uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 januari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 83 (de naheffingsaanslag).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Belanghebbende was blijkens de kentekenregistratie vanaf 27 maart 2020 houder van een personenauto van het merk Weinsberg, type R57 met het kenteken [kenteken] (de auto). Gedurende de periode van 27 september 2023 tot en met 6 mei 2024 en vanaf 21 september 2024 is de geldigheid van het kenteken van de auto geschorst geweest.
2. Belanghebbende betaalt de verschuldigde motorrijtuigenbelasting (MRB) voor de auto door middel van een automatische incasso. Voor de tijdvakken van 7 mei 2024 tot en met 26 juni 2024 en 27 juni 2024 tot en met 26 september 2024 zijn de volgende betalingen gedaan door middel van incasso’s:
3. Omdat de geldigheid van het kenteken met ingang van 21 september 2024 geschorst is, heeft de inspecteur aan belanghebbende een teruggaafbeschikking gestuurd ten bedrage van € 17.
4. Met dagtekening 10 oktober 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 83. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
5. Belanghebbende heeft op 8 november 2024 contact gehad met de Belasting Telefoon Auto om aan te gegeven dat hij gehoord wil worden. Belanghebbende heeft verzocht om op maandag 11 november teruggebeld te worden.
6. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 januari 2025 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of de hoorplicht is geschonden en of de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de hoorplicht is geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hoorplicht
9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft op 8 november 2024 de Belasting Telefoon Auto gebeld en aangegeven dat hij op 11 november graag teruggebeld wilde worden om een afspraak te maken voor een hoorzitting. De inspecteur heeft belanghebbende op 11 november niet teruggebeld en in plaats daarvan op 8 januari 2025 telefonisch contact opgenomen. Volgens belanghebbende is toen afgesproken dat de inspecteur belanghebbende, via het toezenden van een brief, in de gelegenheid zou stellen om een kopie van het bankafschrift met de incorrecte incasso op te sturen. Daarnaast zou de inspecteur de in het bezwaarschrift gevraagde onderbouwing geven. De inspecteur heeft zich volgens belanghebbende niet aan deze afspraak gehouden, en heeft uitspraak gedaan zonder eerst belanghebbende te horen.
10. De inspecteur voert aan dat de bezwaarbehandelaar van de Belastingdienst een andere verklaring geeft over de inhoud van het telefoongesprek op 8 januari 2025. De bezwaarmedewerker heeft uit dit telefoongesprek opgemaakt dat belanghebbende verder geen toevoegingen meer had. De inspecteur erkent dat een formeel hoorgesprek niet is gevoerd, maar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld. Belanghebbende heeft wel de kans gekregen om zijn bezwaar mondeling toe te lichten en bewijsstukken te overleggen. Bovendien had het overleggen van het bankafschrift niet kunnen leiden tot een vernietiging van de naheffingsaanslag, de nageheven belasting was immers verschuldigd.
11. Voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist, dient het bestuursorgaan belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Van dit horen kan worden afgezien als belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Als er twijfel bestaat over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 8 november 2024 heeft verzocht om gehoord te worden en dat er geen formele hoorzitting heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat het niet helemaal duidelijk is wat er in het telefoongesprek is besproken en dat er mogelijk sprake is geweest van een misverstand. De inspecteur betwist verder niet er sprake is van een schending van de hoorplicht. De rechtbank stelt vast dat de hoorplicht is geschonden.
13. Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks de schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten als blijkt dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet aan deze schending van de hoorplicht voorbij kan worden gegaan. De van belang zijnde feiten omtrent de gestorneerde incasso stonden tussen partijen nog niet vast.
14. Beide partijen hebben aangegeven dat zij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank wensen indien sprake is van een schending van de hoorplicht. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal vanwege de schending van de hoorplicht het beroep gegrond verklaren. Dit betekent echter niet dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar komen te vervallen. Dat is alleen het geval als het beroep ook inhoudelijk gegrond is.
Naheffingsaanslag
15. Belanghebbende is van mening dat de incasso van 27 september 2024 ten onrechte is afgeschreven, omdat de vermelde periode op 29 juli 2024 al was afgeschreven. Belanghebbende heeft deze incasso daarom gestorneerd. Volgens belanghebbende had de inspecteur een correcte incasso voor de periode van 27 augustus 2024 tot en met 20 september 2024 in rekening moeten brengen. Daarnaast heeft er een onterechte een verrekening plaatsgevonden, dit moet volgens belanghebbende voor rekening van de inspecteur komen. Belanghebbende verzoekt om het nog verschuldigde bedrag van € 66 via incasso van zijn rekeningnummer af te schrijven.
16. De inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft de laatste incasso voor het tijdvak van 27 juni 2024 tot en met 26 september 2024 gestorneerd. Vanwege een systeemfout heeft er bij deze automatische incasso helaas een verkeerde omschrijving gestaan, maar belanghebbende was deze belasting wel verschuldigd. Met de schorsing vanaf 21 september 2024 is al rekening gehouden via de reeds verleende teruggaaf. Belanghebbende is daarom nog een bedrag van € 83 verschuldigd.
17. De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende betwist niet dat hij over de periode van 27 augustus 2024 tot en met 20 september 2024 nog MRB verschuldigd is. Belanghebbende betwist evenmin dat hij een teruggaaf van € 17 heeft ontvangen. Het verschuldigde bedrag van € 83 wordt niet betwist, behalve met de stelling dat de verrekening onrechtmatig was en dat de Belastingdienst ten onrechte twee keer voor dezelfde periode heeft geïncasseerd. De rechtmatigheid van een verrekening van een deel van de teruggaaf kan de rechtbank in deze procedure niet beoordelen. Met betrekking tot de naheffingsaanslag overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur heeft aangegeven dat er door een systeemfout bij de Belastingdienst een verkeerde omschrijving bij de incasso heeft gestaan. Dit doet echter aan de verschuldigdheid van de belasting niet af en kan niet tot de conclusie leiden dat de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Belanghebbende heeft voor de laatste maand van het tijdvak nog geen belasting betaald en via de teruggaaf van € 17 is al rekening gehouden met de schorsing per 21 september 2024. Dit betekent dat belanghebbende nog € 83 MRB verschuldigd is. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte opgelegd.
Dwangsom
18. Belanghebbende voert aan dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de onderliggende uitspraak vernietigd moet worden.
19. De inspecteur is als uitgangspunt gehouden uiterlijk zes weken na de dag waarop de termijn voor het indienen van bezwaar is verstreken te beslissen op het bezwaarschrift van belanghebbende. Dat betekent dat de termijn op 7 januari 2025 zou eindigen. De inspecteur heeft de beslistermijn bij brief van 6 januari 2025 verdaagd tot 18 februari 2025 (op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb).
20. Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief met dagtekening 7 januari 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bewaar. Deze ingebrekestelling was prematuur, omdat de (tijdig verdaagde) beslistermijn nog niet was verstreken. De inspecteur heeft met dagtekening 15 januari 2025 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende. Deze beslissing op de juiste wijze bekendgemaakt. De ingebrekestelling van belanghebbende was prematuur en de inspecteur heeft bovendien binnen twee weken na de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar gedaan. Dat betekent dat er ook ingeval de ingebrekestelling rechtsgeldig zou zijn, geen recht bestaat op een dwangsom. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom af. Dat de hoorplicht is geschonden wil niet zeggen dat de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen, en kan niet leiden tot de conclusie dat de uitspraak in bezwaar niet tijdig is gedaan.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond vanwege de schending van de hoorplicht. Omdat de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing in stand blijven. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft.
22. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft de reis- en verblijfkosten berekend op € 73, bestaande uit € 55 reiskosten en € 18 verblijfkosten voor de lunch. De inspecteur heeft de reiskosten van € 55 niet betwist, de lunchkosten wel. De rechtbank bepaalt de te vergoeden proceskosten op € 55. Gelet op het tijdstip en de duur van de zitting bestaat er geen recht op een vergoeding van de verblijfkosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 19 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.