RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/462603 / HA RK 26-11
Beschikking van 22 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ALTERA RESIDENTIAL CUSTODIAN B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amstelveen,
verzoekende partij, hierna: Altera,
advocaat: mr. M.C. Hoeba,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidDE KLEINE TOL B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Tiel,
hierna: DKT,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[bedrijf 1],
statutair gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,
hierna: Beheer,3. [verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verweerder] ,
verwerende partijen, hierna samen: verweerders,
advocaat: mr. E. Brons-Stikkelbroeck.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 9 januari 2026, met 38 producties,
- het verweerschrift, ingekomen op 22 mei 2026, met 7 producties,
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens Altera zijn verschenen mevrouw [persoon 1] en de heer [persoon 2] , bijgestaan door mr. Hoeba voornoemd. Namens verweerders is verschenen [verweerder] voornoemd, bijgestaan door mr. Brons voornoemd.
- de akte overlegging aanvullende producties van de zijde van Altera, met producties 39 tot en met 41,
- het e-mailbericht van mr. Brons-Stikkelbroeck van 5 juni 2026, waarin zij meldt dat verweerders zich met betrekking tot de voornoemde akte van Altera en de vraag of Altera belanghebbende is bij het verzoek, refereren aan het oordeel van de rechtbank.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Altera is sinds 1 januari 2025 de verkrijgende vennootschap van de vermogensbestanddelen van de splitsende vennootschap Altera Vastgoed N.V. (hierna: Altera Vastgoed).
DKT houdt zich bezig met het beheer van vermogen. Beheer is enig aandeelhouder en enig bestuurder van DKT. [verweerder] is enig aandeelhouder en bestuurder van Beheer.
DKT heeft bij huurovereenkomst van 11 maart 2020 (hierna: de huurovereenkomst) van Altera Vastgoed gehuurd de bedrijfsruimte aan het Kanseliersplein 81 in Den Bosch (hierna: het gehuurde). Het gehuurde is in volledig casco staat verhuurd. Eind 2020 is DKT gestart met een verbouwing van het gehuurde. In 2021 en 2022 heeft DKT een ijssalon geëxploiteerd in het gehuurde. DKT heeft de ijssalon op 26 september 2022 gesloten.
Op 28 september 2022 heeft Altera Vastgoed een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant, omdat DKT volgens Altera Vastgoed de huurpenningen en andere financiële verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst niet nakwam.
Bij vonnis van 14 december 2023 van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het vonnis), heeft de rechtbank de huurovereenkomst ontbonden en DKT veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Het vonnis luidt verder, voor zover hier relevant, als volgt:
in conventie
(…)
veroordeelt De Kleine Tol om aan Altera Vastgoed te betalen een bedrag van € 40.049,63 aan huurachterstand en een bedrag van € 3.300,00 aan boetes;
veroordeelt De Kleine Tol om aan Altera Vastgoed te betalen de verschuldigde huur van € 4.152,35 per maand vanaf 1 oktober 2023 tot de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst;
veroordeelt De Kleine Tol om aan Altera Vastgoed te betalen de verschuldigde huur van € 4.152,35 per maand vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot de ontruiming;
veroordeelt De Kleine Tol om aan Altera Vastgoed te betalen een bedrag van € 4.152,35 per maand (te verhogen met eventuele indexeringen) na de ontruiming tot en met de derde maand na de maand waarin de ontruiming heeft plaatsgevonden, maar niet langer dan tot het moment van wederverhuur indien de onderhavige bedrijfsruimte binnen die periode opnieuw wordt verhuurd en evenmin langer dan tot het oorspronkelijke einde van de huurovereenkomst;
5.7.veroordeelt De Kleine Tol tot vergoeding van de overige – daadwerkelijk geleden – schade tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt De Kleine Tol om aan Altera Vastgoed te betalen de overeenkomsten (boete-)rente vanaf de dag der dag dagvaarding tot de dag dat de gehele vordering is voldaan;
veroordeelt De Kleine Tol in de proceskosten (…);
in reconventie
veroordeelt Altera Vastgoed om aan De Kleine Tol te betalen een bedrag van € 10.784,00 aan waarborgsom en een bedrag van € 7.500,00 voor de afbouwvergoeding.”
Op 22 december 2023 is het vonnis aan DKT betekend.
DKT heeft te kennen gegeven dat zij geen verhaal biedt om Altera te voldoen.
Bij brief van 14 mei 2025 aan Beheer en [verweerder] , heeft Altera het standpunt ingenomen dat Beheer en [verweerder] als (indirect) bestuurders van DKT op grond van artikel 6:162 BW (bestuurdersaansprakelijkheid) gehouden zijn om de door Altera geleden schade te vergoeden. Altera berekent haar schade op € 106.895,79, te weten de bedragen genoemd in rov. 5.3 tot en met 5.9. van het vonnis (€ 91.123,92) minus de waarborgsom en de afbouwvergoeding genoemd in rov. 5.10 van het vonnis (€ 10.784,00 en 7.500,00) vermeerderd met de wettelijke (handels)rente van € 15.771,87.
3. Het verzoek en het verweer
Altera vraagt om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen op de voet van artikel 196 Rv. Ook verzoekt Altera om verweerders in de kosten van deze procedure te veroordelen.
Zij legt aan haar verzoek samengevat het volgende ten grondslag. DKT schiet tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het vonnis. Beheer en [verweerder] zijn als (indirect) bestuurders aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade, indien zij hebben bewerkstelligd (of toegelaten) dat DKT haar verplichtingen niet nakomt en indien hen ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Altera heeft redenen om aan te nemen dat dit het geval is. Het lijkt erop dat Beheer en [verweerder] het verhaal van Altera hebben gefrustreerd door het onttrekken van activa uit DKT. Dit volgt uit de jaarrekeningen van DKT over 2021 en 2022, uit verhaalsonderzoek en uit de door verweerders gegeven verklaringen. In dit verband wijst Altera er ook op dat [verweerder] in 2022 zonder hypotheekfinanciering een appartement heeft gekocht van ruim € 300.000,00. Bovendien lijkt het erop dat Beheer en [verweerder] zich schuldig hebben gemaakt aan selectieve wanbetaling. Altera acht het aannemelijk dat de activa van DKT op onrechtmatige wijze zijn gebruikt om de schuldeiser(s) van de groepsvennootschappen van DKT, te weten [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , te voldoen. Dat wordt bevestigd doordat de facto sprake is (geweest) van het verhangen van activa (mogelijk in onder meer DKT, [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [V.O.F] ), waarbij andere schuldeisers (waaronder mogelijk leveranciers) wel zijn voldaan en Altera niet. Altera beraadt zich op de te nemen rechtsmaatregelen, waaronder het starten van een bodemprocedure tegen Beheer en [verweerder] , en zij wenst haar rechtspositie te bepalen. Volgens Altera heeft zij een concreet belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat verweerders tot op heden weigeren om inzicht te verschaffen. Altera sluit niet uit dat de bewijslast in een dergelijke procedure op Altera zal rusten en zij wil een inschatting kunnen maken van haar proceskansen. Altera heeft daarom recht op en belang bij het horen van de volgende personen:
de heer [verweerder] ,
mevrouw [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ),
de boekhouder van DKT, Beheer en [verweerder] , waarvan door [verweerder] kan worden verklaard wat de naam van deze natuurlijke persoon is en waar deze woont.
Verweerders voeren gemotiveerd verweer, zoals hierna nader aan de orde komt, en concluderen tot afwijzing van het verzoek en veroordeling van Altera in de proceskosten.
4. De beoordeling
Altera is belanghebbende
Verweerders hebben bij verweerschrift als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Altera geen belanghebbende is bij het verzoek. Volgens verweerders is Altera geen belanghebbende bij het verzoek, omdat zij geen vordering heeft op DKT (en dus ook niet op [verweerder] en/of Beheer uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid). Ter zitting hebben zij dit verweer gehandhaafd, waarna de rechtbank Altera in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullende producties in de dienen.
Na de mondelinge behandeling heeft Altera aanvullende producties ingediend, waaronder de notariële splitsingsakte van Altera Vastgoed en de relevante bijlagen daarbij. Bij e-mailbericht van 5 juni 2026 aan de rechtbank hebben verweerders bericht dat zij afzien van het nemen van een antwoordakte en dat zij zich ter zake dit onderwerp refereren aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de aanvullende stukken van Altera volgt dat de vorderingen die Altera Vastgoed heeft uit hoofde van de huurovereenkomst ten aanzien van Kanseliersplein 81 in ’s Hertogenbosch, onder algemene titel zijn overgegaan op Altera (productie 39 pag. 1 en 2 en productie 40 pag. 3, 4 en 6). Uit het Kadaster volgt dat Altera eigenaar is van de destijds door DKT gehuurde winkelruimte aan het Kanseliersplein 81 in ’s Hertogenbosch. Dit betekent dat Altera belanghebbende is en ontvankelijk in haar verzoek.
Toetsingskader voorlopig getuigenverhoor
Met ingang van 1 januari 2025 is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangepast als gevolg van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 Rv de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel om de verzoeker ervan in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de – wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Op basis daarvan kan de verzoeker dan beter beoordelen of het raadzaam is de procedure te starten. Niet vereist is dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.
Het wettelijk uitgangspunt staat in artikel 196 Rv en dat is dat in gevallen waarin getuigenbewijs is toegelaten een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen als een belanghebbende daarom verzoekt. In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. De verzoeker hoeft niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat hij een vorderingsrecht heeft of dat hij enige schade als door hem gesteld heeft geleden. Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.
Omdat het verzoek van Altera voldoet aan de formele voorwaarden die de wet aan het verzoekschrift stelt, heeft Altera in beginsel recht op een voorlopig getuigengehoor. Dit is slechts anders als (a) de informatie die wordt verlangd, niet voldoende bepaald is, (b) Altera onvoldoende belang heeft bij haar verzoek, (c) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (d) er sprake is van misbruik van bevoegdheid of (e) andere gewichtige redenen zich verzetten tegen een voorlopig getuigenverhoor (artikel 196 lid 2 Rv). Als geen van deze situaties zich voordoet, wordt het verzoek toegewezen.
De rechtbank wijst het verzoek toe
De rechtbank zal het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toewijzen, omdat niet is gebleken van (één van) de hiervoor genoemde afwijzingsgronden. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.
Ad a. Voldoende bepaald
Verweerders verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en stellen allereerst dat de informatie die wordt verlangd, onvoldoende bepaald is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het feitelijk gebeuren waarover Altera de getuigen wil horen, is voldoende duidelijk door haar omschreven. Duidelijk is immers dat Altera vermoedt dat in twee jaar tijd ruim € 200.000,00 aan activa is onttrokken aan DKT en dat selectieve betalingen zijn gedaan. Altera heeft duidelijk gemaakt dat dit vermoeden wordt versterkt door de aankoop van een appartement in [plaats] van ruim € 300.000,00 zonder hypotheekfinanciering. Altera heeft voldoende concreet toegelicht (randnummer 4.11) dat zij met haar verzoek opheldering wil krijgen over de oorzaak van het ontbreken van baten bij DKT, de wijze waarop eventuele baten van DKT te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld en de redenen waarom Altera (kennelijk als enige schuldeiser) onbetaald is gebleven, terwijl andere schuldeisers volledig lijken te zijn voldaan. Ter zitting heeft Altera hieraan toegevoegd dat zij opheldering wil over de aandeelhoudersvergadering van 15 januari 2022 en de besluiten die toen door [verweerder] zijn genomen en de door hem gehanteerde uitkeringstest. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek dan ook voldoende bepaald.
Voldoende duidelijk is ook dat en waarom de getuigen over de door Altera genoemde feiten en omstandigheden zouden kunnen verklaren (randnummer 6.1). Duidelijk is immers dat [verweerder] als bestuurder verantwoordelijk was voor het beleid binnen de groep en op de hoogte is van de vermelde bewijsthema’s. Evenzeer is duidelijk dat [verweerder] over deze onderwerpen heeft gesproken met zijn boekhouder, de heer [boekhouder] (productie 6 bij verweerschrift).
De rechtbank acht het in dit stadium voldoende aannemelijk dat ook mevrouw [persoon 3] (nadere) verklaringen zou kunnen afleggen in relatie tot de genoemde bewijsthema’s. [verweerder] en [persoon 3] zijn in 2009 immers samen gestart met (de gelieerde vennootschappen aan) DKT en [persoon 3] was tot 2023 mede-vennoot van [V.O.F] Bovendien volgt uit productie 6 van het verweerschrift dat het appartement in [plaats] in 2022 is aangekocht met eigen middelen, afkomstig van onder meer mevrouw [persoon 3] , zodat zij ook over dit onderwerp zou kunnen verklaren. De rechtbank ziet in dit stadium dan ook geen aanleiding deze door verzoeker voorgestelde getuige op voorhand van het voorlopig getuigenverhoor uit te sluiten. In hoeverre mevrouw [persoon 3] mogelijk zal moeten verklaren over vertrouwelijke gegevens van haarzelf en haar dochter valt mede gelet op de summiere onderbouwing van dit standpunt, nu niet te overzien maar vormt ook geen grond om het verzoek af te wijzen.
Ad b. Voldoende belang
Verweerders stellen dat het verzoek ook moet worden afgewezen omdat Altera onvoldoende belang heeft bij haar verzoek. Volgens verweerders heeft Altera onvoldoende belang bij haar verzoek, omdat er al een uitgebreide schriftelijke verklaring van [boekhouder] ligt.
De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Het feit dat [boekhouder] al een schriftelijke verklaring heeft opgesteld (productie 6 bij verweerschrift) maakt niet dat het verzoek om hem te horen moet worden afgewezen. De bewijskracht van een door een getuige onder ede afgelegde verklaring is immers wezenlijk anders dan een andersoortige verklaring. Daarbij komt dat getuigen onder ede mogelijk anders of meer verklaren dan zij anderszins zouden doen of dan zij al hebben gedaan (dat geldt ook ten aanzien van de personen van wie het procesdossier nog geen schriftelijke verklaring bevat). In elk geval kan en mag op de uitkomsten van het voorlopige getuigenverhoor niet vooruit worden gelopen. Daarmee is het belang gegeven.
Volgens verweerders heeft Altera ook geen belang bij haar verzoek, omdat alle benodigde informatie al voorhanden is en voldoet om een inschatting te kunnen maken van de kans van slagen van de gestelde vordering. De kans van slagen van die vordering is volgens verweerders nihil; er is geen sprake van een persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen en/of onbehoorlijke taakvervulling. Dit hebben verweerders al inzichtelijk gemaakt. Het horen van de getuigen levert geen ander, relevant, noch kwalitatief beter materiaal op, aldus verweerders.
Ook aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij, gelet op het volgende. Uit de processtukken valt af te leiden en ook ter zitting is gebleken dat partijen juist van mening verschillen over de vraag of activa zijn onttrokken en selectieve betalingen zijn gedaan. Voor de vraag of de feiten waarover de getuigen kunnen verklaren relevant zijn, geldt dat de beoordeling daarvan in deze verzoekschriftprocedure niet voorligt. Anders dan verweerders stellen, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat Altera een rechtsvordering heeft. Altera heeft daarmee voldoende concrete aanknopingspunten voor de beoogde bewijsvergaring gegeven. Dit betekent dat Altera bij haar verzoek voldoende belang heeft.
Geen andere afwijzingsgronden aanwezig
Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat Altera het verzoek gebruikt als oneigenlijk drukmiddel, is onvoldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling dat Altera bezig zou zijn met een fishing expedition. Het door Altera geschetste feitencomplex waarover het getuigenverhoor moet gaan is voldoende specifiek. Van misbruik van recht is dan ook geen sprake. Ook van strijdigheid met de goede procesorde is geen sprake. Van zwaarwegende belangen die aan de toewijzing van het verzoek in de weg staan is niet gebleken.
Slotsom
Het voorgaande betekent dat het verzoek tot het gelasten van een voorlopige getuigenverhoor zal worden toegewezen.
De beschikking zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu tegen de beslissing betreffende het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel geen hoger beroep openstaat en de rechtbank geen aanleiding ziet om in dit geval hoger beroep open te stellen (artikel 200 lid 2 Rv).
De rechtbank is van oordeel dat er in deze verzoekschriftprocedure geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.
Het verdere verloop van de procedure
Altera beschikte ten tijde van het indienen van het verzoekschrift niet over de naam en adresgegevens van de boekhouder van verweerders. Inmiddels is de naam van deze natuurlijke persoon bekend. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerders desgewenst ook de eventuele overige benodigde gegevens aan Altera verstrekken, opdat Altera de heer [boekhouder] kan (doen) oproepen.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
De rechtbank wijst Altera erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten in totaal per getuige zal reserveren. Als Altera van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet zij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter verzoeken.
Omdat de advocaat van verweerders al in het bezit is van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, is Altera niet gehouden verweerders een afschrift van deze stukken te verstrekken.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.
5. De beslissing
De rechtbank
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
benoemt mr. L. van der Weijde tot rechter-commissaris,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
bepaalt dat Altera binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september 2026 tot en met februari 2027 moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door D. Rijpma en op 22 juli 2026 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. S.J. Peerdeman.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!