RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11629713 \ CV EXPL 25-2667
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [x] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Z.H. baron van Dorth tot Medler,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [x],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C. Schimmel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 4 juni 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte overlegging producties van de zijde van [eiser] ;
- de akte met productie 9 van 6 november 2025 van de zijde van [gedaagde] ;
- de akte met productie 3 van 10 november 2025 van de zijde van [eiser] ;
- de akte met producties 10 tot en met 15 van 14 november 2025 van de zijde van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 17 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de akte uitlating van [eiser] ;
- de akte uitlating van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] exploiteert een bedrijf in het verkopen en monteren van hekwerken.
[gedaagde] vraagt diverse offertes op bij [eiser] voor het leveren en plaatsen van een hekwerk met schuifpoort rondom zijn woning in [plaats] .
Op 21 mei 2023 brengt [eiser] een offerte uit voor een offertebedrag van € 20.268,71.
Op 9 juli 2023 spreken partijen elkaar via WhatsApp. Partijen bespreken onder andere:
[eiser]
“Hallo [eiser] ,
Ik zag op de offerte dat het hekwerk zwart is, maar dit moet groen zijn en we hadden hem afgesproken op 20000 rond. Kan je dit nog aanpassen?
Mvg, [gedaagde] ”
[gedaagde]
“Beste [gedaagde] , Dat klopt qua kleur deze zal ik aanpassen. Ik ben erachter gekomen dat de mail is blijven liggen. De poort met Dubbelstaafmatvulling is enkel te leveren in een aluminium variant welke duurder is. Op de meerprijs van de poort geef ik de helft korting. En ik kom met de shovel de palen eruit trekken. Mooier kan ik het helaas niet maken. Of je moet toch willen kiezen voor een stalen spijlen poort. Wil je liever een puntenkam voor het overklommen op de poort?”
In augustus 2023 start [eiser] met de werkzaamheden.
Ook op 6 februari 2024 spreken partijen elkaar via WhatsApp. Partijen bespreken onder andere:
[eiser]
“De gsm module doe ik alleen met dat 10 jarig abonnement. Deze was optioneel aangeboden. Als je deze alsnog wil moet ik hem even bestellen.”
[gedaagde]
“Ik wil hem met mijn eigen simkaart zoals besproken.
Ook graag nieuwe afstandsbedieningen. Deze zijn kennelijk gebruikt en werken erg slecht.
Die GSM module zou erop zitten....dat was ook besproken en verbaast het mij dat die besteld moet worden.”
[eiser]
“Afstandsbedieningen zijn nieuw maar zijn zo ingesteld dat je eerst een paar keer moet drukken voordat hij opengaat 1 afstandsbediening krijg je dan nog.
De gsm module is optioneel aangeboden zoals omschreven in de offerte.”
[gedaagde]
“Ze zijn niet nieuw, ze zijn verschillend van elkaar en de ene keer is het 1x drukken, de volgende keer 3x of 10x of doen ze het helemaal niet.
Die gsm module hebben we toen al besproken dat die erop moest. Ik zou zelf een simkaart regelen. “
Bij factuur van 30 december 2024 met een factuurbedrag van € 21.583,38 brengt [eiser] de werkzaamheden bij [gedaagde] in rekening.
Tussen partijen vindt vervolgens een mailwisseling plaats waarbij door of namens [gedaagde] te kennen wordt gegeven niet tot betaling van de factuur over te gaan, omdat gemaakte afspraken niet zijn nagekomen. Verder schrijft [gedaagde] dat de waaiers en mantelpijp niet zijn geleverd en de schuifpoort niet van aluminium is. [eiser] schrijft dat hij bereid is om eventuele gebreken op te lossen.
Bij brief van 20 februari 2025 sommeert de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] tot betaling van de factuur van 30 december 2024.
Op 17 maart 2025 laat [eiser] conservatoir beslag leggen op de woning van [gedaagde] .
Bij e-mailbericht van 31 oktober 2025 wordt [eiser] door de gemachtigde van [gedaagde] gesommeerd om ontbrekende zaken te leveren en zaken te herstellen, bij gebreke waarvan de overeenkomst wordt ontbonden.
3. Het geschil
in conventie
[eiser] vordert, na vermindering van eis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld:
tot betaling van een bedrag van € 20.938,38 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
tot betaling van een bedrag van € 977,69 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
tot betaling van een bedrag van € 1.497,66 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
in de kosten van dit geding, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] legt - samengevat - aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. [gedaagde] laat na om de factuur ten bedrage van € 21.583,33, na vermindering van eis een bedrag van € 20.938,38, te betalen. Wegens het uitblijven van de betaling heeft hij zijn vordering uit handen gegeven, reden waarom hij ook aanspraak maakt op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert - samengevat - aan dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Op basis van de overeenkomst mocht hij een compleet, functioneel en deugdelijk hekwerk verwachten, maar de navolgende afspraken is [eiser] niet nagekomen, dan wel werkzaamheden heeft hij niet afgemaakt en gebreken heeft hij niet hersteld:
levering van een stalen schuifpoort in plaats van aluminium;
levering van twee verschillende handzenders in plaats van twee dezelfde en nieuwe zenders;
beschadigd hekwerk;
ondeugdelijk hekwerk; niet goed gepoedercoat, geen afdopping van een paal en een niet goed afgesteld hekwerk waardoor de schuifpoort aanloopt en schade veroorzaakt;
GSM-module ontbreekt;
de afstand van de tuinpoort is hoger dan afgesproken;
levering onjuist formaat tweedehands tuinpoort, 920 cm x 200 cm in plaats van 1.000 cm x1800 cm, levering onjuist formaat nieuwe poort, 980 cm x 1560 cm in plaats van 1.000 cm x 1.630 cm, en levering onjuist formaat schuifpoort 6.000 cm x 1.630 cm in plaats van 7.000 cm x 1.630 cm;
het inlezen van de schuifpoort voor de handzenders met verschillende openingstijden en de tijd van het openstaan van de poort;
het afstellen van beide tuinpoorten en schuifpoort;
levering van twee slootwaaiers aangestort met beton.
Daarnaast is de factuur waarvan [eiser] betaling vordert op diverse punten onjuist, is sprake van een gemengde overeenkomst, consumentenkoop- en aanneming van werk en is geen sprake van oplevering.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:
voor recht verklaart dat de overeenkomst op 25 juni 2025 is ontbonden, voor zover [eiser] niet binnen 21 dagen na het indienen van de conclusie van antwoord het ontbrekende heeft geleverd en het ondeugdelijk geleverd kosteloos heeft hersteld;
het op 17 maart 2025 door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op de woning opheft;
[eiser] veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde] legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] niet het overeengekomen hekwerk heeft geleverd, zoals weergegeven in r.o. 3.3., waardoor [eiser] na meerdere ingebrekestellingen in verzuim is komen te verkeren. De overeenkomst kan daarom terecht worden ontbonden. Nu sprake is van een ondeugdelijke vordering moet het conservatoire beslag op zijn woning worden opgeheven. Bovendien is het beslag onevenredig bezwarend, omdat het gelegd is op zijn privévermogen en geen sprake is van een spoedeisend belang of proportionaliteit aan de kant van [eiser] .
[eiser] voert verweer. Hij voert onder andere aan dat medio januari á februari 2024 het werk is opgeleverd. Dit ligt besloten in de gedragingen van [gedaagde] , nadat hij het werk gereed heeft gemeld. Als er al sprake is van gebreken, dan heeft [gedaagde] daar niet tijdig over geklaagd en zijn deze door de oplevering voor rekening en risico [gedaagde] . Van ontbinding kan daarom geen sprake zijn. Bovendien, als er sprake is van gebreken, dan zijn deze zo gering dat een ontbinding en de gevolgen daarvan niet gerechtvaardigd zijn. [eiser]
concludeert daarom tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van hem in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Koop- en aannemingsovereenkomst
Tussen partijen staat vast dat [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] een hekwerk met schuifpoort en toebehoren heeft geleverd en geplaatst rondom de woning van [gedaagde] . Beide partijen kwalificeren de overeenkomst als een koop- en aannemingsovereenkomst, waarbij [eiser] hekwerkdelen, twee tuinpoorten, en een schuifpoort heeft verkocht en geleverd aan [gedaagde] en dit hekwerk ook heeft geplaatst. [gedaagde] voert aan dat geen sprake is van een ‘gewone’ koopovereenkomst, maar van een consumentenkoop. Mocht hier sprake van zijn dan prevaleren de regels van consumentenkoop, wanneer de regels van consumentenkoop en aanneming van werk tegenstrijdig zijn aan elkaar (artikel 7:5 lid 4 BW).
Een consumentenkoop is de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten en een koper die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit (artikel 7:5 lid 1 onder a BW). Vast staat dat [eiser] als verkoper heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf [B.V.] . [gedaagde] voert aan dat hij de overeenkomst vanuit zijn eenmanszaak [eenmanszaak] is aangegaan, maar dat het hekwerk bestemd is voor de omheining van zijn privéwoning voor privacy en veiligheid van zijn gezin. [eiser] betwist dit. [gedaagde] is de overeenkomst aangegaan vanuit zijn eenmanszaak [eenmanszaak] , welke gevestigd is op het adres waar het hekwerk is geplaatst. Ook heeft [gedaagde] op dit adres een webshop in wapens en munitie. [gedaagde] wilde daarom extra beveiliging om zijn woning.
Aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan. Dit kan worden afgeleid uit de aard van het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft (Hoge Raad van 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800). Ook kan veel afhangen van de manier waarop de koper naar buiten is getreden, zeker als het gaat om goederen die de verkoper zowel aan consumenten als bedrijfsmatig verkoopt. Bepalend is wat partijen op het moment waarop zij de koop sloten over een weer uit elkaar verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden en wat (ieder van) hen op die grond aan rechtgevolgen kan worden toegerekend (Gerechtshof Amsterdam van 18 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3412 en Gerechtshof
’s-Hertogenbosch van 13 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3162).
De overeenkomst heeft betrekking op het leveren en het plaatsen van een hekwerk met twee tuinpoorten en een schuifpoort bij een woning waar een bedrijf is gevestigd. Het hekwerk kan naar zijn aard zowel voor privé als zakelijk gebruik bestemd zijn. De offerte en de factuur zijn op naam gesteld van [eenmanszaak] , de eenmanszaak van [gedaagde] . Plaatsing van een hek is passend bij de binnen die eenmanszaak uitgeoefende bedrijfsactiviteiten.
[gedaagde] erkent dat hij de overeenkomst is aangegaan met zijn eenmanszaak, maar dat betekent volgens hem niet automatisch dat er geen sprake meer kan zijn van een consumentenkoopovereenkomst. Hij heeft bij het aangaan van de overeenkomst gezegd dat hij de overeenkomst aangaat voor privédoeleinden, aldus [gedaagde] . Dit is, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] , weergegeven in r.o. 4.3., niet vast komen te staan. Daarom wordt aangenomen dat een dergelijke mededeling niet is gedaan. Op basis van het voorgaande heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [eiser] , ondanks de tenaamstelling van de offerte en de factuur, moest begrijpen dat het om een privé aankoop ging. Dat betekent dat geen sprake is van een consumentenkoop. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst daarom als een koop- en aannemingsovereenkomst.
Er is opgeleverd
Vervolgens is de vraag of de werkzaamheden zijn opgeleverd. Onder oplevering wordt verstaan het overeenkomstig de inhoud en de strekking van de overeenkomst ter beschikking stellen van het werk na voltooiing. Ten aanzien van het opleveren van werk bepaalt artikel 7:758 lid 1 BW dat indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijk termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van gebreken weigert, de opdrachtgever geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Bij de beoordeling of het werk als opgeleverd kan worden beschouwd geldt als uitgangspunt dat zowel de in artikel 7:758 lid 1 BW genoemde mededeling van de aannemer als de aanvaarding door de opdrachtgever in iedere vorm kan geschieden en in een of meer gedragingen besloten kan liggen.
[eiser] voert aan dat medio januari á februari 2024 het werk is opgeleverd. Op 10 januari 2024 bericht hij via WhatsApp onder andere aan [gedaagde] : ‘ik kom vrijdag het werk afmaken (…)’. De werkzaamheden waren eind januari klaar. Begin februari wenste [gedaagde] nog dat een GSM-module zou worden geleverd, maar dit ging om een extra bestelling buiten de overeenkomst om. Vervolgens bericht [gedaagde] op 1 februari 2026 via WhatsApp onder andere aan hem: ‘Wanneer kom je de boel afmaken?’. [eiser] heeft daarna in het bijzijn van de vrouw van [gedaagde] het hekwerk dat functioneert als hondenkennel hersteld, delen van het hekwerk bijgespoten met verf en alle sleutels en gebruiksaanwijzingen van de techniekkast van de schuifpoort overhandigd. Daarna heeft hij geen klachten/berichten meer van [gedaagde] ontvangen. De oplevering ligt besloten in de gedragingen van [gedaagde] , aldus [eiser] . [gedaagde] betwist dat sprake is geweest van oplevering. [eiser] heeft niet kenbaar gemaakt dat het werk klaar was om te worden opgeleverd, de factuur voor de werkzaamheden is pas in december 2024 naar hem gestuurd en het feit dat hij het hekwerk in gebruik heeft genomen brengt geen oplevering met zich mee, omdat hij genoodzaakt was het in gebruik te nemen om zijn terrein af te sluiten.
Op basis van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan is de kantonrechter van oordeel dat partijen medio januari á februari 2024 in het stadium zijn gekomen dat [gedaagde] zich op de voet van artikel 7:758 BW, binnen een redelijke termijn moest uitlaten over de vraag of hij het verrichte werk aanvaardde, al dan niet onder voorbehoud van herstel van gebreken, of weigerde. Dat [gedaagde] - zoals hij heeft aangevoerd - heeft geprobeerd om contact met [eiser] te krijgen, maar [eiser] niet meer bereikbaar was, is niet vast komen te staan. [eiser] betwist dat hij in die periode niet (meer) bereikbaar was en [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat hij telefonisch dan wel via derden heeft geprobeerd om contact met [eiser] te krijgen om hem tot nakoming aan te sporen. Pas na de factuur van 30 december 2024 staat vast dat [gedaagde] weer van zich laat horen. Dat is niet meer binnen een redelijke termijn en daarmee te laat. Ook het beroep van [gedaagde] op artikel 7:23 lid 3 BW slaagt niet, wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing. Rond de oplevering heeft [gedaagde] nog geklaagd over het ontbreken van een GSM-module, maar zoals hierna in r.o. 4.10. wordt bepaald, valt dit niet onder de overeenkomst. Daarnaast heeft [eiser] onweersproken gesteld dat hij in februari 2024 alle sleutels en gebruiksaanwijzingen van de techniekkast van de schuifpoort heeft overhandigd aan de vrouw van [gedaagde] . Dit is typisch een handeling die bij een oplevering past. Ook heeft [eiser] naar aanleiding van de vraag van [gedaagde] via Whatsapp op 1 februari 2024 wanneer hij de boel komt afmaken, onweersproken gesteld dat hij het werk heeft afgemaakt in het bijzijn van de partner van [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze gebeurtenis niet betwist, maar slechts dat op dat moment de oplevering heeft plaatsgevonden. [eiser] mocht gelet op zijn gereed melding van het werk en de gedragingen van [gedaagde] er dan ook vanuit gaan dat het werk stilzwijgend door hem is aanvaard. De enkele omstandigheid dat [eiser] de factuur pas in december 2024 naar [gedaagde] heeft gestuurd maakt dit niet anders. De conclusie is dat het werk is opgeleverd.
Het voorgaande brengt mee dat [eiser] op de voet van artikel 7:758 lid 3 BW is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die [gedaagde] op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken en waarvoor [gedaagde] geen voorbehoud heeft gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat de punten 3, 4 en 6 tot en met 10 zoals geformuleerd in r.o. 3.3., ten tijde van de oplevering redelijkerwijs door [gedaagde] hadden kunnen worden ontdekt. Het zijn gebreken die aan de buitenzijde van het hekwerk zichtbaar zijn. Nu hij hierover pas na de oplevering klaagt, is dit werk voor risico van [gedaagde] gekomen en is [eiser] bevrijd van zijn aansprakelijkheid. Of daadwerkelijk sprake is van de door [gedaagde] gestelde gebreken kan daarmee ten aanzien van deze punten in het midden blijven.
Non-conformiteit
Aluminium schuifpoort
Met betrekking tot de koopelementen van de overeenkomst voert [gedaagde] onder andere aan dat [eiser] een stalen schuifpoort heeft geleverd in plaats van een aluminium schuifpoort. [gedaagde] heeft een magneet bij de schuifpoort gehouden en die bleef eraan hangen. Dat duidt op een stalen schuifpoort in plaats van aluminium, aldus [gedaagde] . [eiser] betwist dat hij een stalen schuifpoort heeft geleverd. De schuifpoort is van aluminium, maar er zijn onderdelen, waaronder de dragers en de mat van de schuifpoort, die van staal zijn en onbekend is op welke plek [gedaagde] de magneet aan de schuifpoort heeft gehangen, aldus [eiser] . [eiser] onderbouwt zijn standpunt met een folder van de fabrikant van de aluminium schuifpoort die hij aan [gedaagde] heeft geleverd. Gelet op deze gemotiveerde betwisting en de onderbouwing daarvan is niet vast komen te staan dat [eiser] een stalen schuifpoort heeft geleverd in plaats van de overeengekomen aluminium schuifpoort. [gedaagde] heeft dat onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat ten aanzien van dit punt geen sprake is van non-conformiteit.
GSM-module
[gedaagde] stelt verder dat [eiser] ten onrechte geen GSM-module aan hem heeft geleverd. [eiser] betwist dat de GSM-module onderdeel is van de overeenkomst. In de offerte is vermeld dat deze niet is inbegrepen. In de offerte staat op pagina 2 dat de GSM-module optioneel is en dat de kosten daarvoor € 440,- bedragen.
Uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat partijen hebben gesproken over de GSM-module en dat [eiser] aangeeft dat deze geen onderdeel is van de overeenkomst. Ook blijkt uit deze berichten onvoldoende dat partijen na het sluiten van de overeenkomst alsnog zijn overeengekomen dat [eiser] een GSM-module zou leveren. Daarnaast staat onderaan pagina 4 van de offerte omschreven wat is inbegrepen bij de schuifpoort en daar staat een GSM-module niet tussen. Gelet daarop en de gezien de standpunten van partijen, had [gedaagde] zijn standpunt nader moeten onderbouwen. Wegens het ontbreken daarvan, is niet vast komen te staan dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] een GSM-module aan hem zou leveren. Ook op dit punt is dus geen sprake van non-conformiteit.
Handzenders
Verder voert [gedaagde] aan dat hij twee verschillende handzenders heeft ontvangen en dat deze niet nieuw zijn. [eiser] erkent dat hij aan [gedaagde] twee verschillende modellen handzenders heeft geleverd, maar betwist dat deze zijn gebruikt. Ook stelt hij dat [gedaagde] hierover niet tijdig heeft geklaagd. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] op basis van de overeenkomst mag verwachten dat hij twee nieuwe en identieke handzenders geleverd krijgt. Nu hij geen twee identieke handzenders heeft ontvangen, is de kantonrechter van oordeel dat de handzenders niet aan de overeenkomst beantwoorden en daarmee non-conform zijn, ongeacht of de handzenders zijn gebruikt.
Ten aanzien van de klachtplicht geldt dat op grond van artikel 7:23 BW de koper er geen beroep meer op kan doen dat wat is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, in kennis heeft gesteld. Deze bepaling beschermt de verkoper tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen. Uit de WhatsAppberichten blijkt dat [gedaagde] op 6 februari 2024 aan [eiser] vraagt om nieuwe handzenders te leveren, omdat de handzenders zijn gebruikt en slecht werken. Daarmee heeft hij tijdig bij [eiser] geklaagd over de non-conformiteit van de handzenders.
Geen ontbinding
In reconventie vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat de overeenkomst op 25 juni 2025 door hem is ontbonden. Artikel 6:265 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de wederpartij het recht geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar aard of geringe betekenis, de ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] alleen ten aanzien van de handzenders is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De overige door [gedaagde] aangevoerde punten zijn niet vast komen te staan of geen onderdeel van de overeenkomst, danwel is [eiser] vanwege de oplevering bevrijd van zijn aansprakelijkheid. De kantonrechter is van oordeel dat dit een tekortkoming is die zo gering van aard is en slechts ziet op een klein en onderschikt deel van de overeenkomst, dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt. Bovendien is deze tekortkoming door [eiser] eenvoudig te herstellen. Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
[gedaagde] moet betalen aan [eiser]
Geen totaalprijs van € 20.000,00 overeengekomen
[eiser] heeft een factuur gestuurd naar [gedaagde] voor een bedrag van
€ 21.583,38 inclusief btw. Na vermindering van eis in verband met de kleinere afmeting van de schuifpoort resteert een factuurbedrag van € 20.938,38 inclusief btw.
[gedaagde] betwist de hoogte van de factuur. Volgens [gedaagde] hebben partijen een totaalbedrag van € 20.000,00 inclusief btw afgesproken voor alle materialen en werkzaamheden. [eiser] stelt dat hij nooit akkoord heeft gegeven voor een totaalprijs van
€ 20.000,00 inclusief btw. [gedaagde] wilde onder andere een duurdere schuifpoort, aluminium in plaats van staal, waardoor hij nooit aanleiding heeft gezien om akkoord te geven voor deze prijs. Bij het opstellen van de factuur heeft hij de offerte als uitgangspunt genomen en deze prijs vermeerderd met de meerwerkopdrachten van [gedaagde] .
Op 21 mei 2023 stuurt [eiser] een offerte naar [gedaagde] met daarop een bedrag van € 20.268,71 inclusief btw. Tussen partijen staat vast dat zij na deze offerte nog hebben gesproken over de werkzaamheden en materialen en dat er wijzigingen zijn aangebracht. [eiser] heeft voldoende weersproken dat partijen een totaalprijs van € 20.000,00 inclusief btw zijn overeengekomen. Uit het WhatsAppgesprek tussen partijen op 9 juli 2023, zoals weergeven onder r.o. 2.4., valt af te leiden dat [eiser] niet akkoord kan gaan met een totaalprijs van € 20.000,00. Het lag op de weg van [gedaagde] om zijn standpunt nader te onderbouwen. Een enkel WhatsAppbericht naar zijn vrouw dat hij het hekwerk heeft afgesproken voor een bedrag van € 20.000,00, is, mede gelet op voornoemd WhatsAppgesprek van 9 juli 2023, onvoldoende om aan te nemen dat partijen (alsnog) een totaalprijs van € 20.000,00 zijn overeengekomen. Vanwege de meerwerkopdrachten moest [gedaagde] dan ook redelijkerwijs verwachten dat dit een hogere prijs met zich zou brengen dan de prijs op de offerte. De prijs die [eiser] voor het meerwerk in rekening heeft gebracht is door [gedaagde] niet betwist. De kantonrechter houdt daarom in beginsel de factuurprijs na vermindering aan van € 20.938,38 inclusief btw.
Aluminium schuifpoort
Volgens [gedaagde] is het door [eiser] in rekening gebrachte factuurbedrag ook op andere punten onjuist. Zo heeft [eiser] geen aluminium schuifpoort tegen een meerprijs geleverd, maar een stalen schuifpoort. Zoals in r.o. 4.10. reeds is bepaald is niet vast komen te staan dat [eiser] een stalen schuifpoort in plaats van de overeengekomen aluminium schuifpoort heeft geleverd. Dit punt levert daarom geen vermindering van het factuurbedrag op.
Mantelbuis
Verder voert [gedaagde] aan dat een bedrag van € 163,35 inclusief btw voor werkzaamheden mantelbuis in mindering moet worden gebracht. De mantelbuis die in de grond aanwezig was zou worden gebruikt, maar deze is door [eiser] (voor een deel) volgestort met beton, waardoor een nieuwe mantelbuis moest worden geplaatst. Deze kosten komen voor rekening en risico van [eiser] . [eiser] betwist dat door zijn toedoen de mantelbuis niet kon worden gebruikt. Hij heeft geprobeerd om een kabel door de mantelbuis te halen. Dat lukte niet, omdat de mantelbuis halverwege verstopt was. Hij was daarom genoodzaakt om een nieuwe mantelbuis te plaatsen. Deze kosten zijn niet in de offerte opgenomen. In de offerte staat ook (pagina 4 onderaan): “Exclusief het leggen van benodigde mantelbuizen”.
Tussen partijen staat vast dat de reeds aanwezige mantelbuis zou worden gebruikt, dat deze niet kon worden gebruikt en dat een nieuwe mantelbuis is geplaatst. In geschil is de reden voor het plaatsen van een nieuwe mantelbuis en voor wiens rekening en risico dat komt. In artikel 7:755 BW is bepaald dat wanneer sprake is van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk, de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Bovendien geldt op grond van artikel 7:760 lid 2 BW dat als de ondeugdelijke uitvoering te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, dat de gevolgen voor rekening van de opdrachtgever komen, voor zover de aannemer niet zijn in artikel 7:754 BW bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met betrekking tot deze gebreken in deskundigheid of zorgvuldigheid tekort is geschoten.
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan door voorafgaand aan het plaatsen van de nieuwe mantelbuis [gedaagde] op de hoogte te brengen van de verstopte aanwezige buis en wat daarvan de gevolgen zijn. Ook hoefde [gedaagde] de noodzaak van de prijsverhoging niet te begrijpen, omdat partijen waren overeengekomen dat de reeds aanwezige mantelbuis zou worden gebruikt. Dat in de offerte is opgenomen dat het leggen van de benodigde mantelbuizen niet in de prijs is opgenomen is hier niet relevant, omdat in eerste instantie de reeds aanwezige mantelbuis zou worden gebruikt. Op basis van het voorgaande is de kantonrechter daarom van oordeel dat geen grond aanwezig is op basis waarvan [gedaagde] de kosten voor het plaatsen van de mantelbuis aan [eiser] moet betalen. Het factuurbedrag wordt daarom verminderd met een bedrag van € 163,35 inclusief btw.
Schuifbuis
Een ander punt dat [gedaagde] aanvoert is dat een schuifbuis ten bedrage van
€ 36,30 inclusief btw niet is geleverd en daarom op het factuurbedrag in mindering moet worden gebracht. [eiser] betwist dit. De schuifbuis is geleverd en geplaatst aan de voorzijde van het perceel. Verdere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de schuifbuis door [eiser] wel of niet is geleverd, zijn gesteld noch gebleken. Op basis van de stellingen van partijen is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij de schuifbuis heeft geleverd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat [eiser] de schuifbuis aan [gedaagde] heeft geleverd. Op het factuurbedrag wordt daarom een bedrag van € 36,30 in mindering gebracht.
Meters hekwerk
Ten slotte voert [gedaagde] aan dat [eiser] 154 meter hekwerk heeft geleverd in plaats van 160 meter en dat een prijsvermindering van € 319,44 inclusief btw oplevert. [eiser] betwist dat hij slechts 154 meter aan hekwerk heeft geleverd. Tijdens de oplevering heeft hij het hekwerk nagemeten en daarbij kwam hij uit op 160 meter. Gelet op de standpunten van partijen is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [eiser] slechts 154 meter aan hekwerk heeft geleverd. Dit punt levert daarom geen vermindering van de factuur op.
Conclusie
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 20.738,78 (factuurbedrag van € 21.583,38 minus de vermindering van eis van
€ 644,95 minus de mantelbuis van € 163,35 minus de schuifbuis van € 36,30) inclusief btw aan [eiser] moet betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Tussen partijen is sprake van een handelsovereenkomst. Dat brengt mee dat voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet relevant is welke incassohandelingen zijn verricht, zodat in beginsel een enkele brief voldoende is (Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). [gedaagde] heeft de ontvangst van de door [eiser] gestuurde betalingsherinnering niet betwist, zodat vast staat dat [eiser] incassohandelingen heeft verricht die aan te merken zijn als anders dan handelingen ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. Het toe te wijzen bedrag wordt, hoewel niet van toepassing, gebaseerd op de tarieven opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, omdat die tarieven geacht worden redelijk te zijn. Op basis van de toegewezen hoofdsom van € 20.738,78 en voornoemde tarieven kan [eiser] aanspraak maken op een bedrag van € 982,39. Hij vordert slechts een bedrag van € 977,69. Daarom wordt laatstgenoemd bedrag toegewezen aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.
Omdat [gedaagde] de facturen niet heeft betaald is hij in verzuim geraakt en daardoor de wettelijke handelsrente verschuldigd. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf de vervaldatum van de factuur.
Beslagkosten en proceskosten
[eiser] vordert betaling van de beslagkosten. Uit hetgeen in het voorgaande is geoordeeld blijkt dat [eiser] een vordering op [gedaagde] heeft. Om de verhaalsmogelijkheden ‘veilig’ te stellen was hij bevoegd beslag te leggen. Van misbruik van beslagrecht dan wel onrechtmatigheid is daarom geen sprake. Verder is de kantonrechter van oordeel dat het beslag niet onevenredig bezwarend is. Er kan weliswaar sprake zijn van disproportionaliteit gelet op de hoogte van de vordering van [eiser] en de waarde van de woning van [gedaagde] , maar de kantonrechter is het eens met [eiser] dat dit, ter veiligstelling van de verhaalsmogelijkheden een minder ingrijpend beslag is dan bijvoorbeeld een bankbeslag. [eiser] heeft voldoende gemotiveerd gesteld waarom hij zich zorgen maakt over de financiële gesteldheid van [gedaagde] en dat heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Bovendien had [gedaagde] , ondanks dat hij niet tevreden was over de door [eiser] verrichte werkzaamheden, vast een deel van de factuur kunnen betalen of een garantie aan [eiser] kunnen geven dat hij de factuur kon betalen. Ook dat heeft hij niet gedaan.
De vordering tot vergoeding van de beslagkosten is gelet op het bepaald in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op een bedrag van € 1.497,66, bestaande uit € 380,66 aan kosten deurwaardersexploten, € 331,00 aan griffierecht en
€ 786,00 aan salaris advocaat. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.
[gedaagde] is zowel in conventie als reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.174,47
In reconventie worden de proceskosten van [eiser] begroot op € 577,00 (2 punten x factor 0,5 x € 577,00) aan salaris gemachtigde.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.738,78 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 977,69 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.497,66 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.174,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart het vonnis ten aanzien van de punten onder 5.1 tot en met 5.4. en 5.7. en 5.8. uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
47414 / 53331