RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12012898 \ CV EXPL 25-10017
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[de eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. B. Anik,
procederende krachtens toevoegingsnummer 2GS4957
tegen
[de gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.B. Flooren,
procederende krachtens toevoegingsnummer2GY5043.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026;
- de aanvullende reconventionele eis aan de zijde van [de gedaagde] met producties 1 tot en met 3;
- de akte aan de zijde van [de eiser] met producties 13 tot en met 18, teven houdende akte wijziging van eis.
Op 16 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar reconventionele vordering ingetrokken. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[de eiser] en [de gedaagde] zijn met elkaar gehuwd te [huwelijksplaats] (Polen) op [huwelijksdatum] .
In de beschikking van [scheidingsdatum] 2020 spreekt de rechtbank Gelderland de echtscheiding uit. In de beschikking is onder meer het volgende opgenomen:
“Contant geld/benadeling gemeenschap
Volgt dat hij in de periode van 4 juni tot en met 14 juni 2019 17 keer gepind heeft voor een bedrag van in totaal € 4.190,-. (…) De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man de reden voor de 17 opnames bij een geldautomaat in het in artikel 1:164 BW genoemde tijdvak onvoldoende heeft onderbouwd, zodat ter zake sprake is van verspilling van gemeenschapsgoederen en derhalve benadeling van de gemeenschap. De man moet het bedrag van € 4.190 aan de gemeenschap vergoeden. In het kader van de onderlinge verdeling dient de man derhalve € 2.095 aan de vrouw te betalen.
Belastingaanslag/schulden
Ten aanzien van de schulden die in de gemeenschap vallen, zoals de schulden aan de belastingdienst, overweegt de rechtbank als volgt. Er bestaat geen rechtsgrond voor verdeling van schulden. Partijen zijn en blijven namelijk in relatie tot derden hoofdelijk aansprakelijk voor schulden waarvoor zij voor ontbinding aansprakelijk waren en na ontbinding van de gemeenschap in ieder geval voor de helft op grond van het bepaalde in artikel 1:102 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 1:100 BW dienen deze schulden beginsel in hun onderlinge verhouding door partijen ieder voor de helft te worden gedragen. Voor het geval een van de ex-echtgenoten meer op een schuld afgelost dan zijn of haar aandeel dan geldt op grond van het bepaalde in artikel 6:10 BW dat hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhoudingen aangaat, verplicht is in de schuld en de kosten bij te dragen en heeft degene die een groter deel van de schuld heeft voldaan dan met zijn draagplicht overeenstemt, voor dat meerdere een vordering op de ander.”
In de periode van 9 januari 2025 tot en met 23 mei 2025 sturen de gemachtigden van partijen diverse brieven en e-mailberichten naar elkaar.
3. Het geschil
[de eiser] heeft, na bij akte zijn vordering te hebben gewijzigd, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.650,33 (€ 5.976,50 aan hoofdsom en € 673,83 aan buitengerechtelijke kosten), met de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
[de eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, kort en zakelijk weergegeven, dat [de gedaagde] uit hoofde van het regresrecht en het bepaalde in artikel 6:10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een bedrag van € 5.976,50 aan hem dient te voldoen. [de gedaagde] heeft, ondanks diverse verzoeken en sommaties, nagelaten dit bedrag te voldoen. [de eiser] heeft de vordering uit handen moeten geven, reden waarom hij ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke kosten. Volgens [de eiser] heeft hij meer dan zijn aandeel voldaan. Hierdoor heeft hij een vorderingsrecht op [de gedaagde] . Dit volgt volgens hem ook uit de betalingen die hij aan de Belastingdienst verricht heeft. [de eiser] heeft niet betwist dat hij ook nog een bedrag verschuldigd is aan [de gedaagde] .
[de gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat op [scheidingsdatum] 2020 de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Evenmin is in geschil dat in de beschikking van de rechtbank Gelderland van [scheidingsdatum] 2020 is overwogen dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden bij de Belastingdienst die in de gemeenschap vallen en dat partijen daarvoor voor de helft aansprakelijk zijn. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de door [de eiser] verrichte betalingen aan de Belastingdienst zien op schulden die binnen de gemeenschap vallen.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat partijen, zoals reeds in voormelde beschikking is overwogen, voor gelijke delen draagplichtig zijn voor de schulden bij de Belastingdienst. Door [de gedaagde] is niet (gemotiveerd) weersproken dat zij en [de eiser] de in de jaren 2015 tot en met 2019 onterecht ontvangen bedragen aan huur- en zorgtoeslag, alsmede te weinig betaalde inkomstenbelasting dienen (terug) te betalen aan de Belastingdienst. Dit betekent dat [de gedaagde] , nu beide partijen voor gelijke delen draagplichtig zijn, de helft van de schuld aan de Belastingdienst dient te voldoen.
Vervolgens stelt de kantonrechter vast dat [de eiser] in de periode van 2019 tot en met 2024 in totaal een bedrag van € 11.953,00 aan de Belastingdienst heeft voldaan aan huur- en zorgtoeslag en inkomstenbelasting voor de periode 2015 tot en met 2019. [de gedaagde] heeft weliswaar betwist dat de door [de eiser] verrichte betalingen zien op de periode die binnen de gemeenschap vallen, maar de kantonrechter is van oordeel dat, mede gelet op de bij de betalingen vermelde kenmerken, de betalingen voor de jaren 2015 tot en met 2018 binnen de gemeenschap vallen. [de gedaagde] is derhalve in beginsel gehouden de helft van de door [de eiser] voor die periode verrichte betalingen te voldoen. Dit is echter anders voor het jaar 2019. Immers, tussen partijen staat niet ter discussie dat de peildatum 17 juni 2019 is. Dit betekent dat voor 2019 enkel de schulden binnen de gemeenschap vallen voor zover deze zien op de periode tot en met 17 juni 2019. Uit de door [de eiser] overgelegde bankafschriften valt echter niet op te maken voor welke periode de aan de Belastingdienst betaalde bedragen aan zorg- en huurtoeslag, alsmede de inkomstenbelasting voor het jaar 2019 zien. [de gedaagde] heeft ook meerdere malen om nadere gegevens hierover verzocht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [de eiser] zijn standpunt, dat de door hem voor het jaar 2019 verrichte betalingen binnen de gemeenschap vallen, te weinig heeft onderbouwd om tot (nadere) bewijslevering toegelaten te worden. De kantonrechter wijst de vordering van [de eiser] voor zover deze ziet op 2019 dan ook af.
De kantonrechter is, mede gelet op de door [de eiser] overgelegde bankafschriften en de door hem gebruikte kenmerken, van oordeel dat [de eiser] voor de jaren 2015 tot en met 2018 een bedrag van in totaal € 10.124,00 aan de Belastingdienst heeft betaald. Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:10 BW en nu beide partijen hoofdelijke aansprakelijk zijn voor de schulden en daarvoor voor de helft aansprakelijk zijn, [de gedaagde] in beginsel gehouden is een bedrag van € 5.062,00 aan [de eiser] te voldoen.
[de gedaagde] heeft vervolgens een beroep op verrekening gedaan. Zij heeft aangevoerd dat zij een tweetal bedragen, te weten € 3.091,91 en € 848,00, van [de eiser] te vorderen heeft en dat deze bedragen verrekend moeten worden met het voormelde bedrag dat zij aan [de eiser] verschuldigd is.
De kantonrechter stelt vast dat [de gedaagde] op zichzelf genomen kan verrekenen, indien zij een opeisbare vordering heeft op [de eiser] . De wettelijke regeling omtrent verrekening is krachtens het bepaalde in artikel 6:127 BW van regelend recht. Dit betekent dat [de gedaagde] in beginsel de bevoegdheid heeft om te verrekenen. Op grond van het eerste lid van artikel 6:127 BW gaan schulden en vorderingen tot een gemeenschappelijk beloop teniet wanneer de schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met de vordering verrekent. Op grond van het tweede lid van het voormelde artikel heeft de schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een presentatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot afdwingen van de vordering. Hierna zal worden beoordeeld of [de gedaagde] iets van [de eiser] te vorderen heeft. Als dat niet het geval is, kan [de gedaagde] om die reden niet verrekenen.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat in voormelde beschikking van de rechtbank van [scheidingsdatum] 2020 is bepaald dat [de eiser] nog een bedrag van € 2.095,00 verschuldigd is aan [de gedaagde] . Evenmin is in geschil dat [de gedaagde] een bedrag van € 30,00 in mindering daarop heeft voldaan. [de gedaagde] heeft echter aangegeven dat zij onder meer een bedrag van € 3.091,91 wenst te verrekenen. Voor de kantonrechter is het, zonder nadere uitleg die ontbreekt, onduidelijk waar dit bedrag uit opgebouwd is en hoe [de gedaagde] aan een vordering van € 3.091,91 komt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [de gedaagde] op vragen van de kantonrechter verklaard dat zij niet kan aangeven waar dit bedrag op gebaseerd is. Dit betekent dat van het bedrag van € 3.091,91 enkel een bedrag van € 2.065,00 voor verrekening in aanmerking komt.
Vervolgens komt de kantonrechter toe aan het verweer van [de gedaagde] om ook een bedrag van € 848,00 te verrekenen. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een rechter op grond van het bepaalde in artikel 6:136 BW een vordering ondanks een beroep van de schuldenaar op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Indien in een procedure bij wijze van verweer een beroep wordt gedaan op verrekening en de rechter dat verweer verwerpt met toepassing van het bepaalde in artikel 6:136 BW, komt de rechter aan een verdere beoordeling van de bevoegdheid van de schuldenaar tot verrekening als bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW niet toe.
De kantonrechter verwerpt het beroep van [de gedaagde] op verrekening van een bedrag van € 848,00. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [de eiser] , onvoldoende vast dat [de gedaagde] een opeisbare vordering heeft. De kantonrechter is van oordeel dat, mede gelet op de door [de gedaagde] overgelegde bankafschriften, niet kan worden vastgesteld dat de door haar verrichte betalingen binnen de gemeenschap vallen. De door [de gedaagde] overgelegde definitieve berekeningen van het kindgebonden budget voor 2016 tot en met 2019 voegen in deze niets toe, aangezien niet kan worden vastgesteld dat [de gedaagde] deze bedragen ook heeft voldaan. Dit volgt ook niet uit de door haar overgelegde bankafschriften. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat een groot deel van de betalingen zijn verricht na de peildatum van 17 juni 2019 en dat, voor de betalingen voor juni 2019, onduidelijk is waar
deze op zien. [de gedaagde] heeft haar standpunt op dit punt ook niet nader onderbouwd. Dit betekent dat de gegrondheid van het beroep van [de gedaagde] op verrekening voor € 848,00 niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zodat het verweer van [de gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 6:136 BW wordt gepasseerd.
De conclusie is dat [de gedaagde] bevoegd is om een bedrag van € 2.065,00 (€ 2.095,00 minus € 30,00) te verrekenen met de vordering van [de eiser] op haar. Van de gevorderde hoofdsom wordt, gelet op al het voorgaande en de verrekening, daarom een bedrag van € 2.997,00 (€ 5.062,00 minus € 2.065,00) toegewezen.
[de eiser] heeft vergoeding van een bedrag van € 673,83 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Gelet op de tussen partijen gevoerde correspondentie is voldoende aannemelijk gemaakt dat [de eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is, gelet op het toegewezen deel van de vorderingen, niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat deze tarieven geacht worden redelijk te zijn. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van bedoelde tarieven af te wijken. Op basis van deze tarieven wordt een bedrag van € 424,70 toegewezen
Gelet op de (voormalige) relatie tussen partijen en nu beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 2.997,00,
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 424,70 aan buitengerechtelijke kosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
415/68707