RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12280366 \ VV EXPL 26-45
Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.M. Takkenberg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
gemachtigde: mr. M.H. van Daal.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juli 2026 met producties 1 tot en met 10,- producties 1 en 2 van [bedrijf] .
De mondelinge behandeling heeft op 6 augustus 2026 plaatsgevonden gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer 12280383 VV EXPL 26-46. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, door mr. Van Daal zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2. De feiten
[eiser] is op 1 juli 2004 in dienst getreden bij Best Bakery Products B.V. (hierna: BBP), een onderneming die zich bezighield met de vervaardiging van vers banketbakkerswerk. [eiser] is per 15 mei 2025 arbeidsongeschikt geraakt.
[bedrijf] , een onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging van brood en vers banketbakkerswerk, was een klant van BBP. Een aantal van de gebaksoorten die BBP produceerde, werden ook gebruikt door [bedrijf] . BBP maakte met haar mallen de halffabricaten en [bedrijf] werkte deze vervolgens af en verkocht deze in haar winkels.
Op enig moment heeft BBP aan [bedrijf] medegedeeld dat de huur van haar bedrijfsruimte was opgezegd. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden tussen BBP en [bedrijf] over de productieactiviteiten van BBP.
Op 13 maart 2026 heeft [directeur] (directeur van BBP) – voor zover relevant – per e-mail het volgende aan [bedrijf] geschreven:
“Er is een lijst opgesteld ter overname om de banketproductie bij [bedrijf] op poten te zetten.
Onderstaand is interesse in uitgesproken. Hoe gaan we tot een eerlijke reële prijs komen voor het geheel?
Hobart gereedschappenvaatwasser Xl
Hobart planeetmenger 60 ltr met toebehoren
Hobart planeetmenger 40 lts met toebehoren
Werkbanken rvs 4 meter 2x
Koel/weeg werkbank 5 meter
Warmhoudskast
Ovenkarren inclusief bakplaten 15 stuks?
Bakon multi despositor
Sloffenringen 840 stuks/ taartringen 90 stuks groot & 100 stuks klein/ taartpannen 90 stuks & 50 stuks/ rondorekken 9 platen?
Alle matten en vormen geschikt voor bavaroise productie.
Aanstaande week hebben we nog een volle week in productie waarin we zelf de beschikking over het geheel moeten hebben om productie volgens plan te kunnen draaien.
Wanneer we tot een overeenstemming zijn gekomen over de waarde van het geheel kan het
wat mij betreft begin week 13 over als de ruimtes verder gereed zijn.”
Op 15 maart 2026 heeft [bedrijf] per e-mail – voor zover relevant – het volgende geschreven:
“Ik denk dat we onze vaatwasser moeten “omruilen” in Nijkerk met die van ons. Nijkerk is groter dan Oldebroek (…)
Mallen, vormen, rekken en pannen naar Oldebroek halen waarvan [naam 1] denkt deze nodig te hebben
Planeetmengers laten staan en niet naar Oldebroek halen (Volgens mij hebben we er genoeg)(Wat wel kan is omruilen voor de beste??)
Warmhoudkast hebben we al, dus laten staan (Of omruilen?)
(…)
Bakon aldus [naam 1] nodig, dan overhalen, anders met unidossen werken
Koekjesmachine van [naam 2] overhalen en bruikleen contractje met [naam 2] maken
2 werkbanken naar Oldebroek Pas maken in de ruimte (advies [naam 1] i.o.m. [naam 3] )
1 Koelwerkbank naar Oldebroek Pas maken in de ruimte (advies [naam 1] i.o.m. [naam 3] )
Slagroompompjes die goed zijn omruilen met kapotte in Oldebroek ( [bedrijf] gebruikt blaze voor diierlijke slagroom, Plantaardige met pompjes?)
Donderdag 19 Maart moeten de spullen over, klaarzetten naar wens, vrijdag alles in gereedheid brengen en in dat weekend (en deze week) voorbereiden voor AUDIT van maandag 23 Maart.
(…)
Dinsdag 24 Maart eerste echte draaidag in Oldebroek
(…)
@ [naam 4] Kan personeel de maand Maart door onder bestaande contracten en vanaf 1 April onder onze BV?
(…)”
Diezelfde dag heeft [directeur] – voor zover relevant – per e-mail het volgende aan [bedrijf] geschreven:
“De aangegeven inventaris is nodig om de productie te kunnen draaien, daarnaast is zoals aangegeven aankomende week nog een volle week productie.
Aangegeven timing is niet haalbaar. En productie draaien zonder aangegeven machines/inventaris ook niet. Nog even los van de vries capaciteit.”
Op 19 maart 2026 heeft [directeur] voor diverse verpakkingsmaterialen een tweetal facturen aan [bedrijf] gestuurd ter hoogte van € 13.605,78 respectievelijk
€ 2.455,77.
Op 23 maart 2026 heeft [directeur] een factuur gestuurd aan [bedrijf] ter hoogte van € 7.367,33 voor diverse ingrediënten. In de begeleidende e-mail staat onder meer:
“Hierbij de factuur voor de ingrediënten die jullie overnemen tbv de productie die jullie gaan draaien.”
Op 26 maart 2026 heeft [directeur] een factuur gestuurd aan [bedrijf] voor de overgenomen inventaris ter hoogte van € 20.832,81. Volgens de omschrijving gaat het om een vaatwasmachine, werkbanken, een kapseltrekker, vormen, ovenwagens en een magazijninrichting.
Op 13 april 2026 heeft [directeur] de volgende e-mail gestuurd:
“Eenieder van jullie heeft in de afgelopen periode een contract aangeboden gekregen vanuit [bedrijf] . Na de nodige aanpassingen ligt er voor iedereen een goed voorstel om de voortzetting van de productie van BBP onder de naam van [bedrijf] een eerlijke kans te geven.
Via deze weg wil ik jullie informeren over de beëindiging van Best Bakery Products B.V. Op 31 maart heb ik faillissement aangevraagd bij de rechtbank voor de BV, Best Bakery Products. Dit omdat de huur van de locatie van de zagerij 3 geëindigd is en inmiddels alle activiteiten verhuisd zijn naar Oldebroek. (…)”
Op 21 april 2026 is BBP failliet verklaard.
[eiser] heeft vanaf april 2026 geen loon meer ontvangen.
[eiser] heeft een faillissementsuitkering aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft deze aanvraag bij brief van 25 mei 2026 afgewezen, omdat volgens haar sprake is van een overgang van onderneming naar [bedrijf] per 1 april 2026.
Op 20 mei 2026 heeft de curator een faillissementsverslag uitgebracht. In dit verslag staat – voor zover relevant – het volgende:
“Toelichting bestede uren
Op het moment van faillietverklaring had de gefailleerde vennootschap haar productie reeds gestaakt. Kort vóór de aangifte tot faillietverklaring zijn activa en activiteiten verkocht aan en overgeheveld naar [bedrijf] te [vestigingsplaats] , welke transactie de curator nader zal onderzoeken. Diverse personeelsleden, op enkele zieke werknemers na, zijn nieuwe arbeidsovereenkomsten aangeboden door [bedrijf] (…)
(…)
Toelichting bedrijfsmiddelen
Op het moment van faillietverklaring waren vele activa bestanddelen niet meer aanwezig, aangezien deze volgens opgave van de directie waren verkocht en overgedragen aan [bedrijf] . De nog beperkte bedrijfsmiddelen heeft de curator daarom te koop aangeboden in een door Troostwijk georganiseerde veiling, mede met het oog op de op de curator rustende ontruimingsverplichting. Het betrof onbeperkte inventarisgoederen behorende tot de bakkerijproductie.”
Bij brief van 28 mei 2026 heeft [eiser] [bedrijf] verzocht om over te gaan tot betaling van zijn loon. [bedrijf] heeft in haar reactie de loonvordering betwist.
Per e-mail van 27 juli 2026 waarvan onder meer [eiser] van de curator een afschrift heeft ontvangen, heeft de curator – voor zover relevant – het volgende aan [bedrijf] geschreven:
“Het is mij niet bekend op grond waarvan UWV tot haar conclusie is gekomen en op welke wijze het UWV haar onderzoek heeft verricht. In het kader van mijn onderzoek heb ik het volgende voorshands geconstateerd.
(…)
Vorenbedoelde overname is tot stand gekomen na diverse gesprekken die daarover zijn gevoerd tussen u, de heer [directeur] , de heer [naam 5] en de heer [naam 4] .
(…)
De identiteit van de banketactiviteiten is na de overgang op [bedrijf] behouden gebleven. Die identiteit volgt uit de aard van de overgedragen activiteiten en hetgeen daarmee wordt geproduceerd. Het was en is nog steeds de banketproductie ten behoeve van hetzelfde assortiment van [bedrijf] . Dat die producten nu op een ander adres worden gemaakt, is irrelevant.
(…)
Kortom, aangenomen moet worden dat de identiteit van de (het) overgedragen (onderdeel van de) onderneming van BBP behouden is gebleven.(…)”
3. Het geschil
In deze procedure vordert [eiser] , zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om [bedrijf] te veroordelen om binnen drie dagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] te betalen:
€ 2.603,32 netto aan achterstallig loon over april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 mei 2026,
€ 2.603,32 netto aan achterstallig loon over mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 juni 2026,
€ 2.603,32 netto aan achterstallig loon over juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 juli 2026,
€ 3.889,73 bruto aan achterstallig vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 juni 2026,
wettelijke verhoging over alle onder a tot en met d genoemde bedragen,
€ 875,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van dit vonnis,
€ 3.370,00 bruto per maand vanaf juli 2026, zijnde het loon dat volgt uit de salarisstrook, voor iedere maand dat de arbeidsovereenkomst bestaat en niet rechtsgeldig is geëindigd.
Tot slot vordert [eiser] een vergoeding voor proceskosten.
[bedrijf] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Toetsingskader kort geding
[eiser] vordert in deze procedure betaling van onder meer achterstallig loon. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Niet alleen zal onderzocht moeten worden of het bestaan van een vordering van [eiser] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet mede acht worden geslagen op het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Volgens de kantonrechter heeft [eiser] een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Vast staat immers dat hij geen loon, noch een uitkering, heeft ontvangen vanaf april 2026, terwijl hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van (tijdige) betaling daarvan. Daarmee is het spoedeisende belang gegeven.
Overgang van onderneming
De kernvraag in deze procedure is of er sprake is van een overgang van onderneming als gevolg waarvan [bedrijf] is gehouden om het loon van [eiser] te betalen. Uit artikel 7:663 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat door een overgang van onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem een daar werkzame werknemer, van rechtswege overgaan op de verkrijger.
Uit het bepaalde in artikel 7:662 BW volgt dat sprake is van een overgang van onderneming bij een overgang van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Bij de vraag naar identiteitsbehoud is van belang of de functionele band die de onderling samenhangende factoren verenigt, behouden blijft. De volgende omstandigheden, die kenmerkend zijn voor de overgang, zijn voor de beoordeling mede van belang:
i) de aard van de betrokken onderneming,
ii) of materiële activa worden overgedragen,
iii) de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van overdracht,
iv) of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen,
v) of de klantenkring wordt overgedragen,
vi) de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen, en
vii) de duur van de eventuele onderbreking van die activiteiten.
Volgens [eiser] is met de overdracht van de activiteiten van BBP naar [bedrijf] sprake van een overgang van een economische eenheid welke haar identiteit heeft behouden. Er waren volgens [eiser] zo’n 20 tot 25 werknemers werkzaam bij BBP, waarvan nagenoeg iedereen in dienst is getreden bij [bedrijf] , op twee arbeidsongeschikte werknemers (waaronder [eiser] ) na. Ook heeft [bedrijf] volgens [eiser] nagenoeg de gehele inventaris van BBP gekocht en zijn de bedrijfsactiviteiten van BBP door [bedrijf] zonder noemenswaardige onderbreking voortgezet. Ook zijn de afnemers van de onderneming volgens [eiser] gelijk gebleven. Voor bepaalde afnemers was een certificering vereist, waarop [bedrijf] blijkens de correspondentie met BBP ook heeft ingezet. Dat er sprake is van een overgang van onderneming volgt volgens [eiser] ook uit het standpunt van het UWV en uit de e-mail van de curator.
Volgens [bedrijf] heeft zij in 2025 een deel van haar productie uitbesteed aan BBP. Vervolgens heeft zij naar aanleiding van aanhoudende klachten over de kwaliteit van de door BBP geleverde producten de uitbestede productie weer in eigen hand genomen en in haar eigen onderneming geïntegreerd. [bedrijf] heeft naar eigen zeggen slechts een klein deel van de inventaris van BBP overgenomen, waarbij het niet ging om essentiële bakgoederen. De overname van die goederen was volgens [bedrijf] slechts een geste richting BBP, omdat [bedrijf] zelf voldoende productiemiddelen tot haar beschikking had. De belangrijkste inventaris, zoals ovens, kneedmachines en rijskasten is niet overgenomen.
Ten aanzien van de vraag of werknemers zijn overgenomen, voert [bedrijf] aan dat werknemers van BBP zich zelf hebben gemeld bij [bedrijf] en dat daarover geen afspraken zijn gemaakt met BBP. De werknemers die zich bij [bedrijf] hebben gemeld, hebben gesolliciteerd op openstaande vacatures en vervolgens is aan hen door Veluwse Patisserie B.V. (hierna: Veluwse Patisserie), een zustervennootschap van [bedrijf] , een aanbod gedaan voor indiensttreding. De betreffende (13) werknemers zijn vervolgens bij Veluwse Patisserie in dienst getreden en zijn breed in de onderneming ingezet. Volgens [bedrijf] kan zij met de overgenomen werknemers en inventaris geen bakkerij runnen. Tot slot is de certificering waaraan [eiser] refereert, volgens [bedrijf] door leveranciers vereist.
De kantonrechter overweegt dat reeds voordat BBP stopte met haar bedrijfsactiviteiten een overlap met de werkzaamheden van [bedrijf] bestond. Uit de correspondentie tussen BBP en [bedrijf] volgt verder dat partijen steeds hebben beoogd het productieproces van het banketbakkerswerk, als kenmerkende ondernemingsactiviteit van BBP, voort te zetten zonder noemenswaardige onderbreking. Hiertoe is door partijen overleg gevoerd over welke inventaris zou worden overgenomen, wanneer de audit voor de benodigde certificering zou plaatsvinden en wanneer de ‘eerste echte draaidag’ bij [bedrijf] zou zijn. [bedrijf] heeft niet betwist dat de activiteiten voor en na de voortzetting door [bedrijf] identiek aan elkaar zijn. Daarnaast is door [eiser] onbetwist gesteld dat [bedrijf] de immateriële activa en klantenkring van BBP heeft overgenomen. Dat de betreffende certificering (ook) verplicht zou zijn gesteld door de leveranciers van [bedrijf] zelf, doet daar niet aan af.
Dat [bedrijf] met enkel de overgenomen inventaris het productieproces niet kon voortzetten, acht de kantonrechter gelet op de overige omstandigheden niet van wezenlijk belang. Uit de e-mail van [bedrijf] blijkt namelijk dat door partijen zorgvuldig is bezien welke zaken noodzakelijk waren voor de voortzetting van het productieproces van BBP en over welke zaken [bedrijf] in dat verband zelf reeds beschikte en daarom overname daarvan onnodig achtte. Dat betekent dat [bedrijf] volgens de kantonrechter de voor de voortzetting van de onderneming van belang zijnde inventaris heeft overgenomen.
Ten aanzien van de vraag of het personeel door [bedrijf] is overgenomen wordt voorop gesteld dat de Richtlijn overgang van ondernemingen, waarvan boek 7, titel 10, afdeling 8 BW een implementatie vormt, de rechten van werknemers beoogt te waarborgen en veilig te stellen. Daarbij past niet dat een verkrijgende onderneming de doelstelling van de richtlijn succesvol zou kunnen omzeilen door het werkgeverschap van werknemers van de vervreemdende onderneming juridisch gezien te verschuiven naar een aan haar gelieerde vennootschap. Daarom zal, gelet op het feit dat [bedrijf] en Veluwse Patisserie zustervennootschappen zijn, voor de vraag of er werknemers zijn overgenomen door [bedrijf] mede worden bezien of er werknemers in dienst zijn getreden bij Veluwse Patisserie.
Volgens [eiser] heeft [bedrijf] nagenoeg alle van de 20 tot 25 werknemers overgenomen. Volgens [bedrijf] zijn dat er slechts 13. Tussen partijen staat hiermee vast dat [bedrijf] in ieder geval 13 werknemers heeft overgenomen. Dat is, uitgaande van het hoogst genoemde aantal werknemers, meer dan de helft van de werknemers van BBP. Het betoog van [bedrijf] dat de betreffende werknemers zich zelf zouden hebben gemeld en daartoe geen overleg heeft plaatsgevonden met BBP, maakt het voorgaande niet anders. Van belang is namelijk in dit verband alleen of deze werknemers door [bedrijf] zijn overgenomen. Bovendien heeft [bedrijf] dit betoog, in het licht van de beschikbare stukken, onvoldoende onderbouwd. Uit de e-mail van [bedrijf] van 15 maart 2026 volgt immers dat aan de adviseur de vraag wordt gesteld of de werknemers vanaf april kunnen werken onder ‘onze BV’ en in de e-mail van 13 april 2026 heeft [directeur] geschreven dat werknemers een arbeidsovereenkomst aangeboden hebben gekregen vanuit [bedrijf] . Evenmin wordt beslissende waarde gehecht aan de omstandigheid dat de overgenomen werknemers (ook) breder zijn ingezet bij [bedrijf] , nu dit op zichzelf niets zegt over de gevolgen daarvan voor de instandhouding van de ondernemingsactiviteiten van BBP.
Gelet op het feit dat [bedrijf] , ten minste 13 werknemers heeft overgenomen, in samenhang bezien met hetgeen is overwogen in punt 4.7. tot en met 4.9, luidt de conclusie dat het voldoende aannemelijk is dat de onderneming van BBP haar identiteit heeft behouden na overgang naar [bedrijf] en dat er derhalve sprake is van een overgang van onderneming.
Achterstallig loon
Omdat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een overgang van onderneming, is [bedrijf] gehouden om het loon van [eiser] te betalen (artikel 7:663 BW). [bedrijf] wordt niet gevolgd in haar stelling dat [eiser] de verkeerde vennootschap heeft gedagvaard, omdat [eiser] bij overgang van onderneming in dienst zou zijn getreden bij Veluwe Patisserie. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het [bedrijf] die de onderneming van BBP heeft voortgezet en in het verlengde daarvan is zij gehouden om het loon van [eiser] te betalen. Dat zij ervoor heeft gekozen om het werkgeverschap onder te brengen bij Veluwse Patisserie, doet aan het feit dat [bedrijf] de verkrijgende onderneming is op wie de verplichting rust om dezelfde arbeidsvoorwaarden te garanderen, niet af.
[bedrijf] heeft de hoogte van de vordering niet betwist. Dat betekent dat [bedrijf] zal worden veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon en vakantiegeld zoals is gevorderd door [eiser] , te vermeerderen met wettelijke rente zoals is vermeld in de beslissing.
Toekomstig loon
[eiser] vordert verder om [bedrijf] te veroordelen om aan hem
€ 3.370,00 bruto per maand te betalen voor iedere maand dat de arbeidsovereenkomst bestaat en niet rechtsgeldig is geëindigd. [bedrijf] heeft de hoogte van deze vordering niet betwist, zodat ook deze vordering zal worden toegewezen.
Wettelijke verhoging
[eiser] maakt aanspraak op een wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon (artikel 7:625 BW). Vast staat dat het loon over de maanden april, mei en juni 2026 en het vakantiegeld niet (op tijd) aan [eiser] is betaald. De reden van het uitblijven van deze betaling is gelegen in de discussie tussen partijen of er al dan niet sprake was van een overgang van onderneming. De wettelijke verhoging zal gelet hierop worden beperkt tot 25%, hetgeen met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt.
Buitengerechtelijke kosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 875,00. [bedrijf] heeft niet betwist dat buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met dit besluit en zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
[bedrijf] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,51
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.429,51
5. De beslissing
De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
veroordeelt [bedrijf] om binnen drie dagen na vandaag aan [eiser] te betalen:
een bedrag van € 2.603,32 netto over de maand april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2026, tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 2.603,32 netto over de maand mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 1 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 2.603,32 netto over de maand juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 1 juli 2026, tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 3.889,73 bruto aan vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 1 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [bedrijf] om binnen drie dagen na vandaag aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging van 25% over de in 5.1. genoemde bedragen,
veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen € 3.370,00 bruto per maand vanaf juli 2026, voor iedere maand dat de arbeidsovereenkomst bestaat en niet rechtsgeldig is geëindigd,
veroordeelt [bedrijf] om binnen drie dagen na vandaag aan [eiser] te betalen een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.429,51, te vermeerderen met de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.
SG