RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-285596-25
raadkamernummer : 26-013966
datum uitspraak : 19 augustus 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [geboortedatum] 1982 te Curaçao,
domicilie kiezend te [adres], [postcode] [plaats],
thans gedetineerd te P.I. [verblijfplaats],
hierna te noemen: klager.
1. Feiten
Uit de kennisgevingen van inbeslagname blijkt dat op 23 oktober 2025 onder [beslagene] in totaal € 66.900,- in beslag is genomen.
2. Procedure
Het klaagschrift is op 12 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 5 augustus 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld, waarbij klager, diens advocaat, mr. B.M.A. Jegers en de officier van justitie zijn gehoord. Beslagene [beslagene] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Tijdens de zitting is afgesproken dat klager nog de gelegenheid krijgt stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij een groot bedrag aan schadevergoeding heeft ontvangen en de datum daarvan. Indien die stukken aanleiding geven tot nadere vragen, zal het onderzoek worden heropend. Ook het openbaar ministerie kan daarom vragen.
Op 12 augustus 2026 heeft verzoeker in dit verband enkele stukken aan de rechtbank toegestuurd met kopie daarvan aan het openbaar ministerie.
3. Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen geld. Door klager is aangevoerd dat het onder belanghebbende [beslagene] inbeslaggenomen geld aan hem toebehoort. Klager heeft na een liquidatiepoging een grote schadevergoeding ontvangen. Hij vertrouwt geen banken en bewaart zijn geld daarom zoveel mogelijk contant. Een deel van het geld heeft hij in het kinderzitje gestopt en in dat kinderzitje is het gevonden in de auto die werd bestuurd door [beslagene].
4. Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan
klager en vindt zijn verklaring onaannemelijk. De officier van justitie is van oordeel dat het geld niet van legale afkomst is en stelt dat het strafvordelijk belang moet prevaleren boven het persoonlijk belang van klager.
5. Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In deze beklagzaak staan twee vragen centraal:
- wie is de eigenaar van het in beslag genomen geld?
- is aannemelijk dat dit geld uit legale bron afkomstig is.
Uit het dossier in raadkamer kan vooralsnog het volgende worden afgeleid
Op 23 oktober 2025 is onder [beslagene] een contant geldbedrag van € 66.900,- in beslag genomen. Dit bedrag is aangetroffen in enkele plastic tassen onder een kinderzitje dat los op de achterbank lag van een door hem bestuurde auto. Deze auto was staande gehouden vanwege de signalering van het kenteken in verband met mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten. [beslagene] is daarop aangehouden op verdenking van witwassen. Hij heeft niets willen verklaren bij de politie. In antwoord op de '30 dagen brief' heeft zijn raadsman in een e-mail van 21 november 2025 verklaard dat het geld niet eigendom is van [beslagene], maar van zijn zwager [klager]. Die verklaring komt goeddeels overeen met hetgeen [klager] aanvoert in zijn klaagschrift.
Klager heeft aangevoerd dat hij in 2023 in verband met een jegens hem gepleegd strafbaar feit een groot bedrag aan schadevergoeding heeft ontvangen van "in totaal meer dan € 200.000 (inclusief rente)". Omdat hij geen vertrouwen heeft in banken heeft hij in de loop der tijd een deel van de uitbetaalde schadevergoeding gepind en contant bewaard, hetgeen kan blijken uit de overgelegde pintransacties (productie 2). Hij heeft in totaal € 48.256,- aan contant geld gepind, blijkens een brief van de ING (productie 3). In deze brief vraagt de bank in verband met haar wettelijke onderzoeksplicht inzake het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering van [klager] opheldering omtrent de bestedingsdoelen van deze contante opnames. Mede omdat [klager] voorkomt in berichtgeving over criminele activiteiten. Eerdere vragen hierover heeft hij niet willen beantwoorden.
Daarnaast zegt klager op 16 januari 2025 zijn auto te hebben verkocht voor € 39.000,-, waarvan € 21.000 contant is voldaan en € 18.000 per bank. (productie 4 en productie 5 )Daaruit blijkt dat hij in oktober 2025 over € 69.256,- kon beschikken.
Onder de na de zitting toegestuurde stukken bevindt zich een vonnis van de rechtbank Limburg van 26 oktober 2023, betreffende een poging tot moord op klager waardoor klager zeer ernstig gewond is geraakt met blijvend letsel. De schutter en enkele anderen zijn hiervoor veroordeeld en aan klager is schadevergoeding toegekend ten bedrage van € 178.840,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op 8 juli 2024 is door het CJIB een bedrag van € 202.715,28 (incl. wettelijke rente) overgemaakt op klagers bankrekening, zo blijkt uit een brief van een e-mail van slachtofferhulp.
Daarmee staat voldoende vast dat klager over een aanzienlijk bedrag kon beschikken, hetgeen overigens door het openbaar ministerie ook nooit is bestreden.
Uit de reeks overgelegde bankafschriften blijkt dat klager zeer regelmatig grotere of kleinere bedragen contant heeft gepind, opgeteld ten minste € 48.256,-. Daarnaast zegt hij in januari 2025 zijn auto te hebben verkocht voor € 39.000,- waarvan € 21.000,- contant is betaald. Daarmee is verklaard dat hij op de dag van in beslag name gemakkelijk kon beschikken over € 66.900,-. Ook dit is niet bestreden door het openbaar ministerie.
Voorts heeft [beslagene] (via zijn raadsman) verklaard dat het onder hem in beslag genomen geld niet van hem is maar van klager.
Klager heeft aangevoerd dat hij geen vertrouwen heeft in banken en daarom consequent zijn geld zo veel als de bank dat toestaat, van de rekening haalt en het ergens verstopt, onder meer in het kinderzitje van zijn zoontje. Zijn voormalige partner [naam 1] heeft dit bevestigd. Op 23 oktober 2025 is zij naar haar broer [naam 2] gereden en heeft bij hem haar zoontje en een kinderzitje achtergelaten met de bedoeling hem later weer op te halen. Op die manier is dat kinderzitje bij haar broer [beslagene] terecht gekomen. Pas later hoorde zij dat [beslagene] was aangehouden met een groot geldbedrag in dat kinderzitje.
Het openbaar ministerie struikelt over de verklaring van klager dat hij geen vertrouwen heeft in banken en het geld liever contant bewaart op diverse verstopplaatsen en acht dit niet geloofwaardig. De officier van justitie wijst er op dat de ex-partner [naam 1] heeft verklaard niet te hebben geweten dat dit geld in het kinderzitje was verstopt en dat ze dat anders nooit bij haar broer zou hebben achtergelaten.
Dit maakt de verklaring van verdachte echter nog niet ongeloofwaardig, temeer nu deze [naam 1] ook heeft verklaard dat klager inderdaad geen vertrouwen heeft in banken en zijn geld het liefst ergens verstopt, waaronder ook in kinderzitjes. Dat zij van dit concrete bedrag niets wist, is wellicht ook niet zo vreemd want hun relatie was toen kennelijk al voorbij.
Het moge zo zijn dat het gros van de mensen hun geld aan banken en andere financiële instellingen toevertrouwt, maar verplicht is dat niet. Het is ook niet strafbaar om dat niet te doen. Vraag is of het per definitie verdacht is. Genoeg verdacht om te kunnen concluderen tot witwassen?
Uitgangspunt is nog steeds dat de bewijslast voor strafbaar handelen ligt bij het openbaar ministerie. Als het echter gaat om de verdenking van witwassen, is in de rechtspraak een wat subtielere ‘bewijslastverdeling’ ontwikkeld. Het is vaste rechtspraak dat bij het aantreffen van geld of waardevolle objecten, waarvan de legale herkomst niet aanstonds duidelijk is, de beslagene of verdachte in de gelegenheid wordt gesteld een verklaring voor de legale herkomst daarvan te geven. Als die verklaring niet op voorhand al onaannemelijk is en verifieerbaar is, is het vervolgens aan het openbaar ministerie om die verklaring te toetsen en eventueel aan de hand van nieuw bewijsmateriaal aan te tonen dat die verklaring niet juist is of niet juist kan zijn. En dat laatste is hier geheel achterwege gebleven.
Klager heeft omstandig onder verwijzing naar documenten uit neutrale bron aangetoond dat hij over dit geld uit legale bron heeft kunnen beschikken. Dan kan het openbaar ministerie niet volstaan met de enkele stelling dat het allemaal niet aannemelijk is wat klager naar voren brengt. In het licht van hetgeen klager heeft aangevoerd, is ook het gegeven dat klager zich in de schimmige onderwereld ophoudt of heeft opgehouden, onvoldoende om te kunnen concluderen dat het dan ook wel crimineel geld zal zijn.
Conclusie is derhalve dat het, voorshands oordelend, hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.
De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van € 66.900,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van R.M.J. van den Bogaart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.