ECLI:NL:RBGEL:2026:6660

ECLI:NL:RBGEL:2026:6660

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 05-119534-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring en berekening termijn. De aanvang van bewaring (of gevangenhouding) is geregeld in artt. 64 en 73 lid 2 Sv: op het moment van aanhouding ter uitvoering van het bevel of op moment dat voorafgaande titel tot vrijheidsbeneming afloopt. Het verweer dat de vrijheidsbeneming ingevolge last tot aanhouding door OM (voorafgaande dus aan de beslissing RC of raadkamer) ook meetelt bij de berekening van duur, is onjuist.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

parketnummer : 05-119534-25

rolnummer : 4

beslissing afwijzing vordering gevangenhouding van de raadkamer d.d.

13 augustus 2026

(artikel 65 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres], [postcode] [plaats],

nu gedetineerd in P.I. [verblijfplaats].

Raadsman: mr. A.R. Maarsingh.

Procedure

Tegen de verdachte is op 25 april 2025 een bevel tot bewaring verleend en is de voorlopige hechtenis geschorst. De schorsing van de voorlopige hechtenis is op 3 augustus 2026 opgeheven.

De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 (negentig) dagen.

De officier van justitie heeft medegedeeld dat het Openbaar Ministerie hem heeft gedagvaard voor de zitting van de meervoudige kamer op 25 september 2026.

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

De tijdigheid van de vordering gevangenhouding

De rechter-commissaris heeft op 25 april 2025 de bewaring bevolen en ook meteen geschorst. Wegens de verdenking van schending van de schorsingsvoorwaarden is verdachte op 11 mei 2026 aangehouden, terwijl op 13 mei 2026 de vordering opheffing schorsing is afgewezen en verdachte in vrijheid gesteld.

Op 31 juli 2026 is verdachte wederom aangehouden wegens het voornemen opnieuw opheffing van de schorsing te vorderen. Die vordering is toegewezen op 3 augustus 2026.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vrijheidsbeneming op basis van de last tot aanhouding voorafgaande aan de (toewijzende of afwijzende) beslissing van de rechter-commissaris meetelt bij de duur van de bewaring, waarbij de raadsman met name heeft gewezen op artikel 73 Sv. Dat zou neerkomen op drie dagen vrijheidsberoving in mei waarna nog elf dagen resteren, rekenend vanaf 31 juli 2026. De bewaringstermijn van veertien dagen zou daarmee op maandag 11 augustus zijn verstreken zodat de vordering gevangenhouding op 13 augustus 2025 te laat is ingediend. Het openbaar ministerie zou daarom niet-ontvankelijk zijn.

De raadkamer volgt deze redenering niet.

Artikel 64 Sv bepaalt dat de bewaring ingaat op het moment van tenuitvoerlegging daarvan.

Artikel 73 lid 2 Sv bepaalt dat een bevel voorlopige hechtenis ingaat zodra verdachte ter uitvoering daarvan [curs. rb] wordt aangehouden dan wel zodra de duur van een voorafgaande titel tot vrijheidsbeneming afloopt.

Geen van deze bepalingen noch enige andere wettelijke bepaling brengt mee dat de voorlopige hechtenis al aanvangt voorafgaande aan het daartoe strekkende bevel of dat vrijheidsbeneming voorafgaande aan een dergelijk bevel meetelt voor de berekening van de termijn. In het bijzonder bevatten de artikelen 84 en 6.3.15 Sv, die de bevoegdheid tot aanhouding van verdachte verlenen ingeval van vermoedelijke overtreding van een voorwaarde, ook niet de bepaling dat de duur van de vrijheidsbeneming op basis van die last tot aanhouding, meetellen bij de berekening van de termijn.

In zoverre sluit de raadkamer zich aan bij Hof Den Haag 7 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:649, waarin ook verwezen naar T&C, aant. 5 bij artikel 84 Sv.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De grond, die tot het bevel bewaring van verdachte heeft geleid, is naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet langer aanwezig, zodat de vordering moet worden afgewezen.

Immers verdachte is first offender en is sinds de aanhouding in onderhavige zaak niet in aanraking gekomen met politie en justitie. Er is daarom onvoldoende grond om voor herhaling te vrezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van de officier van justitie af;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 13 augustus 2026 door:

mr. F.J.H. Hovens, voorzitter,

mr. R.M. Schoo en mr. J.L. Wesstra, rechters,

in tegenwoordigheid van T.W.J. Nieuwenhuis, griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.J.H. Hovens
  • mr. R.M. Schoo
  • mr. J.L. Wesstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand