ECLI:NL:RBGEL:2026:6672

ECLI:NL:RBGEL:2026:6672

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 12257604
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

artikel 7:230a BW, artikel 7:228 BW

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 12257604 \ VV EXPL 26-77

Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde:mr. N.W. Sprenger-Andela,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 juni 2026 met producties 1 tot en met 18;- de producties 19 en 20 van [eiser] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 13 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Vanaf 1 juli 2016 huurt [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) loods 01 aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde) van [eiser] . De huurovereenkomst is door [gedaagde] in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf] ondertekend. In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Huurovereenkomst opslagruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (…)

Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als opslag en overslag ruimte, en reparatie van eigen voertuigen.

Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.2

(…)

Duur, verlenging en opzegging

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar, ingaande op 1 juli 2016 en lopende tot en met 30 juni 2017.

Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode kan deze overeenkomst voortgezet voor een tijd die partijen overeenkomen.

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste drie maanden.

(…)

De uit hoofde van deze huurovereenkomst door huurder aan verhuurder te verrichten periodieke betalingen als weergegeven in 4.8 zijn in één bedrag bij vooruitbetaling verschuldigd (…) en moeten vóór of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking hebben volledig zijn voldaan.”

Per 9 oktober 2025 is [bedrijf] uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel (hierna: KvK).

Op 4 november 2025 vindt er een overleg plaats tussen onder meer [eiser] en [gedaagde] . Van dat overleg is door [eiser] een gesprekverslag gemaakt. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Op dit moment zitten we in een bijzondere situatie. Door de opheffing van [bedrijf] , is er in feite geen huurovereenkomst meer. Wel is de huur tot en met 31 december 2025 vooruitbetaald. Je hebt aangegeven dat je een nieuwe BV gaat oprichten en hebt gevraagd of deze BV dan de bedrijfsruimte kan gaan huren. Daar staan wij op zich positief tegenover. Zolang de nieuwe BV nog niet bestaat en dus nog geen huurder is, staat de huurovereenkomst op jou als privépersoon. Je bent dus persoonlijk aansprakelijk voor naleving van de huurovereenkomst.

Wel willen wij voor de goede orde aangeven dat bij de nieuw inschrijving van KvK alleen jij als bestuurder en aandeelhouder vermeld moet/mag staan. De inschrijving moet wel binnen de categorie/bestemming van ons bedrijventerrein passen. En pas dan kunnen wij een beslissing nemen in deze.

Voor het opstellen, ontvangen wij graag voor 31 december 2025 de KvK inschrijving en kopie geldig paspoort. Anders zijn wij genoodzaakt om het huurcontract te beëindigen omdat er dan sprake is van particuliere verhuur en dat is op de langere termijn niet wenselijk.”

[gedaagde] geeft bij e-mailbericht van 10 november 2025 aan akkoord te gaan met het voormelde gesprekverslag en de daarin opgenomen afspraken.

Bij aangetekende brief van 31 december 2025 heeft [eiser] de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd en is de ontruiming aangezegd tegen 31 maart 2026. Op diezelfde dag stuurt [gedaagde] een tweetal notariële conceptaktes van oprichting naar [eiser] .

In reactie op de conceptaktes stuurt [eiser] op 1 januari 2026 een e-mailbericht naar [gedaagde] , waarin [eiser] – kort gezegd – schrijft dat de opzegging van kracht blijft en dat [gedaagde] tot 30 januari 2026 de tijd krijgt om een kopie van de KvK inschrijving over te leggen, waarbij de inschrijving moet passen binnen de categorie/bestemming van het bedrijventerrein.

Op 2 maart 2026 stuurt [eiser] een e-mailbericht naar [gedaagde] met daarin onder meer het volgende:

“Het opstellen van een huurcontract op de holding is voor ons te risicovol. Op de beide “werk b.v.” met daarin genoemde sbi-codes van KvK zou maar 1 code tot de optie kunnen behoren die binnen het huidige bestemmingsplan valt (…) De manier hoe het nu gebruikt wordt is al in strijd met het bestemmingsplan (…) Omdat dit zo risicovol voor ons is en gezien hoe het pand de afgelopen jaren door jullie gebruikt is, bieden wij geen mogelijkheid meer tot het huren van deze ruimte, en stellen daarom geen nieuw huurcontract op.

We gaan ervan uit dat op gepaste wijze het gehuurde op 31 maart 2026 leeg en schoon (olieplekken) en gereinigd wordt opgeleverd.”

De gemachtigde van [eiser] stuurt op 1 juni 2026 een sommatiebrief naar [gedaagde] , waarin [gedaagde] verzocht wordt het gehuurde voor 15 juni 2026 te ontruimen en de gebruiksvergoeding te voldoen.

[gedaagde] laat voor de maanden april, juni, juli en augustus 2026 de door [eiser] gestuurde facturen voor de gebruiksvergoeding onbetaald.

3. Het geschil

[eiser] vordert, nadat hij bij de mondelinge behandeling zijn vordering heeft vermeerderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

I. om binnen acht dagen na betekening van het vonnis het gehuurde met alle personen en goederen te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00;

II. tot betaling van de verschuldigde gebruikersvergoeding van € 931,63 per maand over de maanden april, juni, juli en augustus 2026 en de nog te verschijnen maanden tot de dag van de ontruiming van het gehuurde;

III. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 807,40;

IV. tot betaling van de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, alsmede de nakosten.

[eiser] baseert zijn vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, zakelijk weergegeven, op de volgende stellingen.

Tussen [eiser] en [bedrijf] is een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot een 7:230a BW bedrijfsruimte. [eiser] mag de huurovereenkomst opzeggen met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn. Omdat de huurovereenkomst tijdig is opgezegd, dient [gedaagde] het gehuurde te ontruimen. Dit heeft hij nagelaten. Hierdoor gebruikt hij zonder recht en titel het gehuurde. Voorts heeft [gedaagde] de gebruikersvergoeding voor de maanden april, juni, juli en augustus 2026 tot op heden onbetaald gelaten. Voorts maakt [eiser] aanspraak op de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

[gedaagde] erkent dat de gebruiksvergoeding voor de maanden mei, juni, juli en augustus 2026 onbetaald zijn gebleven. [gedaagde] heeft de vorderingen voor het overige gemotiveerd betwist. Op dit verweer wordt hierna – voor zover van belang voor onderhavige zaak – ingegaan.

4. De beoordeling

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van [eiser] . Daarbij heeft verder te gelden dat de vordering tot ontruiming van het gehuurde naar zijn aard een spoedeisend karakter draagt. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.

Toetsingskader

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Daarbij geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor (nadere) bewijslevering.

Voor geldvorderingen geldt dat deze in een kort geding procedure alleen toewijsbaar zijn als het bestaan en de omvang van zo’n vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

Is de huurovereenkomst rechtsgeldig beëindigd

De kantonrechter stelt allereerst voorop dat tussen partijen niet is geschil is dat [eiser] en [bedrijf] voor het gehuurde een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:230a BW zijn aangegaan. Dit betekent dat de huurrelatie tussen partijen ook wordt behelst door het regime van artikel 7:230a BW. Uit de tussen [eiser] en [bedrijf] gesloten huurovereenkomst en het verhandelde ter mondelinge behandeling leidt de kantonrechter, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:230 BW, voorshands af dat er tussen partijen sprake was van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. In het tweede lid van artikel 7:228 BW staat vervolgens dat de huurovereenkomst, die voor onbepaalde tijd is verlengd, eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op een onroerende zaak die woonruimte noch bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Artikel 7:228 BW is van regelend recht, waarvan bij overeenkomst kan worden afgeweken. In artikel 3.3 van de tussen [eiser] en [bedrijf] gesloten huurovereenkomst, die door [gedaagde] tijdelijk is voortgezet, volgt dat de huur kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie maanden. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij aangetekende brief op 31 december 2025, met inachtneming van de opzegtermijn, heeft opgezegd tegen 31 maart 2026. Dit betekent dat de huurovereenkomst wordt geacht te zijn opgezegd.

Nu [gedaagde] ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 7:230a lid 1 genoemde mogelijkheid om de termijn, waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden, te verlengen, is de huurovereenkomst per 31 maart 2026 geëindigd. Volgens [gedaagde] is dat onredelijk, omdat hij meerdere malen bij [eiser] om de sbi-codes verzocht heeft. Dat laat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter echter onverlet dat [gedaagde] niet binnen voormelde termijn om verlenging van de ontruimingstermijn heeft verzocht. Dat [gedaagde] meerdere malen om de sbi-codes heeft verzocht, doet aan voorgaande niet af. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat aangevoerd noch gebleken is dat [gedaagde] vóór 30 januari 2026 de (juiste) sbi-codes aan [eiser] heeft verstrekt. Dit acht de kantonrechter van belang, omdat [gedaagde] daarmee niet voldaan heeft aan de vereisten voor een nieuwe huurovereenkomst, zoals geformuleerd in het e-mailbericht van 1 januari 2026. Dat [gedaagde] vervolgens in maart 2026 alsnog verzocht heeft om aan te geven welke sbi-codes hij bij de KvK zou moeten registreren doet aan voorgaande niet af en leidt ook niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de kantonrechter ook dat door [eiser] , mede gelet op de tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie (r.ov. 2.3, 2.6 en 2.7) en de daarin opgenomen voorwaarden, geen harde toezegging is gedaan dat de huurovereenkomst bij verstrekking van onder meer de sbi-codes zou worden gesloten met de nieuwe onderneming van [gedaagde] . [eiser] heeft steeds aangegeven dat hij pas een beslissing zou nemen of hij met het nieuwe bedrijf van [gedaagde] een huurovereenkomst zou aangaan, indien [gedaagde] onder meer zijn bedrijf zou inschrijven in de KvK en de werkzaamheden van het bedrijf van [gedaagde] binnen het bestemmingsplan zouden passen. Dat de activiteiten van het bedrijf van [gedaagde] binnen het bestemmingsplan vallen is aangevoerd noch gebleken.

De ontruiming

Op grond van al het vorenstaande en de opzegging van [eiser] op 31 december 2025 wordt, mede gelet op het bepaalde in de huurovereenkomst en de artikelen 7:228 BW en 7:230a BW, voorshands geoordeeld dat de huurovereenkomst is geëindigd. Nu aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst op 31 maart 2026 is geëindigd en [gedaagde] aldus zonder recht of titel gebruik maakt van het gehuurde, heeft [eiser] recht en belang bij ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter acht de door [eiser] gevorderde ontruimingstermijn van acht dagen redelijk. Daarbij betrekt de kantonrechter ook dat [gedaagde] ter mondelinge behandeling heeft verklaard al bezig te zijn met het ontruimen van het gehuurde.

Dwangsom

Gelet op het feit dat [eiser] met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming reeds een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient hij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Dit geldt te meer omdat voorkomen dient te worden dat [eiser] door het uitstellen van de gedwongen ontruiming de dwangsom kan laten oplopen. Nu een dergelijke (gemotiveerde) onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.

Gebruiksvergoeding

De door [eiser] gevorderde gebruiksvergoeding van € 931,63 per maand voor de maanden april, juni, juli en augustus 2026 wijst de kantonrechter, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:225 BW en nu [gedaagde] heeft erkend dat hij de gebruiksvergoeding in die maanden niet heeft voldaan, toe. Voor de gebruiksvergoeding na augustus 2026 is de kantonrechter van oordeel dat, mede gelet op de motivering van [eiser] en de omstandigheid dat hiertegen geen verweer is gevoerd, de nakoming van de gebruiksvergoeding voor na augustus 2026 voorwaardelijk zal worden toegewezen, namelijk voor het geval dat [gedaagde] , voordat hij het gehuurde ontruimd heeft, ook de gebruiksvergoeding na augustus 2026 niet betaalt.

Buitengerechtelijke kosten

[eiser] heeft vergoeding van een bedrag van € 807,40 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Gelet op de tussen partijen gevoerde correspondentie is voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is, gelet op de hoogte van de vordering ten tijde van de dagvaarding, niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat deze tarieven geacht worden redelijk te zijn. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van bedoelde tarieven af te wijken. Op basis van deze tarieven wordt een bedrag van € 489,43 toegewezen

Proceskosten

[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

153,77

- griffierecht

265,00

- salaris gemachtigde

865,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.427,77

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de gebruiksvergoeding van € 931,63 per maand voor de maanden april, juni, juli en augustus 2026 en tot de betaling van de gebruiksvergoeding van € 931,63 per maand na augustus 2026 tot aan de ontruiming, indien en zover hij daarmee nalatig is of blijft;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 489,43 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.427,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

415/53854

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand