uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 18 november 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.481.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 26 september 2022 aangifte Bpm gedaan voor een Mercedes-Benz A-klasse A35 AMG 4 MATIC Premium Plus (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Belanghebbende heeft de te betalen Bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd opgemaakt door [taxateur] , gecertificeerd taxateur, op 4 september 2022. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 54.300, een schadecalculatie van € 7.078, die volledig als waardevermindering in aanmerking is genomen en een handelsinkoopwaarde met schade van € 10.000 vermeld.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto voor een bedrag van € 1.571 aan schade heeft, waarvan 72% ofwel € 1.131 als waardevermindering in aanmerking is genomen. Verder is geconcludeerd dat de handelsinkoopwaarde na vermindering in verband met schade € 54.350 is, dat de historische nieuwprijs € 80.347 is en dat de netto-catalogusprijs € 50.880 is.
4. Met dagtekening 18 november 2022 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 54.350, een historische nieuwprijs van € 80.347 en een bruto Bpm van € 19.214. De verschuldigde Bpm heeft hij vastgesteld op € 12.890.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Herleidingsmethode
7. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
De taxatiemethode
8. Voor zover de inspecteur betoogt dat de taxatiemethode (als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet Bpm)) niet van toepassing is, omdat aan het taxatierapport van belanghebbende dusdanige gebreken kleven dat het niet bruikbaar is en dat daarom de afschrijving niet kan worden bepaald met de taxatiemethode, volgt de rechtbank de inspecteur hierin niet. Ook bij gebreken aan een taxatierapport dient het geschil beoordeeld te worden binnen de kaders van de taxatiemethode.
Het taxatierapport van belanghebbende
9. Volgens de inspecteur dient het door belanghebbende gebruikte taxatierapport terzijde te worden geschoven, reeds omdat geen sprake is geweest van een gedegen fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. De opname heeft maar 24 minuten geduurd en volgens de inspecteur is het in deze tijd niet mogelijk om alle aspecten van de auto (goed) op te nemen en 62 foto’s te maken.
10. De rechtbank acht het feit dat de fysieke opname 24 minuten heeft geduurd van onvoldoende gewicht om het taxatierapport (reeds daarom) in zijn geheel terzijde te schuiven. Voor zover in het rapport gebreken zitten, kunnen die gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt.
Waardevermindering wegens schade
11. De door belanghebbende gestelde waardevermindering bestaat uit een totaalbedrag van € 7.078 voor (zijnde 100% van de bruto) schade. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn stellingen (onder meer) verwezen naar het taxatierapport en het daarin opgenomen fotomateriaal.
12. Volgens de inspecteur bedraagt de vermindering € 1.131 (zijnde 72% van de bruto schade van € 1.571). Veel van de door belanghebbende in het taxatierapport opgegeven schadeposten zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikssporen worden aangemerkt, aldus de inspecteur. Ter ondersteuning heeft de inspecteur verwezen naar de herbeoordeling verricht door DRZ.
13. Nu de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een hogere taxatiewaarde, rekening houdende met de wel bruikbare gegevens uit het taxatierapport van belanghebbende, geldt dat belanghebbende moet stellen en aannemelijk moet maken dat de inspecteur de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld.
14. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen, dan wel te weinig rekening is gehouden met de door zijn taxateur opgevoerde schadeposten. De hertaxateur moet waardeverminderingen over het hoofd hebben gezien. Volgens belanghebbende kan dit verklaard worden doordat hij niet deskundig is, dan wel door de interne werkwijze van DRZ, waarbij de ene medewerker de schade opneemt en die per telefoon of kladnotitie doorgeeft aan een andere medewerker, die vervolgens de schadecalculatie opstelt.
15. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de deskundigheid van DRZ in het algemeen of DRZ-medewerkers in het bijzonder en evenmin aan de betrouwbaarheid van de controle en de zorgvuldigheid van de werkwijze. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, is belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat plaats is voor waardevermindering door schade in de door hem verdedigde omvang. Uit het door de inspecteur overgelegde rapport van DRZ, en uit de daarbij horende foto’s van DRZ, volgt dat sprake is van schade (anders dan normale gebruikssporen) tot een bedrag van € 1.571. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag Bpm op naam van belanghebbende rekening gehouden met een waardevermindering van 72% van dit bedrag. De aanwezigheid van meer schade wordt door belanghebbende gesteld, maar niet onderbouwd. Belanghebbende had inkoop- en reparatiefacturen kunnen overleggen.
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de auto sprake is van meer schade dan waarmee de inspecteur bij de berekening van de naheffingsaanslag reeds rekening heeft gehouden. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat om de naheffingsaanslag vanwege een hoger bedrag aan meer dan normale gebruiksschade te verminderen.
Immateriële schadevergoeding
17. Belanghebbende heeft tijdens het hoorgesprek op 7 december 2023 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
18. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor immateriële schade omdat volgens hem sprake is van procederen tegen beter weten in. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van procederen tegen beter weten in, omdat op het moment van het indienen van het beroepschrift niet alle beroepsgronden reeds volledig aan de orde waren gekomen bij de Hoge Raad. Zo was bijvoorbeeld het hiervoor reeds aangehaalde arrest over de herleidingsmethode op dat moment nog niet gewezen door de Hoge Raad.
19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om immateriële schade uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
20. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 30 november 2022. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 21 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vier keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.000. De uitspraak op bezwaar dateert van 15 december 2023. Dit is afgerond zeven maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 667. De Staat moet de rest betalen, dus € 1.333. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag worden gehandhaafd.
22. Omdat de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur en de Staat te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25). Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de inspecteur en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
23. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 667;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van belanghebbende tot een bedrag van € 1.333;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 19 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.