RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/227966-25
Datum uitspraak : 23 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. A.H.J. Raaijmakers, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juni 2025 in een trein op het baanvak 's-Hertogenbosch en Geldermalsen, in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [aangever], heeft mishandeld door die [aangever]- tegen/in diens gezicht, althans het lichaam te schoppen/trappen en/of- tegen diens hoofd, althans het lichaam te slaan/ stompen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten het losraken en/ of verlies van een of meerdere (voor)tanden (elementen 11, 21 en 22) en/ of een gecompliceerde horizontale kroonwortelfractuur (van de elementen 11 en 21), ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een afhoudtrap heeft gegeven en een openhandse afwerende beweging heeft gemaakt, omdat het juist aangever was die in de aanval ging. Verdachte heeft het bij aangever ontstane letsel niet opzettelijk toegebracht, hij wilde hem enkel op afstand houden. Omdat verdachte genoodzaakt was om een afwerende beweging te maken, komt hem een beroep op noodweer toe.
Beoordeling door de militaire kamer
Aangever [aangever] (verder: aangever) heeft verklaard dat hij op 20 juni 2025 omstreeks 23:30 uur samen met zijn vriendin in de trein vanuit Den Bosch naar Geldermalsen zat. De vriendin van aangever zat tegenover hem. Op enig moment kwamen twee jongens naast hen zitten. Aangever heeft verklaard dat de jongens direct een intimiderende indruk maakten, waarbij met name de jongen die (schuin) tegenover aangever zat (de militaire kamer begrijpt: verdachte) hem aan het uitdagen was. Hij zei: “wat zit je nou te kijken?” en hij was aan het knipogen. Aangever heeft gereageerd door te zeggen: “gedraag je eens normaal.” Hij riep dit daarna nog eens harder, zodat anderen het konden horen, omdat hij bang was dat het zou escaleren. Aangever zag dat verdachte op een gegeven moment zijn been hief en hierna voelde hij een harde knal tegen zijn hoofd. Aangever merkte dat zijn hoofd naar achteren klapte. Hij voelde direct pijn in zijn mond en hij voelde dat zijn tand volledig los zat. Na de trap stonden de vriendin van aangever en hijzelf op. Aangever zag dat verdachte zijn arm hief, deze naar achteren bewoog en met gebalde vuist een slaande beweging naar zijn gezicht maakte, waarop aangever opnieuw een dreun op zijn gezicht voelde.
De vriendin van aangever, getuige [getuige 1] (verder: [getuige 1]) heeft verklaard dat de jongen naast haar (de militaire kamer begrijpt: verdachte) heel provocerend keek naar aangever, waarop aangever vroeg of het goed ging met hem. Verdachte stak vervolgens zijn duim op. Op een gegeven moment was verdachte aan het knipogen naar aangever, waarop aangever nogmaals vroeg of het goed met hem ging. Verdachte reageerde met: "ja met jou?". Aangever zei hierop tegen verdachte iets in de trant van: “doe maar rustig aan”, waarop verdachte zei dat aangever zijn kankerbek moest houden. Omdat de trein aankwam in Geldermalsen, wilde [getuige 1] haar spullen pakken en ze stond op. [getuige 1] zag dat verdachte nog in de stoel zat en een trappende beweging maakte richting aangever. Ze zag dat hierbij het gezicht van aangever werd geraakt. Uit een schrikreactie heeft [getuige 1] verdachte een klap gegeven in zijn gezicht en vervolgens heeft zij hem weggeduwd.
Getuige [getuige 2] (verder: [getuige 2]) heeft verklaard dat hij in de trein ineens zag dat een meid een jongen van zich af duwde en riep: “wat doe jij nou, ben je helemaal achterlijk”. [getuige 2] zag dat de jongen terugkwam en een vuistslag gaf, waarbij hij het slachtoffer vol op het gezicht raakte.
Camerabeelden afkomstig uit de trein zijn door een verbalisant van de politie uitgekeken. Op de beelden is te zien dat verdachte en een andere man plaatsnemen in het vierzitsgedeelte in de trein. Verdachte zit naast [getuige 1] en tegenover [getuige 1] zit aangever. Naast aangever zit de vriend van verdachte. Op enig moment is interactie te zien tussen verdachte en aangever. Te zien is dat verdachte zijn duim opsteekt. Hierop draait [getuige 1] haar hoofd richting verdachte. Volgens verbalisant is er vervolgens vermoedelijk zowel verbale- als non-verbale interactie tussen verdachte, de vriend van verdachte, [getuige 1] en aangever. Op het moment dat de vriend van verdachte zijn hoofd naar rechts draait, in de richting van aangever, is te zien dat verdachte met zijn rechterhand op de leuning van de zitting steunt, het lichaam van verdachte iets omhoog komt en naar achteren in de rugleuning van de stoel drukt. Hierna is te zien dat het linkerbeen van verdachte omhoog komt, waarbij zijn schoen richting het hoofd van aangever gaat. Aangever wordt hierbij in zijn gezicht geraakt. Vervolgens staat [getuige 1] op en zij slaat met de vlakke hand in het gezicht van verdachte. Hierna zijn ze alle vier opgestaan en duwt [getuige 1] verdachte weg. Verdachte beweegt zich vervolgens voorwaarts in de richting van aangever. Op datzelfde moment beweegt de rechterarm van verdachte naar achteren en voren in de richting van aangever. Kort hierna is te zien dat het hoofd van aangever met kracht naar achteren slaat. De vriend van verdachte scheidde aangever van verdachte hierna door ertussen te gaan staan. [getuige 1] duwt verdachte weg, om hem – waarschijnlijk – weg te houden bij aangever. Te zien is dat verdachte voorwaartse bewegingen maakt.
Uit de ingediende vordering benadeelde partij blijkt dat verdachte door het incident drie voortanden is verloren. Om het gat in zijn mond te overbruggen heeft hij een kunstprothese moeten aanschaffen. Uit de gemaakte röntgenfoto volgt dat tevens sprake was van twee gecompliceerde horizontale kroonwortelfracturen. Aangever heeft voor het letsel aan zijn gebit reeds meerdere tandartsbehandelingen ondergaan. Op 26 januari 2026 heeft aangever een operatie ondergaan, waarbij implantaten zijn geplaatst. Over twee tot zes maanden kunnen facings, kronen en een brug worden geplaatst.
Conclusie
De militaire kamer is van oordeel dat de verklaring van aangever zowel steun vindt in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], als in het proces-verbaal van bevindingen waarin de beelden uit de trein zijn beschreven. Op basis van die bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte aangever een trap heeft gegeven in zijn gezicht en hem daarna met een vuist heeft geslagen, waarbij hij aangever eveneens in zijn gezicht heeft geraakt. Verdachte heeft, terwijl hij op korte afstand van aangever in een krappe vierzits in de trein zat, getrapt in de richting van het gezicht van aangever. Hierna heeft hij, terwijl hij zich opnieuw in de richting van aangever bewoog een vuistslag uitgedeeld in zijn richting. Door op deze wijze te handelen bestond het risico dat aangever hierdoor lichamelijk letsel op zou lopen. Verdachte heeft dit risico ook willens en wetens aanvaard, door desondanks toch dergelijk geweld toe te passen. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel bij verdachte.
Zwaar lichamelijk letsel
Voor de beantwoording van de vraag of het letsel dat aangever is toegebracht als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken, heeft de militaire kamer – in lijn met vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ‒ de volgende factoren meegewogen: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel. Ten aanzien van gebitsschade geldt, dat deze schade niet zonder meer kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel, omdat daarvoor nadere specifieke vaststellingen, in het bijzonder omtrent de noodzaak en de aard van het medisch of tandheelkundig ingrijpen, noodzakelijk zijn.
Uit de medische gegevens volgt dat bij aangever twee voortanden en één hoektand moesten worden getrokken, doordat deze waren losgeraakt door het door verdachte toegepaste geweld. Aangever heeft inmiddels meerdere behandelingen ondergaan ten behoeve van het herstel van zijn gebit. Onlangs heeft hij hiervoor ook nog een operatie moeten ondergaan. Uit de ingediende vordering benadeelde partij volgt dat verdachte over een aantal maanden wederom tandartsbehandelingen moet ondergaan voor het plaatsen van facings, kronen en een brug.
Uit de beschreven medische toestand volgt naar het oordeel van de militaire kamer dat sprake is van een dusdanige noodzaak tot ingrijpende tandheelkundige behandelingen en dermate ernstig en langdurig letsel, dat dit zwaar lichamelijk letsel oplevert in de zin van artikel 300, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.
Noodweer
De verdediging heeft bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte bespeurde gevaar door de gedragingen van aangever, waardoor hij meende dat hij hierop moest anticiperen middels het geven van een afhoudtrap. De militaire kamer stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de noodzakelijke verdediging is geboden. De militaire kamer is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een dergelijke aanranding. Het door de verdediging aangevoerde scenario dat verdachte zich aangevallen voelde en zich daarom moest verdedigen, wordt namelijk weersproken door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat verdachte de agressor is geweest en uit het niets geweld heeft toegepast richting aangever. Daar komt nog bij dat het de militaire kamer niet duidelijk is geworden, waarom verdachte zich niet aan de situatie heeft onttrokken, bijvoorbeeld door weg te lopen en elders in de treincoupé te gaan zitten, hetgeen makkelijk had gekund nu verdachte aan de gangpadzijde van het vierzitje zat en er nog voldoende plekken vrij waren elders in de treincoupé. Dat [getuige 1] verdachte heeft geslagen en weggeduwd, is een gerechtvaardigde reactie ter verdediging van aangever naar aanleiding van het geweld dat verdachte tegen aangever heeft uitgeoefend. Dat aangever op verdachte afvloog laat zich eveneens verklaren doordat hij net daarvoor door aangever vol in zijn gezicht is geschopt, zodat aangever vanuit zijn eigen verdediging handelde. De vuistslag die verdachte vervolgens aan aangever uitdeelt, is echter niet als noodweer te kwalificeren. Immers aangever en [getuige 1] handelden in feite vanuit noodweer, en omdat noodweer niet op noodweer kan volgen, verwerpt de militaire kamer het noodweerverweer van verdachte mede om die reden.
De militaire kamer acht de ten laste gelegde mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 20 juni 2025 in een trein op het baanvak 's-Hertogenbosch en Geldermalsen, in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [aangever], heeft mishandeld door die [aangever]- tegen/in diens gezicht, althans het lichaam te schoppen/trappen en/of- tegen diens hoofd, althans het lichaam te slaan/ stompen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten het losraken en/ of verlies van een of meerdere (voor)tanden (elementen 11, 21 en 22) en/ of een gecompliceerde horizontale kroonwortelfractuur (van de elementen 11 en 21), ten gevolge heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in inverzekeringstelling doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder de rol van aangever, het feit dat verdachte is ontslagen bij Defensie, zijn directe spijtbetuiging en het ontbreken van een strafblad.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [aangever], waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door een trap en een vuist in het gezicht van aangever te geven, is aangever drie tanden verloren. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Deze mishandeling heeft zich voorgedaan in het openbaar vervoer, waardoor ook veel andere mensen getuige zijn geweest van de mishandeling. Niet alleen voor aangever en zijn vriendin, maar ook voor deze omstanders moet de situatie beangstigend zijn geweest. De militaire kamer neemt het verdachte kwalijk dat hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, maar juist heeft geprobeerd om zijn handelen te rechtvaardigen, door te stellen dat hij in zijn recht stond. De militaire kamer is van oordeel dat verdachte anders had moeten en ook had kunnen handelen. Dit mocht temeer van hem worden verwacht, omdat hij ten tijde van de mishandeling actief dienend militair was en daardoor ook getraind was om de-escalerend op te treden. Van dergelijk de-escalerend handelen is geenszins sprake geweest.
Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de medische stukken die bij de vordering van de benadeelde partij zijn gevoegd, is gebleken dat de gebeurtenis grote impact op het leven van aangever heeft gehad en ook nog steeds heeft, doordat hij nog behandelingen moet ondergaan om de gebitsschade te herstellen.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 januari 2026 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Verder heeft de militaire kamer acht geslagen op het reclasseringsadvies van 15 januari 2026, waarin beschreven staat dat onderhavige situatie volgens de reclassering een incident is geweest. De reclassering ziet geen aanwijzingen voor structureel gewelddadig gedrag. Omdat verdachte ten tijde van de mishandeling onder invloed van alcohol verkeerde zou dit een mogelijk delictgerelateerde factor volgens de reclassering kunnen zijn. Desondanks ziet de reclassering geen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik, agressieregulatieproblematiek en/of psychosociale problematiek. De reclassering ziet tot slot meerdere beschermende factoren. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Gelet op het voorgaande ziet de reclassering geen meerwaarde in het adviseren van een reclasseringstoezicht en/of interventies.
Alles overziend is de militaire kamer van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is en recht doet aan de ernst van de situatie. De militaire kamer legt daarom aan verdachte een taakstraf op van 150 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 14.031,92 aan materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële kosten kunnen worden toegewezen tot een bedrag van € 10.693,59 en dat het smartengeld kan worden toegewezen tot een bedrag van € 8.500,- gelet op de Rotterdamse schaal, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade/smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden afgewezen. Het gevorderde bedrag aan medische kosten wordt discutabel geacht, onder andere omdat een aantal posten dubbel wordt opgevoerd. Daarnaast kan het toe te wijzen bedrag nooit hoger zijn dan hetgeen daadwerkelijk reeds is betaald. De posten voor de huishoudelijke hulp en het verlies van de zelfredzaamheid zijn volgens de verdediging voorts disproportioneel en deze kosten zijn niet te rijmen met het letsel. De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gestel dat de kosten voor het deskundige advies onnodig gemaakt zijn en niet in verhouding staan tot de mishandeling. Tevens blijkt niet dat de kosten daadwerkelijk zijn betaald. Tot slot heeft de verdediging gesteld dat het gevorderde smartengeld onbegrijpelijk is, gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De militaire kamer overweegt dat uit de bewezenverklaring volgt dat de benadeelde partij gebitsletsel heeft opgelopen door de geweldshandelingen van verdachte, waardoor hij tandartsbehandelingen moest ondergaan en waarvoor operatief ingrijpen nodig was.
De militaire kamer overweegt dat de onderstaande schadeposten voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen:
- factuur Infomedics, d.d. 3 juli 2025: € 35,67;
- factuur Infomedics, d.d. 7 juli 2025: € 103,62;
- factuur Infomedics, d.d. 28 juli 2025: € 63,23;
- factuur Infomedics, d.d. 21 juli 2025: € 59,18;
- factuur Infomedics, d.d. 26 augustus 2025: € 1.279,71;
- factuur Infomedics, d.d. 15 september 2025: € 216,14;
- factuur Infomedics, d.d. 26 september 2025: € 47,80;
- factuur Infomedics, d.d. 17 oktober 2025: € 432,28;
- factuur Infomedics, d.d. 15 december 2025: € 226,77;
- factuur Infomedics, d.d. 5 januari 2026: € 334,04;
- factuur tandheelkunst [adres 2], d.d. 27 januari 2026: € 1.747,10;
- 2 x Perio-Aid mondspoeling: € 16,00;
- Factuur MediThemis: € 2.022,15.
Totaal: € 6.583,69.
De kosten betreffen de reeds gemaakte kosten voor de ondergane behandelingen, de spoeling die de benadeelde partij nodig had voor de nabehandeling en de kosten voor het medisch advies. Ten aanzien van deze laatste post is de militaire kamer van oordeel dat dit noodzakelijk gemaakte kosten waren, ter (nadere) onderbouwing van de vordering.
De overige gevorderde medische posten moeten naar het oordeel van de militaire kamer niet-ontvankelijk worden verklaard. De posten zien allen op toekomstige schade. Alhoewel het voorstelbaar is dat de benadeelde partij in de toekomst nog kosten gaat maken ten behoeve van het herstel van zijn gebit, is de militaire kamer van oordeel is dat deze posten op dit moment nog te onzeker zijn om deze op voorhand toe te wijzen, op basis van alleen de begrotingen die de tandarts heeft opgesteld en de verwachtingen daaromtrent in het medisch advies.
De militaire kamer is van oordeel dat in deze procedure onvoldoende is onderbouwd dat sprake is geweest van zodanig verlies van zelfwerkzaamheid, zelfredzaamheid en/of een beperking van de huishoudelijke taken, dat daarvoor compensatie nodig is. Voorts is de militaire kamer van oordeel dat de aangehaalde jurisprudentie ter onderbouwing van deze post niet vergelijkbaar is, hetgeen mede ten grondslag ligt aan de beslissing om deze posten niet-ontvankelijk te verklaren.
Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 6.583,69 kan worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Smartengeld
Naar het oordeel van de militaire kamer is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, nu hij door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van gebitsschade, waar hij nog lang last van zal ondervinden en waarvoor hij naar verwachting nog lange tijd behandeling moet ondergaan. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Ter begroting van deze schade heeft de militaire kamer zich gebaseerd op de Rotterdamse schaal. Het letsel van de benadeelde partij is te scharen onder categorie 9.1 onder f. II; verlies of ernstige beschadiging van meerdere voortanden (€ 6.000,- tot € 8.000,-).
Gelet op de aard van het letsel, de relatief jonge leeftijd van de benadeelde partij, de duur van de klachten en de prognose is de militaire kamer van oordeel dat een bedrag van € 8.500,- aan smartengeld naar maatstaven van billijkheid passend en geboden is.
De militaire kamer zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 20 juni 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De militaire kamer:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 6.583,69 aan materiële schade en € 8.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;