ECLI:NL:RBGEL:2026:6651

ECLI:NL:RBGEL:2026:6651

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer ARN 25/570
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Herstel toeslagenaffaire. Beroep ongegrond. De dienst heeft terecht geen compensatie toegekend voor bepaalde toeslagjaren

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Dienst Toeslagen

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/570

in de zaak tussen

en

(gemachtigde: mr. M.S. Aziz).

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser toegekende compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Eiser is het niet eens met de hoogte van het compensatiebedrag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan eiser toegekende compensatie.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst terecht geen hogere compensatie aan eiser heeft toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser is slachtoffer van het toeslagenschandaal. Hij heeft de dienst verzocht om het recht op kinderopvangtoeslag opnieuw te beoordelen. Bij besluiten van 17 oktober 2022 heeft de dienst aan eiser meegedeeld dat hij voor de toeslagjaren 2014 en 2015 recht heeft op een compensatiebedrag van € 27.582. Voor de toeslagjaren 2013 en 2016 komt eiser niet in aanmerking voor compensatie omdat de kinderopvangtoeslag volgens de dienst over die jaren correct is vastgesteld. Bij besluit van 23 februari 2023 heeft de dienst aan eiser een tegemoetkoming van € 928 toegekend vanwege een O/GS-kwalificatie (opzet/grove schuld kwalificatie).

3. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft de dienst het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en het compensatiebedrag vastgesteld op € 30.236.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de dienst.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere informatie aan te leveren. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiser heeft als slachtoffer van het toeslagenschandaal de dienst verzocht om zijn recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 tot en met 2016 opnieuw te beoordelen.

Bij besluit van 17 oktober 2022 heeft de dienst aan eiser meegedeeld dat het recht op kinderopvangtoeslag in 2013 en 2016 correct is vastgesteld.

Bij besluit van 17 oktober 2022 heeft de dienst aan eiser meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie voor de toeslagjaren 2013 en 2016, omdat er geen aanwijzingen zijn dat er vooringenomen is gehandeld. De kinderopvangtoeslag is in beide jaren namelijk bijgesteld op basis van door eiser verstrekte gegevens.

Bij besluit van 17 oktober 2022 heeft de dienst aan eiser een compensatiebedrag van € 27.582 toegekend. Omdat dit bedrag lager is dan het bedrag dat eiser op grond van de Catshuisregeling al heeft ontvangen, krijgt hij geen aanvullende vergoeding.

Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 februari 2023 heeft de dienst aan eiser een tegemoetkoming van € 928 toegekend voor het jaar 2016, omdat er wel sprake was van een O/GS-kwalificatie. Bij het bestreden besluit van 7 januari 2025 is de dienst gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar. Omdat de toeslagrente over 2014 en 2015 te laag was vastgesteld, heeft eiser recht op een hoger compensatiebedrag van € 30.236.

Toetsingskader

5. Als iemand die kinderopvangtoeslag heeft gehad, schade heeft geleden omdat er voor 23 oktober 2019 sprake was van institutionele vooringenomenheid of omdat er sprake was van onbillijkheden van overwegende aard (erg oneerlijke gevolgen) door de hardheid waarmee de dienst voor 23 oktober 2019 het wettelijke systeem toepaste, dan kent de dienst op aanvraag compensatie toe. Als er sprake is van hardheid en het teruggevorderde bedrag is minder dan € 1.500 of het recht op kinderopvangtoeslag is met minder dan € 1.500 verlaagd, dan wordt geen compensatie toegekend.

Als iemand die kinderopvangtoeslag heeft gehad, bij de uitvoering daarvan geconfronteerd is met onbillijkheden van overwegende aard (erg oneerlijke gevolgen), omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie, dan kent de dienst op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe.

Ingetrokken beroepsgrond

6. Op de zitting heeft eiser de beroepsgrond dat het vertrouwensbeginsel is geschonden doordat de dienst de hoogte van de kinderopvangtoeslag over 2013 lager heeft vastgesteld, ingetrokken.

Heeft de dienst voldoende stukken verstrekt?

7. Eiser betoogt dat de dienst ten onrechte niet het persoonlijk dossier heeft verstrekt. Dat is in strijd met het beginsel van equality of arms.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Er is geen wettelijke grondslag op basis waarvan het persoonlijk dossier op verzoek moet worden verstrekt. Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoeft het persoonlijk dossier niet als onderdeel van de op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure te worden overgelegd.

Heeft de dienst terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie voor 2013?

8. Eiser betoogt dat hij voor het toeslagjaar 2013 ten onrechte niet als gedupeerde is aangemerkt. De dienst heeft namelijk onvoldoende onderzoek gedaan en onvoldoende informatie bij hem uitgevraagd, voordat de kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd. De dienst had minimaal nog één keer informatie moeten uitvragen of moeten vragen om verduidelijking. Er was daarom sprake van vooringenomen handelen dan wel hardheid. Ook is het aantal opvanguren onjuist vastgesteld.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Van vooringenomenheid is sprake als (bijvoorbeeld) iemand door de dienst werd behandeld als fraudeur, terwijl daarvoor niet direct een aanleiding bestond. Daarnaast kan het ook gaan om het opvragen van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken. Met daarna soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Het gaat dan om het actief ‘zoeken’ naar fouten en vergissingen. En als er een tekortkoming was, werd de aanspraak op toeslag soms direct afgewezen, zonder dat verder werd nagevraagd of doorgevraagd over de feitelijke situatie. Van hardheid van het stelsel is bijvoorbeeld sprake als een formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan.

De rechtbank volgt het betoog van de dienst dat uit het dossier blijkt dat hier geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Bij brief van 25 maart 2015 heeft de dienst eiser verzocht om informatie, zodat het recht op kinderopvangtoeslag voor 2013 kan worden vastgesteld. Bij brief van 4 mei 2015 heeft de dienst een laatste herinnering gestuurd, omdat de dienst nog geen reactie had ontvangen van eiser. Op 12 mei 2015 heeft de dienst de gevraagde gegevens ontvangen. De dienst heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat de gegevens volledig waren, zodat de dienst ook niet gehouden was om nadere informatie te vragen. De dienst heeft het recht op kinderopvangtoeslag dan ook terecht op basis van de voorhanden informatie vastgesteld. De kinderopvangtoeslag voor 2013 is vervolgens een aantal keer naar beneden bijgesteld, maar dit waren steeds reguliere correcties naar aanleiding van door eiser zelf aangeleverde gegevens, zoals wijzigingen in het aantal opvanguren en het toetsingsinkomen. Ook daaruit vloeit niet voort dat de dienst vooringenomen of hard heeft gehandeld.

De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat de hoogte van de terugvordering over dit jaar € 1.410 bedroeg. Dit betekent dat eiser ook alleen daarom al niet in aanmerking komt voor compensatie vanwege hardheid. Daarvoor geldt dat ten minste een bedrag van € 1.500 moet zijn teruggevorderd. Dit minimumbedrag van € 1.500 is een welbewuste keuze geweest van de wetgever. Voor de bestuursrechter is er geen ruimte om hiervan af te wijken.

Het betoog van eiser dat het aantal opvanguren in 2013 onjuist is, beoordeelt de rechtbank niet. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om mogelijke fouten die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt, te herstellen. De vraag of de kinderopvangtoeslag van eiser over 2013 juist is vastgesteld ligt hier daarom niet voor. Het gaat om de vraag of de dienst over het jaar 2013 tegenover eiser vooringenomen heeft gehandeld. Uit het voorgaande volgt dat dit niet het geval is.

Heeft de dienst terecht geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming voor 2013?

9. Eiser betoogt dat er sprake is van een O/GS-kwalificatie, zodat hij alsnog aangemerkt moet worden als gedupeerde voor het jaar 2013. Eiser heeft namelijk een persoonlijke betalingsregeling aangevraagd. In eerste instantie werd deze afgewezen, maar na veel moeite kreeg hij een onrealistische betalingsregeling aangeboden. Daarmee voldoet hij aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als gedupeerde.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de e-mails die eiser heeft overgelegd, blijkt niet dat de dienst een betalingsregeling heeft afgewezen of een onrealistische betalingsregeling heeft aangeboden. Het betreft e-mails tussen eiser en zijn bewindvoerder en gaan over een minnelijk schuldhulpverleningstraject. Niet is gebleken dat de dienst een persoonlijke betalingsregeling voor het terugbetalen van de kinderopvangtoeslag heeft geweigerd. De dienst heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser niet aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming over het toeslagjaar 2013.

Heeft de dienst terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie voor 2016?

10. Eiser betoogt dat er ten onrechte niet is vastgesteld dat er sprake was van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel over 2016. Eiser heeft de kinderopvangtoeslag tijdig stopgezet, maar juist op dat moment werd de toeslag automatisch gecontinueerd. Door de kruising van de stopzetting en de automatische continuering is eiser geconfronteerd met een terugvordering en een verrekening, waardoor hij in ernstige problemen is gekomen. Om die reden heeft de dienst ook loonvorderingskosten die hij heeft gemaakt aan hem vergoed. Hieruit volgt dat de dienst hem ook over dit toeslagjaar als gedupeerde heeft aangemerkt. Bovendien heeft de dienst een bedrag van € 10.945 teruggevorderd en niet het genoemde bedrag van € 3.091.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.

Eiser heeft op 24 november 2015 verzocht om de kinderopvangtoeslag stop te zetten. De dienst heeft de stopzetting echter niet direct verwerkt. Uit de systemen van de dienst blijkt dat de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2016 reeds op 6 november 2015 automatisch is gecontinueerd. Eiser heeft daarom automatisch een deel van de kinderopvangtoeslag uitbetaald gekregen. De dienst heeft daarna het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2016 vastgesteld op nihil en de (inmiddels) uitbetaalde bedragen ter hoogte van in totaal € 3.091 van eiser teruggevorderd. Dit is terecht. Eiser had op dat immers geen recht meer op kinderopvangtoeslag. Van vooringenomen handelen kan om die reden niet worden gesproken.

Voor zover eiser betoogt dat hij een bedrag van € 10.945 moest terugbetalen en niet het genoemde bedrag van € 3.091, kan hij hierin niet worden gevolgd. Eiser heeft weliswaar een screenshot laten zien waaruit blijkt dat dit bedrag moest worden terugbetaald, maar de dienst heeft toegelicht dat dit terug te betalen bedrag is gekoppeld aan de BSN van de ex-partner van eiser. Nadat eiser de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet, heeft zijn ex-partner namelijk voor het toeslagjaar 2016 kinderopvangtoeslag aangevraagd, ontvangen en uiteindelijk gedeeltelijk terug moeten betalen. Het klopt dat eiser dit bedrag kan zien als hij inlogt op mijntoeslagen.nl, maar de beschikking tot terugvordering was niet aan hem gericht. De dienst heeft het bedrag van € 10.945 dus niet van eiser teruggevorderd, maar van zijn ex-partner.

Gelet op het voorgaande heeft de dienst terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie vanwege vooringenomen handelen of hardheid over het toeslagjaar 2016. Dat aan eiser uit coulance de door hem gemaakte loonvorderingskosten zijn vergoed, maakt dit niet anders.

Heeft de dienst ten onrechte de rente-, aanmanings- en dwangbevelkosten niet meegenomen in de compensatieberekening in bezwaar?

11. Eiser betoogt dat in het betaaloverzicht 2015 opgenomen rente-, aanmanings- en dwangbevelkosten ten onrechte niet zijn meegenomen in de compensatieberekening.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt het betoog van de dienst dat de rentekosten van € 15 waar eiser naar verwijst, zijn betaald over een schuld uit 2014 en daarom niet zijn meegenomen in de compensatieberekening over 2015, maar over 2014. Ook volgt de rechtbank het betoog van de dienst dat de overige door eiser genoemde rente-, aanmanings- en dwangbevelkosten over 2015 niet in aanmerking komen voor compensatie, omdat ze zijn afgeboekt in verband met de toeslagenaffaire en eiser deze kosten daarom nooit heeft hoeven betalen. De dienst heeft de door eiser genoemde rente-, aanmanings- en dwangbevelkosten daarom terecht niet meegenomen in de compensatieberekening over 2015.

Had de dienst voor de einddatum van de renteberekening moeten uitgaan van de beslissing op bezwaar?

12. Eiser betoogt dat de dienst de schadecomponenten O en P onjuist heeft berekend. De dienst had voor de berekening van de einddatum de datum van de beslissing op bezwaar moeten aanhouden.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt het betoog van de dienst dat de verhoging van het totale compensatiebedrag bij de beslissing op bezwaar het gevolg is geweest van de verhoging van de immateriële schadevergoeding, het doorberekenen van de rentevergoeding tot aan de datum van het primaire besluit, de door de dienst vergoede loonvorderingskosten en de herziening van de aanvullende vergoeding van 1%. De hoogte van de gemiste kinderopvangtoeslag is niet aangepast in de beslissing op bezwaar, zodat er geen reden is om de rentevergoeding door te rekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

Had de dienst de hardheidsclausule toe moeten passen?

13. Eiser betoogt dat de hardheidsclausule toegepast moet worden, zodat hij zijn werkelijke schade vergoed kan krijgen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

Deze beroepsgrond slaagt niet. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

Eiser heeft niet toegelicht in welke schrijnende omstandigheden hij zich op dit moment bevindt en op welke manier deze verband houden met de weigering om meer compensatie toe te kennen. De enkele verwijzing naar het ouderverhaal is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft eiser op de zitting toegelicht dat zijn situatie op dit moment financieel stabiel is. Bij een beroep op de hardheidsclausule moet het gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met de weigering om compensatie te verlenen. Niet is gebleken dat er bij eiser op dit moment sprake is van een bijzondere situatie die maakt dat de strikte toepassing van de Wht achterwege moet blijven.

Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

14. Eiser betoogt dat het besluit onevenredig is omdat er geen sprake is van een evenwichtig besluit.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht, zijn door de wetgever verdisconteerd in de compensatieregeling. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de dienst de hoogte van de compensatie juist heeft vastgesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van

mr. C. Ebbers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand