RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5898
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. S. Oord)
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een legaliserende omgevingsvergunning voor een veranda. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat met de veranda de totaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel wordt overschreden en dat het college terecht geen gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Het college heeft vervolgens echter verzuimd om inzichtelijk te maken waarom hij niet bereid is om met toepassing van de ‘kruimelgevallenregeling’ (of in tweede instantie de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure) afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Het beroep is daarom gegrond en eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Daarna gaat de rechtbank in op het wettelijke kader en de beoordeling van de beroepsgronden die door eiser zijn aangedragen. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een legaliserende omgevingsvergunning voor het bouwen van een veranda. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 november 2023 afgewezen, nadat het eerst al het voornemen daartoe aan eiser had bekendgemaakt. Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat eisers vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning hebben ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft zonder vergunning aan zijn (bedrijfs)woning een veranda gebouwd van 56 m2. Ter legalisering van deze aanbouw heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit ‘bouwen’. Op het perceel staan verder een bedrijfsgebouw, en een garage.
Het college heeft de vergunning geweigerd, omdat met de veranda de maximale oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel (70 m2) wordt overschreden. Daarmee is sprake van strijd met het bestemmingsplan en is dus ook een vergunning voor de activiteit ‘gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ noodzakelijk. Het college ziet geen kans om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 9.3.9. van de planregels afwijking van het bestemmingsplan toe te staan, omdat eiser de daarvoor noodzakelijke sloopmeters niet heeft aangeboden.
In de beslissing op bezwaar van 16 juli 2024 is het college, in navolging van het advies en de motivering van de commissie bezwaarschriften, bij de weigering van de vergunning gebleven.
Eiser is het hier niet mee eens en is in beroep gekomen tegen dit besluit.
Wat is het planologische kader?
5. De woning staat op het perceel [adres] in [woonplaats] . Hiervoor geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’. Het perceel van eiser is bestemd als ‘Bedrijf – Niet Agrarisch’. Voor het zuidelijk deel van het bestemmingsvlak geldt de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – bebouwing’, wat betekent dat bebouwing op dat deel van het perceel niet is toegestaan. In artikel 9.1 van de planregels is bepaald dat de als ‘Bedrijf – Niet Agrarisch’ bestemde gronden bedoeld zijn voor bedrijven en voor daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen afschermende en andere groenvoorzieningen, parkeerplaatsen en tuinen.
Voor sommige adressen is de bestemming nader gespecificeerd. Zo geldt voor het perceel van eiser dat dat bestemd is voor een smederij, constructiewerkplaats of metaalbewerkingsbedrijf, dat er één bedrijfswoning is toegestaan en dat de maximale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen (exclusief bedrijfswoningen en bijgebouwen) 655 m2 bedraagt.
Artikel 9.2.2 van de planregels luidt – voor zover relevant – als volgt:
“ Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 9.2.1, gelden de volgende regels:
(…)
een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd, indien vaststaat dat binnen hetzelfde bestemmingsvlak ten minste één ander gebouw ten behoeve van het betreffende bedrijf wordt of is gebouwd;
(…)
de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde bedrijfswoning behorende bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 70 m², of indien de bestaande oppervlakte meer bedraagt dan 70 m², en minder dan 150 m² niet meer dan de bestaande oppervlakte, met dien verstande dat een overkapping over een zwembad met een maximale oppervlakte van 60 m² niet meetelt in de maximaal toegestane oppervlakte.”
Artikel 9.3.9 van de planregels luidt als volgt:
“Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.2 onder k voor wat betreft de maximale oppervlakte aan bijgebouwen tussen de 70 m² en 150 m² en kan worden toestaan dat een grotere oppervlakte aan bestaande en/of nieuwe bijgebouwen wordt gebouwd, mits:
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit en mits de architectonische en/of cultuurhistorische waarden van de bebouwing niet in onevenredige mate worden geschaad;
de maximale gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 150 m²;
sprake is van vermindering (door sloop) van bestaande gebouwen die behoren bij de betreffende woning waarbij geldt dat voor iedere 1 m² nieuwbouw er 2 m² sloop moet plaatsvinden, met dien verstande dat: (…)”
Wat betoogt eiser?
6. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij betoogt dat de veranda onder de regeling van vergunningvrij bouwen valt, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Daarnaast betoogt eiser dat de veranda niet in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan, omdat het maximum oppervlak aan bijgebouwen zoals bepaald in artikel 9.2.2., onder k, van de planregels (zie onder 5.1) niet wordt overschreden. Niet in de situatie dat het huidige bedrijfsgebouw als hoofdgebouw wordt aangemerkt dan wel niet omdat sprake is van twee hoofdgebouwen op een ambtshalve vergroot bestemmingsvlak. Dit zou betekenen dat de noodzaak van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ontbreekt.
Is de veranda vergunningvrij?
7. Eiser betoogt dat de veranda vergunningvrij is gebouwd. Het college heeft de woning eerder als hoofdgebouw aangemerkt. De veranda is een bijbehorend bouwwerk bij de woning. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een e-mail van een ambtenaar van de gemeente van 25 juli 2022, een e-mail van dezelfde ambtenaar van 7 november 2022 en een brief van de gemeente van 29 juli 2011.
Het college stelt zich op het standpunt dat het de aanvraag om de omgevingsvergunning heeft moeten toetsen aan het bestemmingsplan dat op het moment van de aanvraag van kracht was. Dat is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’, vastgesteld op 30 mei 2022. Het college heeft die toets uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat een omgevingsvergunning niet kon worden verleend. De gemachtigde van het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de veranda vanwege de hoogte niet voldoet aan de criteria voor een vergunningvrij bijbehorend bouwwerk.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij betoogt dat de veranda onder de regeling van vergunningvrij bouwen valt, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor.
De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De gemachtigde van het college heeft zijn stelling op de zitting dat de veranda vanwege de hoogte niet voldoet aan de criteria voor een vergunningvrij bouwwerk als volgt toegelicht. De veranda is tot meer dan vier meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw gebouwd. De diepte van de veranda is drieënhalf tot vier meter, maar de veranda is gebouwd aan de aanbouw van tweeëneenhalve meter. Dus is de veranda tot zes of zeven meter vanaf het hoofdgebouw gebouwd. Dat betekent dat moet worden getoetst aan de overige voorwaarden in artikel 2, aanhef en derde lid, onder b van bijlage II van het Bor. Een daarvan is dat de veranda niet hoger dan drie meter mag zijn. De veranda is vanwege de glaskoepels hoger dan drie meter. Eiser heeft onvoldoende tegenover dit standpunt van het college gezet. Eiser heeft op de zitting weliswaar nog gesteld dat de veranda, die inclusief lichtkoepels inderdaad te hoog is, bij oprichting, in eerste instantie zonder koepels, binnen de maximale hoogte van drie meter bleef. Maar hij heeft die stelling niet met bijvoorbeeld concrete stukken, data of op een andere manier nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bouwwerk niet omgevingsvergunningvrij is op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor.
Is de aangebouwde veranda in strijd met het bestemmingsplan?
8. Eiser betoogt dat de veranda binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan is gerealiseerd. Daartoe voert eiser aan dat wanneer, in navolging van de stelling van het college, het bedrijfsgebouw als oorspronkelijk hoofdgebouw moet worden aangemerkt, de garage het bijbehorende bouwwerk is. Daarnaast staat er een bedrijfswoning op het perceel. Daarbij mag 70 m2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd. Omdat de garage niet meetelt, kan de aangebouwde veranda met een feitelijke oppervlakte van 56 m2 planologisch worden toegestaan. Dat de bedrijfswoning eerder vergunningvrij is uitgebouwd op het achtererf, doet daar volgens eiser niets aan af. Eiser wijst er daarnaast op dat de gemeenteraad ambtshalve het bestemmingsvlak / bouwvlak heeft vergroot met bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’, zodat alle gebouwen binnen dit vlak vallen. Eiser ziet ook daarin een aanwijzing dat de veranda vergunningvrij is gebouwd.
Het college stelt zich op het standpunt dat de garage niet als bijgebouw aan het bedrijfsgebouw kan worden toegerekend, omdat het niet voldoet aan de bestemmingsomschrijving. In artikel 9.1, onder a, van de planregels is namelijk bepaald dat de als ‘Bedrijf – Niet Agrarisch’ bestemde gronden zijn bestemd voor bedrijven, in het geval van eiser specifiek smederij/constructiewerkplaats/metaalbewerking met een maximale oppervlakte van 655 m2, exclusief bedrijfswoningen en bijgebouwen. De oppervlakte van het huidige bedrijfsgebouw komt hiermee overeen. Rest voor het college geen andere optie dan de garage te beschouwen als bijgebouw bij de bedrijfswoning. Met een garage van 57 m2 en een veranda van 56 m2 overschrijdt eiser dan de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen van 70 m2 die op grond van artikel 9.2.2, aanhef en onder k, van de planregels is toegestaan.
De beroepsgrond slaagt niet. De maximale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen (exclusief bedrijfswoningen en bijgebouwen) bedraagt 655 m2. Tussen partijen is niet in geschil dat de oppervlakte van het bedrijfsgebouw 655 m2 bedraagt, zodat moet worden aangenomen dat de woning als bedrijfswoning kwalificeert en de garage (57 m2) als bijgebouw daarbij. Met de veranda (56 m2) komt de totale oppervlakte aan bijgebouwen op 113 m2. Dat is 43 m2 meer dan maximaal is toegestaan op grond van artikel 9.2.2, aanhef en onder k, van de planregels. Voor zover eiser betoogt dat de eerdere vergunningvrije aanbouw aan de woning niet moet worden meegenomen bij de vaststelling van de totale oppervlakte aan bijgebouwen, oordeelt de rechtbank dat dit niet relevant is. De overschrijding wordt volgens het college veroorzaakt door de oppervlakten van de garage en de veranda bij elkaar op te tellen. Omdat het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan heeft het college zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwwerk niet omgevingsvergunningvrij is op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Bor, en dat voor het bouwwerk dus een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo is vereist voor de veranda.
Heeft het college de omgevingsvergunning terecht geweigerd?
9. Eiser ziet geen noodzaak voor het aanbieden van sloopmeters in ruil voor de veranda en stelt dat het college de vergunning onterecht heeft geweigerd.
Er bestaat een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 9.3.9 van het bestemmingsplan, mits sprake is van vermindering (door sloop) van bestaande gebouwen die behoren bij de betreffende woning waarbij geldt dat voor iedere 1 m² nieuwbouw er 2 m² sloop moet plaatsvinden. Omdat eiser geen sloopmeters heeft aangeboden, stelt het college terecht dat niet wordt voldaan aan de toepassingsregel voor deze binnenplanse afwijking.
Dat roept vervolgens de vraag op of er buitenplans een mogelijkheid bestaat om van het bestemmingsplan af te wijken.
Het college is op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2° van de Wabo in samenhang met artikel 4 van bijlage II van het Bor bevoegd om van het bestemmingsplan af te wijken. Dit artikel geeft het college namelijk de mogelijkheid om mee te werken aan een aanvraag wanneer het bouwplan een in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) aangewezen geval betreft en de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat voor de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2° van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken – voor zover relevant – in aanmerking komt:
een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
de oppervlakte niet meer dan 150 m2; (…).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college verzuimd om inzichtelijk te maken waarom hij niet bereid is om met toepassing van de hiervoor bedoelde ‘kruimelgevallenregeling’ (of in tweede instantie de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure) afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. In de stukken is niet gemotiveerd waarom het in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening als de veranda zou blijven staan. Zowel in het primaire besluit als in de beslissing op bezwaar (waar het advies van de commissie ook onderdeel van uitmaakt), wordt hier geen aandacht aan besteed. Daarmee kent het besluit een motiveringsgebrek. Dit gebrek is niet op een later moment hersteld. Ook wat op zitting is besproken leent zich niet voor interpretatie als zodanig. Het betoog van eiser slaagt dus.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van eiser is gegrond, omdat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De reden daarvoor is dat verschillende uitkomsten mogelijk zijn en (door de in ieder geval in theorie bestaande mogelijkheid van toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure) onduidelijk is hoeveel tijd het college daarvoor nodig heeft. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar van 16 juli 2024. Dat betekent dat het bezwaar van eiser in feite weer ter beoordeling voorligt. Het college moet daarom met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert punten op voor de verschillende proceshandelingen: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting Dat betekent dat de proceskostenvergoeding in totaal € 1.868,- bedraagt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing op bezwaar van 16 juli 2024;
bepaalt dat het college opnieuw op het bezwaar van eiser moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.