit blijkt ook uit het overzicht van de man. De vrouw is van mening dat er nog moet worden verdeeld en verrekend maar doet geen concreet verzoek hiertoe. De rechtbank stelt vast dat het feitelijk niet uitmaakt of de saldi 50/50 worden verdeeld of dat wordt verrekend conform het overzicht van de man, omdat in beide gevallen de man en de vrouw 50% van de saldi van de rekening op zijn/haar naam aan de ander moeten betalen. De rechtbank zal de banksaldi daarom allemaal meenemen in de verrekening, mede ook gezien het bewijsvermoeden van artikel 1:143 lid 3 BW.
Dat het saldo op de bankrekening van de vrouw eindigend op [getal] afkomstig zou zijn van een erfenis en dus niet hoeft te worden verrekend, is door de vrouw, gelet op het bewijsvermoeden, onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank zal in de hierna op te nemen vermogensopstellingen dus uitgaan van de bedragen zoals die door de man zijn opgenomen in zijn overzicht. Het verzoek van de man onder VI. voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de banksaldi niet nader hoeven te worden verdeeld wijst de rechtbank dus toe.
Schulden van de man
De vrouw heeft ingestemd met de verwerking van de schulden in de vermogenspositie van de man en met de hoogte van de volgende passiva aan de zijde van de man: de rekening-courantschuld van € 130.000, een lening verbonden aan de [adres 4] van € 76.694 en de lening verbonden aan de [adres 2 & 3] van € 46.469. De rechtbank zal hiermee dus rekening houden aan de zijde van de man. Dit leidt ertoe dat de verzoeken van de man onder II., III., en IV. en de verzoeken van de vrouw onder VII. (met uitzondering van sub d) kunnen worden toegewezen.
Omdat er met deze schulden rekening wordt gehouden in vermogensopstelling aan de zijde van man, is er geen aanleiding meer om de vrouw ook mee te laten betalen aan de schulden. De man mag de bedragen van de schulden immers in mindering brengen op zijn te verrekenen vermogen. Als de vrouw meebetaalt aan de schulden, dan is er geen grondslag meer de bedragen als passiva aan de zijde van de man op te nemen (zoals de man doet in zijn vermogensopstelling). Het verzoek van de man onder V. zal worden afgewezen.
Door de vrouw ontvangen voorschot vanwege de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarde en verdeling eenvoudige gemeenschap
Vaststaat dat de vrouw een voorschot op de financiële afwikkeling van € 100.000 van de man heeft ontvangen. Dit bedrag strekt daarom in mindering op de door de man te betalen verrekeningssom. Het verzoek van de man onder VIII. wijst de rechtbank dus toe.
Auto’s
Door de vrouw is een overzicht van een aantal auto’s met waardes overgelegd. De vrouw heeft op zitting verklaard dat zij dit overzicht heeft gemaakt op basis van auto’s die ze geparkeerd heeft gezien bij de (ouders van de) man. De man betwist dat hij deze auto’s in eigendom heeft. Los van het feit dat de vrouw dit overzicht rijkelijk laat in de procedure naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat deze auto’s van de man zijn of dat het hier om eenvoudige gemeenschappen zou gaan. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn lastig te volgen. De rechtbank kan om die reden geen rekening houden met het door de vrouw ingebrachte overzicht. Door de vrouw is vervolgens ook onvoldoende toegelicht welk belang zij (nog) heeft bij haar verzoek onder VIII., mede omdat de rechtbank een eindbeschikking wijst. Dit verzoek wijst de rechtbank daarom af.
Laadpalen en de daaruit voortvloeiende inkomsten
Op de zitting is duidelijk geworden dat de laadpalen verankerd zijn aan de panden aan de [adres 2] . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de eventuele waarde van deze laadpalen is verdisconteerd in de waarde van het pand. Door de vrouw is bovendien onvoldoende onderbouwd dat de laadpalen enige waarde vertegenwoordigen, nu deze worden verhuurd. Eventuele inkomsten hieruit komen (na de peildatum) naar het oordeel van de rechtbank niet voor verrekening in aanmerking.
Bitcoins
Door de man is op de zitting erkend dat hij een bitcoin-portefeuille heeft ter waarde van € 523. De rechtbank zal de bitcoins dan ook aan de zijde van de man meenemen in zijn te verrekenen vermogen.
Verrekenoverzicht
Met in achtneming van dat wat de rechtbank hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.8. tot en met 4.28. heeft overwogen, komt zij tot het volgende verrekeningsoverzicht.
Vermogensopstelling aan de zijde van de man:
activa
- [adres 1] € 362.500
- [adres 4] € 360.000
- de panden aan de [adres 2 & 3] € 440.000
- de aandelen in [holding v. de man] € 660.423
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 1] € 3.415
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 2] € 1.746
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 3] € 10.942
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 4] € 25.000
- bitcoins € 523
€ 1.864.549
passiva
- rekening courant-schuld aan [holding v. de man] € 130.000 -/-
- lening verbonden aan de [adres 4] € 76.694 -/-
- lening verbonden aan de panden [adres 2 & 3] € 46.469 -/-
- latente belastingclaim op de aandelen in [holding v. de man] € 194.744 -/-
€ 447.907 -/-
Totaal € 1.416.642
Vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw:
activa
- [adres 1] € 362.500
- drie paarden en één pony € 50.000
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 5] € 80.734
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 1] € 15.500
- saldop op de bankrekening [bankrekeningnummer 6] € 5.124
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 2] € 1.746
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 3] € 10.942
- saldo op de bankrekening [bankrekeningnummer 4] € 82.870
€ 609.416
Voorgaande vermogensopstellingen brengen met zich dat het te verrekenen vermogen van de man € 1.416.642 bedraagt en het te verrekenen vermogen van de vrouw € 609.416. Het totaal te verrekenen vermogen van partijen bedroeg op de peildatum dus € 2.026.058. De man en de vrouw hebben beiden recht op de helft daarvan, wat neerkomt op een bedrag van € 1.013.029. Omdat de man een vermogen op de peildatum had van € 1.416.642, moet hij nog een bedrag van € 403.613 in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw vergoeden. Daarop zal de rechtbank het door de vrouw ontvangen voorschot van € 100.000 in mindering brengen, zodat een bedrag van € 303.613 resteert.
Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken van de man onder III., III., IV. toewijst. Het over en weer meer of anders verzochte door partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de vast te stellen verrekeningsvordering wijst de rechtbank daarmee af.
Gebruikersvergoeding
De man verzoekt vanaf 17 maart 2025 om een gebruikersvergoeding. Volgens de vrouw is een gebruikersvergoeding niet aan de orde. Zij heeft de zorg voor de woning gedragen en heeft daaraan onderhoud gepleegd. De man heeft deze stelling betwist en de vrouw heeft nagelaten haar stelling nader te onderbouwen. Gelet hierop en dat door de vrouw niet is weersproken dat zij geen lasten van de woning heeft gedragen, is de rechtbank van oordeel dat een gebruikersvergoeding aan de orde is.
De rechtbank stelt de gebruikersvergoeding vast aan de hand van de helft van de taxatiewaarde van € 725.000 en in redelijkheid een rendementspercentage van 2,5. Dit leidt dan tot een door de vrouw te betalen gebruikersvergoeding van afgerond € 755 per maand, met ingang van 17 maart 2025. Het meer of anders door de man verzochte wijst de rechtbank af.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissingen die zij neemt uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat deze gelden, ook als er hoger beroep door een van partijen wordt ingesteld.
Proceskosten
Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren
5. De beslissing
De rechtbank:
deelt de woning aan de [adres 1] toe aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde van € 725.000 met de vrouw, wat neerkomt op € 362.500 door de man te betalen aan de vrouw;
bepaalt dat de man als verrekeningsvergoeding in het kader van de afwikkeling van artikel 11 van de de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 303.613 aan de vrouw moet vergoeden;
bepaalt dat de vrouw, met ingang van 17 maart 2025, een gebruikersvergoeding aan de man moet betalen van € 755 per maand tot aan de datum van de notariële overdracht van de woning [adres 1] aan de man;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst al het meer of anders verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, mr. E.J. Swiers en mr. M. Gruiters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Verhoef, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.