ECLI:NL:RBGEL:2026:6515

ECLI:NL:RBGEL:2026:6515

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer C/05/466887
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

erfrecht, vonnis in incident over afgifte legaat.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/466887 / HZ ZA 26-163

Vonnis in incident van 29 juli 2026

in de zaak van

[eiser in de hoofdzaak] ,

in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam van de nalatenschap van de heer mr. [de erflater] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [de eiser] en (in haar hoedanigheid van executeur mede) executeur,

advocaat: mr. K. van Barneveld-Peters,

tegen

1. [gedaagde in hoofdzaak 1] ,

in haar hoedanigheid van erfgenaam en legataris van de nalatenschap van de heer mr. [de erflater] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

advocaat: mr. G.H.J. Spee,2. [gedaagde in hoofdzaak 2],

in zijn hoedanigheid van erfgenaam en legataris van de nalatenschap van de heer mr. [de erflater] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. A. Arslan,3. [gedaagde in hoofdzaak 3],

te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [gedaagde 3] ,

niet verschenen,4. [gedaagde in hoofdzaak 4],

te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met 40 producties;

de conclusie van antwoord, tevens eis in incident en eis in reconventie met 34 producties van [gedaagde 1] ;

de conclusie van antwoord in het incident van [de eiser] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Op 23 augustus 2024 is overleden de heer mr. [de erflater] (hierna: erflater). De laatste woonplaats van erflater was [woonplaats] .

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de (biologische) kinderen van erflater en [de eiser] is zijn pleegdochter. [gedaagde 3] is de tweede echtgenote van erflater. [gedaagde 4] is de zoon van [gedaagde 1] .

Erflater heeft laatstelijk bij testament van 22 juni 2009 (productie 1 van [de eiser] ) over zijn nalatenschap (hierna te noemen: de nalatenschap) beschikt. In zijn testament heeft erflater onder de last van een zestal legaten tot zijn enig erfgenamen benoemd [de eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , ieder voor een vierde gedeelte, en [de eiser] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Erflater heeft aan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gelegateerd. Aan [gedaagde 1] heeft hij gelegateerd: “de begraafplaats in het [bos] en de rest van mijn registergoederen gelegen binnen het landgoed [landgoed]”.

Op 14 augustus 2025 heeft notaris mr. [notaris] een verklaring van erfrecht opgesteld betreffende de nalatenschap van erflater (productie 2 van [de eiser] ). Daarin is opgenomen dat [de eiser] haar benoeming tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder heeft aanvaard, dat [gedaagde 3] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard en dat [de eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Verder is opgenomen dat de executeur heeft verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen, zodat de nalatenschap niet hoeft te worden vereffend.

3. Het geschil in incident

[gedaagde 1] vordert bij vonnis:

I. te bepalen dat de executeur wordt verplicht tot afgifte van het voor [gedaagde 1] bestemde legaat, bestaande uit de begraafplaats in het [bos] en de overige aan erflater toebehorende registergoederen binnen het landgoed [landgoed] binnen een termijn van veertien dagen na dit vonnis;

II. te bepalen dat de executeur alle medewerking dient te verlenen aan de juridische levering van het legaat aan [gedaagde 1] , waaronder het ondertekenen van de notariële akte van levering;

III. de executeur te veroordelen in de kosten van het incident.

[gedaagde 1] heeft aan haar incidentele vordering ten grondslag gelegd dat de executeur ondanks herhaalde verzoeken weigert de legaten aan haar af te geven. [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat het verweer van de executeur, dat onduidelijk is of er voldoende middelen resteren om de legaten af te geven en dat er mogelijk activa liquide moeten worden gemaakt, niet is te volgen omdat zij een ruimschootsverklaring heeft afgegeven en er dus voldoende saldo aanwezig is om openstaande schulden te voldoen. Bovendien stelt [gedaagde 1] dat aan [gedaagde 3] al wél een legaat van € 100.000,00 is afgegeven.

[de eiser] voert verweer. Zij voert aan dat onvoldoende duidelijk is dat er na afgifte van de legaten voldoende liquiditeiten resteren om alle schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen. Zij stelt bovendien dat sprake is van vorderingen van de nalatenschap op [gedaagde 1] en dat zij als executeur niet het risico kan lopen dat schulden van de nalatenschap niet betaald kunnen worden (en vorderingen op [gedaagde 1] niet meer met haar aanspraak kunnen worden verrekend) omdat de legaten te vroeg zijn afgegeven. De nalatenschap heeft er dan ook belang bij om de legaten aan [gedaagde 1] niet af te geven gedurende de loop van de procedure. [de eiser] stelt dat zij als executeur inderdaad een legaat van € 100.000,00 aan [gedaagde 3] heeft afgegeven omdat [gedaagde 3] dit nodig had om te kunnen voorzien in haar levensonderhoud. [gedaagde 1] heeft echter niet gesteld dat zij een voldoende zwaarwegend belang heeft bij afgifte van het legaat aan haar. [de eiser] concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het incident.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

[gedaagde 1] vordert zowel in incident als in (reconventie in) de hoofdzaak te bepalen dat de executeur wordt verplicht tot afgifte van het voor haar ( [gedaagde 1] ) bestemde legaat en tot het verlenen van medewerking van de levering daarvan aan haar. [gedaagde 1] heeft niet gesteld waarom zij die vordering zowel in incident als in de hoofdzaak heeft ingesteld. Hoewel uit de incidentele vordering niet blijkt dat deze is gericht op het treffen van een voorlopige voorziening (voor de duur van het geding) lijkt het erop dat [gedaagde 1] de incidentele vordering alvast, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, instelt als een voorlopige voorziening nu [gedaagde 1] de vordering zowel in incident als in de hoofdzaak heeft ingesteld.

Voor zover de vordering is ingesteld als vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv overweegt de rechtbank als volgt. Zo’n voorziening geldt slechts voor de duur van het geding, dat wil zeggen tot het moment waarop uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan. Als minimumvereiste voor toewijzing van een dergelijke vordering geldt allereerst dat een dergelijke vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Daarnaast is vereist dat eiser voldoende belang heeft bij zijn incidentele vordering voor de duur van de hoofdzaak, in die zin dat van eiser niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht. De rechter dient vervolgens de belangen tussen partijen af te wegen.

Duidelijk is dat aan het vereiste van samenhang tussen de provisionele vordering en de hoofdvordering is voldaan. In de hoofdzaak vordert [gedaagde 1] immers ook om de executeur te verplichten tot afgifte van het voor haar ( [gedaagde 1] ) bestemde legaat en tot het verlenen van medewerking van de levering daarvan aan haar. [gedaagde 1] heeft echter niet gesteld wat haar belang is bij toewijzing van die vordering zonder eerst de beslissing daarover in de hoofdzaak af te wachten. [de eiser] heeft dan ook terecht als verweer aangevoerd dat niet gebleken is dat [gedaagde 1] (anders dan [gedaagde 3] ) een voldoende zwaarwegend belang heeft bij afgifte van het legaat. Daar staat tegenover dat [de eiser] in haar hoedanigheid van executeur wél heeft onderbouwd welk belang zij erbij heeft om vooralsnog niet over te gaan tot afgifte van het legaat aan [gedaagde 1] . De stelling van [gedaagde 1] dat een ruimschootsverklaring is afgelegd en er dus voldoende saldo aanwezig is om de openstaande schulden te voldoen, is niet zonder meer te volgen. Uit de ruimschootsverklaring blijkt dat “de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen”. Dat betekent echter nog niet dat er voldoende liquide middelen in de nalatenschap aanwezig zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen zonder dat de executeur goederen van de nalatenschap te gelde maakt op grond van artikel 4:147 lid 1 BW.

Vast staat dat [gedaagde 1] recht heeft op een legaat, maar de vordering tot de afgifte daarvan door de executeur zal gelet op het voorgaande niet worden toegewezen voordat een beslissing is genomen in de hoofdzaak. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat in de hoofdzaak door de executeur namens de nalatenschap verschillende vorderingen tegen [gedaagde 1] zijn ingesteld. Die vorderingen zullen in de hoofdzaak aan de orde komen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat [de eiser] (als executeur en erfgenaam) en de overige legatarissen/erfgenamen er belang bij hebben dat er geen goederen van de nalatenschap aan [gedaagde 1] worden overgedragen alvorens over die vorderingen van de nalatenschap op [gedaagde 1] in de hoofdzaak is geoordeeld en beslist.

Proceskosten

Gelet op de familieband tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie door [de eiser] ,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

JO/ES

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JERF Actueel 2026/216
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand