ECLI:NL:RBGEL:2026:6464

ECLI:NL:RBGEL:2026:6464

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer ARN 25/4061
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

IB/PVV 2019. Belanghebbende is vennoot in een vof die een pandjeshuis exploiteert. Vanaf de oprichting in 2014 draait het pandjeshuis verlies. Pas vanaf 2022 zijn er (beperkte) positieve resultaten. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte IB/PVV 2019 verlies in aftrek gebracht. De inspecteur heeft dat niet geaccepteerd. De rechtbank oordeelt dat de activiteiten van het pandjeshuis in 2019 geen bron van inkomen vormen. De verliezen van 2019 en de jaren ervoor zijn groot en ook in 2019 zijn de vaste kostenposten nog zodanig hoog dat ze de opbrengsten ruim overtreffen. Daarom kan niet worden gezegd dat objectief gezien voordeel kon worden verwacht. Feiten en omstandigheden uit de jaren 2022 tot en met heden zijn zodanig onduidelijk dat ze geen ander licht kunnen werpen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 augustus 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 augustus 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 79.027.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.648 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door zijn [zoon] , en zijn gemachtigde en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

1. Belanghebbende is in 2014 met zijn twee zoons een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam [vof] . De activiteiten van de vof bestaan met name uit het verpanden en verkopen van producten.

2. De activiteiten vonden eerst plaats vanuit een pand aan de [adres 1] in [plaats] . De vof heeft voor dit pand een huurcontract afgesloten voor de duur van 5 jaar. Eind 2019 liep het huurcontract af en is het niet verlengd. In november 2019 zijn de activiteiten verhuisd naar een goedkoper pand aan de [adres 2] in [plaats] .

3. De gerealiseerde omzet, kosten en resultaten over de jaren 2015 tot en met

2024 zijn volgens de jaarrekeningen als volgt:

4. [bedrijf 1] heeft een lening verstrekt aan de vof. De stand van de lening neemt jaarlijks toe. Per 31 december 2019 bedraagt de stand van de lening € 911.321 en per 31 december 2024 € 1.289.927. De rentelast van deze lening bedroeg in 2019 € 31.600 (rente 3,4%). Ondanks het oplopen van het bedrag van de lening is het bedrag van de rentelast in de jaren daarna gedaald door toepassing van een lagere rente (2%).

5. [bedrijf 1] heeft twee aandeelhouders: [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Belanghebbende is enig aandeelhouder van [bedrijf 2] Een van de zoons van belanghebbende, [zoon] , is enig aandeelhouder van [bedrijf 3]

6. De inspecteur heeft een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2017. Van dit boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt op 25 november 2019. Daarin wordt geconcludeerd dat de activiteiten van de vof geen bron van inkomen vormen, omdat er redelijkerwijs geen voordeel is te verwachten.

7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2017 correcties doorgevoerd en is daarbij afgeweken van de aangiften. Hiertegen heeft belanghebbende zonder succes geprocedeerd tot de Hoge Raad. Ook voor 2018 zijn om dezelfde redenen correcties doorgevoerd. Daartegen heeft belanghebbende ook procedures gevoerd, waarbij Rechtbank en Hof hem in het ongelijk hebben gesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een bron van inkomen, althans nog niet in 2018. Daartegen heeft belanghebbende cassatie ingesteld; er is nog geen uitspraak van de Hoge Raad.

8. Belanghebbende heeft op 28 juli 2020 aangifte gedaan voor de IB/PVV 2019. In zijn aangifte heeft hij een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 39.368. Dit bestaat uit de volgende elementen:

9. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2019 is de inspecteur afgeweken van de aangifte. Hij heeft daarbij de in de aangifte aangegeven winst uit onderneming (bestaande uit - € 46.115 fiscale winst minus € 6.546 MKB-winstvrijstelling) gecorrigeerd tot nihil en het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 79.027.

10. [bedrijf 1] is per 1 januari 2025 toegetreden als vennoot tot de bestaande vof en heeft daarbij de lening (zie 4.) als kapitaal ingebracht. Daarmee is de rentelast van de lening per 2025 vervallen.

Beoordeling door de rechtbank

11. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2019 niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In geschil is of belanghebbende in 2019 zijn aandeel in het verlies van de vof mag aftrekken van zijn inkomen. Daarbij is de vraag of bij de vof sprake is van een bron van inkomen en met name of in 2019 redelijkerwijs voordeel was te verwachten ondanks de jarenlange negatieve resultaten.

12. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2019 niet te hoog is vastgesteld, omdat in 2019 geen sprake was van een bron van inkomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft de inspecteur terecht geen negatieve winst uit onderneming in aanmerking genomen?

13. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur onterecht geen negatieve winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen. Volgens belanghebbende vormen de activiteiten van de vof een bron van inkomen en mocht hij het daaruit in 2019 voortvloeiende verlies dus in aftrek brengen. Naar maatschappelijke opvatting kon er redelijkerwijs voordeel worden verwacht. Dat de positieve winstgevendheid als gevolg van diverse oorzaken langer op zich heeft laten wachten, staat daar niet aan in de weg. Vanaf 2022 tot heden is namelijk steeds een positief resultaat behaald. Gemachtigde heeft tijdens de zitting verklaard dat de winst van de vof in 2025 € 24.592 bedroeg en dat de winst voor het eerste half jaar van 2026 € 25.585 bedroeg.

14. De inspecteur is van mening dat de activiteiten van de vof geen bron van inkomen vormen. Er is sprake van jarenlange negatieve resultaten. In zo’n geval heeft belanghebbende de bewijslast dat er in 2019 sprake is van objectieve voordeelsverwachting. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet aan zijn bewijslast voldaan. Uit de jaarrekeningen volgt een negatief resultaat voor de jaren 2015 tot en met 2021. Ook de prognoses die belanghebbende in 2019 heeft opgesteld zijn niet uitgekomen. Er is geen ondernemingsplan en er is geen marktanalyse gedaan waarmee de voordeelsverwachting is onderbouwd. Ook is niet aannemelijk dat de verliezen binnen een redelijke termijn zullen worden goedgemaakt door voldoende positieve resultaten. Verder heeft de inspecteur betoogd dat de positieve resultaten vanaf 2022 grotendeels het gevolg zijn van de verlaging van de rente op de lening van de BV, waarbij hij de zakelijkheid van die lening heeft betwist en ook de zakelijkheid van de verlaging van de rente op die lening.

15. De rechtbank overweegt als volgt. Een resultaat kan slechts inkomen zijn als er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs - in de toekomst - kan worden behaald. Tussen partijen is niet in geschil dat voldaan is aan de eerste twee voorwaarden.

16. In het kader van de objectieve voordeelsverwachting moet worden onderzocht of de activiteiten van belanghebbende voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn of dat daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. Bij de beoordeling moet ook in aanmerking worden genomen de rente op geldleningen die zijn aangegaan ter financiering van de organisatie, omdat die geldleningen behoren tot het in de vorm van vreemd vermogen werkzame kapitaal.

17. Vaststaat dat de in de jaren 2015 tot en met 2021 de activiteiten van de vof steeds tot negatieve resultaten hebben geleid. Pas vanaf 2022 wordt er volgens de jaarrekeningen een positief resultaat behaald. Omdat sprake is van een jarenlang negatief resultaat brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting - zoals hier - aannemelijk moet maken die de conclusie rechtvaardigen dat in 2019 sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

18. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet geslaagd in zijn bewijslast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verliezen in 2019 en de jaren daarvoor groot zijn en de vaste kostenposten (personeelskosten, huisvestingskosten en rentelasten) in 2019 nog steeds zodanig hoog zijn dat ze de opbrengsten ruim overtreffen. Daarom kan niet worden gezegd dat objectief gezien voordeel kon worden verwacht. Weliswaar nemen de huisvestingskosten vanaf 2020 af, maar dat enkele feit acht de rechtbank van te weinig gewicht om anders te oordelen. Dat de cijfers vanaf 2022 een positief resultaat laten zien, maakt in dit geval geen verschil. De resultaten zijn namelijk slechts beperkt positief. Indien de rente op de oplopende lening niet zakelijk zou zijn, zoals de inspecteur heeft gesteld, dan zou er misschien geen positief resultaat meer zijn. De feiten en omstandigheden uit de jaren 2022 tot en met heden zijn verder zodanig onduidelijk, dat ze geen ander licht kunnen werpen op de vraag of voor 2019 sprake is van objectieve voordeelsverwachting. Dezelfde onduidelijkheid is er voor de (niet onderbouwde) stelling ter zitting dat in de vof een goudvoorraad aanwezig is ter waarde van € 350.000. Ook onvoldoende is de omstandigheid dat de lening en de rentelast daarvan in 2025 zijn vervallen doordat de BV tot de vof is toegetreden waarbij de lening als kapitaal is ingebracht. Dit is namelijk pas in 2025 gebeurd, dus ver na 2019. Verder roept die gang van zaken veel vragen op, die in deze procedure niet zijn beantwoord.

19. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag terecht geen negatieve winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen. De aanslag IB/PVV 2019 is dus niet te hoog.

20. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.

Uitgesproken op 19 augustus 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand