RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/307928-25
Datum uitspraak : 7 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 november 2025 te Berg en Dal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten 30 stuks, althans een aantal stuks, knalvuurwerk (Cobra 500), binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander terbeschikking heeft gesteld.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van het tenlastegelegde vuurwerk. Voor de overige in de tenlastelegging opgenomen handelingen die in artikel 1.2.2.
lid 1 van het Vuurwerkbesluit zijn genoemd (binnen het grondgebied van Nederland brengen, opslaan, vervaardigen en ter beschikking stellen) is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte partieel wordt vrijgesproken van het binnen het grondgebied van Nederland brengen, opslaan, vervaardigen en ter beschikking stellen van het vuurwerk. Het in vereniging voorhanden hebben van 30 stuks Cobra 500 kan wettig en overtuigend bewezen worden.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
Handelingen (artikel 1.2.2. lid 1 van het Vuurwerkbesluit).
Verdachte zal worden veroordeeld voor het in vereniging voorhanden hebben van 30 stuks Cobra 500. Het dossier biedt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen, het opslaan, het vervaardigen en het ter beschikking stellen van het vuurwerk. Verdachte zal van deze handelingen partieel worden vrijgesproken.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 14 november 2025 te Berg en Dal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten 30 stuks, althans een aantal stuks, knalvuurwerk (Cobra 500), binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander terbeschikking heeft gesteld.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte de door de officier van justitie geëiste werkstraf van 80 uur wordt opgelegd, met aftrek van de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder die is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor openlijke geweldpleging en voor het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De ernst van het feit
Verdachte heeft een behoorlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk voorhanden gehad. Hij is samen met een vriend vanaf zijn woonplaats naar de andere kant van het land gereden om daar vuurwerk op te halen. De politie heeft 30 stuks Cobra 500 in de auto van zijn vriend gevonden. Dit is zwaar en illegaal vuurwerk dat extreem gevaarzettend is. Wanneer één Cobra ontploft, is er kans op zeer ernstig lichamelijk of zelfs dodelijk letsel. In deze zaak gaat het ook nog eens om zelfgemaakt vuurwerk, wat de risico’s verder vergroot. Daar komt nog bij dat het vuurwerk massa-explosief kan reageren. Dit betekent dat als één stuk in een partij tot ontbranding komt en explodeert, de kans bestaat dat de hele partij mee-explodeert. Als de Cobra’s tot ontploffing waren gekomen, had iedereen in een straal van 50 meter rondom de auto potentieel dodelijk letsel kunnen oplopen. Verdachte heeft al deze risico’s voor lief genomen en daarmee zichzelf en anderen in groot gevaar gebracht.
Ter terechtzitting heeft verdachte naar voren gebracht dat hij ‘wel handel in het vuurwerk zag’. Dit baart extra zorgen gelet op het illegale circuit waarin verdachte dan mogelijk terecht zou komen. Op die manier houdt verdachte bovendien de handel in illegaal vuurwerk in stand en heeft hij ook geen controle meer over wat er met het vuurwerk gebeurt.
Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming
De Raad is positief over verdachte. Hij ontwikkelt zich goed, heeft zijn diploma recentelijk behaald en heeft een realistisch toekomstplan waar hij gemotiveerd voor is. Het algemeen recidiverisico (op basis van het aantal registraties als verdachte) wordt ingeschat op ‘midden’, het dynamisch recidiverisico (op basis van de antwoorden in het onderzoek) wordt ingeschat als heel laag. Er zijn weinig tot geen zorgen over verdachte en (aanvullende) hulp wordt niet nodig geacht. De Raad adviseert om een werkstraf op te leggen.
De straf
Gelet op de ernst van het feit - de zware aard en de hoeveelheid van het vuurwerk dat verdachte voorhanden heeft gehad met alle daaraan verbonden risico’s - is een behoorlijke straf voor verdachte op zijn plaats. Tegelijkertijd heeft de rechtbank oog voor de positieve persoonlijke ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt. Alles afwegende vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend. Zij zal een werkstraf van 80 uur opleggen. Voor verder toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering ziet ook de rechtbank geen noodzaak.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 47, 63 77 a, 77g, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht;
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer;
- 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 80 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.