RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eisers 1] , eisers 1
[eiser 2] , eiser 2
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, college
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 21/3053 en 21/3022
in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. D. Pool)
en
(gemachtigde: mr. S. van Gent)
en
Als derde-partij neemt aan het geding deel: Thomassen Transport B.V. te Spankeren
Procesverloop
In de besluiten van 11 maart 2020 en 19 mei 2020 heeft het college de verzoeken om handhaving van eisers 1 en eiser 2 (van 6 maart 2020 en 16 oktober 2019) afgewezen.
In de beslissingen op bezwaar van 13 april 2021 en 21 april 2021 heeft het college de bezwaren van eisers 1 en eiser 2 tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eisers 1 en eiser 2 hebben tegen de beslissingen op bezwaar beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaken op zitting van 17 januari 2023 gevoegd behandeld. Eisers 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser 2 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden:
M.H.M. van Rijbroek, H.H.J.B. Smink en T.A. Kort. Namens de derde-partij is
J. Thomassen verschenen.
In de tussenuitspraak van 23 maart 2023 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank geconstateerd dat aan de beslissing op bezwaar een gebrek kleeft. De beslissingen op bezwaar zijn daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 11 oktober 2023 twee aanvullende beslissingen op bezwaar genomen waarin de afwijzing van de verzoeken om handhaving in stand zijn gebleven met een aanvullende motivering. Aan de besluiten is de geluidsrapportage van 20 september 2023 van de Omgevingsdienst Regio Arnhem ten grondslag gelegd. In deze geluidsrapportage staat dat er geen geluiden zijn waargenomen die betrekking hebben op laad- en losactiviteiten van de derde-partij.
Eisers hebben in de brieven van 22 december 2023 en 4 januari 2024 gereageerd op de aanvullende beslissingen op bezwaar. Eisers hebben daarbij een rapport ingediend van Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV van 21 december 2023 waarin de door de ODRA uitgevoerde geluidsrapporten zijn beoordeeld.
Het college en de derde-partij zijn in de gelegenheid gesteld om op de reactie van eisers te reageren. Het college heeft in de brieven van 3 april 2024 en 12 april 2024 gereageerd op de reacties van eisers op de aanvullende beslissingen op bezwaar. De derde-partij heeft niet gereageerd.
De rechtbank heeft de zaken opnieuw op zitting behandeld op 27 september 2024. Eisers 1 en eiser 2 zijn verschenen, bijgestaan door mr. S. van Gent. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden: J.M. van Kouwen en mr. C.P.A. Bots. Namens de derde-partij is J. Thomassen verschenen.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank de behandeling van de procedure aangehouden om te onderzoeken of de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in de voorliggende procedures een geluidsonderzoek kan uitvoeren.
Bij brieven van 5 november 2024 is de door de rechtbank opgestelde vraagstelling aan partijen voorgelegd. Eisers 1 hebben in de brief van 11 november 2024 gereageerd op de vraagstelling. Eiser 2 en de ODRA hebben in hum brieven van 19 november 2024 gereageerd.
Bij brief van 10 december 2024 heeft de rechtbank de StAB verzocht om advies uit te brengen in de bovenvermelde procedures.
De StAB heeft vervolgens het “Meetplan geluid meting Thomassen, Spankeren” van 11 april 2025 opgesteld. Het concept-meetplan is beoordeeld door partijen. Daarna is er een definitief meetplan vastgesteld. Op 16 mei 2025 zijn er geluidmetingen uitgevoerd aan de hand van het definitieve meetplan. Deze metingen zijn per abuis niet (juist) opgeslagen. Daarom zijn er op 19 juni 2025 opnieuw geluidmetingen uitgevoerd.
Op 15 oktober 2025 heeft de StAB een conceptadvies voorgelegd aan partijen. Alle partijen hebben daarop gereageerd.
Op 21 november 2025 heeft de StAB haar definitieve advies aan de rechtbank toegestuurd.
Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om op het definitieve advies van de StAB te reageren. Eisers 1 hebben bij brief van 26 januari 2026 gereageerd op het definitieve rapport. Eiser 2 heeft bij brief van 4 maart 2026 gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek per abuis te vroeg gesloten en vervolgens heropend om twee brieven van eisers 1 van 4 juni 2026 en van eiser 2 van 16 juni 2026 alsnog in het onderzoek te betrekken. Aan partijen is hierbij in de brief van 8 juli 2026 medegedeeld dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak wil doen en partijen gevraagd om het aan te geven als zij wel een nadere zitting willen. Partijen hebben niet verzocht om een nadere zitting.
De rechtbank heeft het onderzoek op 14 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het college naar aanleiding van de handhavingsverzoeken van eisers onvoldoende onderzoek heeft verricht om vast te stellen of sprake is van een overtreding van de grenswaarden in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit).
3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak aanleiding gezien om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het de primaire besluiten. In rechtsoverweging 4.3 is aangegeven dat het college, om het gebrek te herstellen, het volgende moet doen:
4. Het college heeft op 11 oktober 2023 aanvullende beslissingen op bezwaar genomen om de geconstateerde gebreken te herstellen. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het herstelbesluit, omdat partijen daarbij voldoende belang hebben.
Wat staat er in het herstelbesluit?
5. Het college heeft in de aanvullende besluiten op bezwaar aangegeven dat naar aanleiding van de tussenuitspraak een geluidsmeting is verricht bij de woningen van eisers. Dit in het kader van de door hen ervaren geluidshinder van het laden en lossen door Thomassen transport B.V. De geluidmetingen zijn opgenomen in de rapporten “Meetrapport onbemande 24 uurs buitenmeting”, beide van 20 september 2023. Volgens het college laten de geluidsmetingen geen overschrijding door Thomassen Transport zien van de grenswaarden genoemd artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Het gaat daarbij om de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar,LT) en het maximaal geluidniveau (LAmax) zoals weergegeven in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Daarom heeft het college de afwijzingen van de handhavingsverzoeken van eisers in stand gelaten onder verbetering van de motivering.
Reactie eisers naar aanleiding van het herstelbesluit
6. Eisers hebben een deskundigenrapport ingediend van 21 december 2023 van Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. In het deskundigenrapport staan de volgende conclusies:
Benoemen StAB als deskundige
7. De rechtbank heeft de zaak op de zitting van 27 september 2024 opnieuw behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van de procedures tijdens de zitting aangehouden en na overleg met partijen het voornemen uitgesproken om te onderzoeken of de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) benoemd kan worden als deskundige.
De rechtbank heeft in overleg met partijen de vraagstelling aan de StAB vastgesteld.
Vraagstelling aan de StAB
8. Bij brief van 10 december 2024 heeft de rechtbank de StAB opdracht gegeven om advies uit te brengen in de voorliggende procedures.
De rechtbank heeft de volgende vragen aan de StAB voorgelegd:
1. Beoordeel de door eisers ingediende handhavingsverzoeken van 16 oktober 2019
en 6 maart 2020 en ga met een geluidsonderzoek na of het aannemelijk is dat er
sprake is van overschrijdingen van de grenswaarden van artikel 2.17, eerste lid, van
het Activiteitenbesluit. Het gaat daarbij om de waarden voor het
langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar,LT) en het maximaal geluidniveau
(LAmax) zoals weergegeven in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Het
geluidonderzoek heeft betrekking op de laad-en losactiviteiten en de
vrachtwagenbewegingen en ziet op de geluidsniveaus in alle perioden van de dag.
De geluidmetingen moeten worden uitgevoerd conform de Handleiding meten en
rekenen industrielawaai.
2. De rechtbank verzoekt de StAB de geluidmetingen uit te voeren tijdens een representatieve bedrijfssituatie en in overleg met de derde-partij een worst-case
situatie te simuleren.
Beantwoording van de vragen van de rechtbank door de StAB
9. Op 21 november 2025 heeft de StAB advies uitgebracht aan de rechtbank. De StAB heeft in paragraaf 6 van het advies de vragen van de rechtbank beantwoord:
“6.1 Reguliere situatie zoals gemeld door Thomassen
Op grond van het uitgevoerde onderzoek, de geluidmetingen en de berekeningen met het geluidmodel, is de conclusie van STAB dat het aannemelijk is dat de activiteiten van Thomassen in de representatieve bedrijfssituatie (75 vrachtwagens per etmaal, waarvan 15 in de nachtperiode, en de reguliere situatie waarbij rustig met de palletwagen de oplegger in- en uitgereden wordt) de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau ([Amax), zoals weergegeven in tabel 2.17a van het Abm, bij de woningen van eisers niet overschrijden.
Gevolg extra vrachtwagens in de reguliere situatie
In de door eisers beschreven situatie, waarin relevant meer vrachtwagens bij Thomassen komen (120 per etmaal in plaats van 75, waarvan 25 in de nachtperiode in plaats van 15), zou in de reguliere situatie de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) alleen in de nachtperiode worden overschreden, met 2 dB bij de woning van eisers Woudenberg (Kanaalweg 21 B).
De extra vrachtwagens hebben geen gevolg voor het maximale geluidniveau (LAmax) bij de woningen. Ook met extra vrachtwagens wordt bij de woningen van eisers voldaan aan het maximale geluidniveau.
Gevolg worstcase-situatie
In de worstcase-situatie is uitgegaan van hogere bronvermogens voor het equivalente en maximale geluidvermogen voor het laden en lossen, op basis van de bronmetingen waarbij met de palletwagen zonder afremmen in en uit de oplegger wordt gereden.
STAB acht het aannemelijk dat in de worstcase-situatie de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LAmax) in de nachtperiode overschreden worden bij de woningen van eisers, vanwege het laden en lossen bij docks 13-18.
In de dag- en avondperiode is in de worstcase-situatie geen sprake van overschrijding van de grenswaarden, met uitzondering van de door eisers beschreven situatie met 120 vrachtwagens per etmaal (10 in de avondperiode en 25 in de nachtperiode). In dat geval wordt de grenswaarde voor het Iangtijdgemiddelde beoordelingsniveau, behalve in de nachtperiode, ook in de avondperiode overschreden, met 1 dB bij Kanaalweg 21 B.”
Wat vinden partijen van het advies van de StAB?
Eisers 1 hebben, kort samengevat, ten aanzien van het conceptrapport en het definitieve rapport aangegeven dat het aantal dagelijkse vrachtwagens (veel) hoger ligt dan de 75 waar mee is gerekend. Daarnaast hebben eisers 1 aangegeven dat de voornaamste geluidsoverlast die zij ervaren het dreunen bij het laden en lossen is. Eisers verzoeken om het beroep gegrond te verklaren en de beslissing op bezwaar te vernietigen, zodat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet opstellen met in achtneming van de uitkomsten van het StAB-rapport en de reactie van eisers.
Eiser 2 heeft, kort samengevat, ten aanzien van het conceptrapport en het definitieve rapport aangegeven dat hij van mening is dat de snelheid van in/uitrijden bij laden/lossen in de worst-case in feite de reguliere situatie is en dus niet de worst-case situatie. Het laden en lossen gaat wel eens nog luider, maar de worst-case situatie is eigenlijk wel de situatie die eiser 2 het meest ervaart qua geluid. Er dient in ieder geval uitgegaan te worden van 95 vrachtwagens. Het scenario dat door de StAB wordt getypeerd als het reguliere scenario, komt eigenlijk niet of nauwelijks voor. Eiser 2 verzoekt de rechtbank er van uit te gaan dat het worstcasescenario geen incidenteel, mogelijk voorkomend, scenario is, maar de representatieve bedrijfssituaties betreft. Ten aanzien van de overschrijding van de grenswaarden voor geluid is volgens eiser 2 met het rapport van StAB aannemelijk dat sprake is van een overschrijding van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij zijn woning. Het college heeft alleen daarom al het handhavingsverzoek van eiser 2 ten onrechte afgewezen.
De ODRA heeft, kort samengevat, ten aanzien van het conceptrapport aangegeven dat de metingen hebben plaatsgevonden in een geënsceneerde situatie en dat er jaren later niet kan worden gesteld dat deze situatie zich wellicht ook ten tijde van de verzoeken om handhaving heeft voorgedaan. De ODRA is van mening dat om die reden de verzoeken om handhaving niet op basis van de huidige geluidmetingen alsnog moeten worden toegewezen.
De derde-partij heeft, kort samengevat, ten aanzien van het conceptrapport aangegeven dat hij graag een oplossing wil. De derde-partij vraagt zich af hoe de situatie er uitziet bij 100 vrachtwagens. Daarnaast wil de derde-partij graag weten wat hij kan aanpassen in zijn bedrijfsvoering om tot een oplossing te komen.
Is er sprake van een overtreding?
10. De derde-partij heeft op 16 oktober 2019 een melding Activiteitenbesluit gedaan ten aanzien van de wijziging van de werktijden en transportbewegingen. Op grond van die melding is er sprake van 75 vrachtwagens per etmaal voor laden en lossen (dus 150 vrachtwagenbewegingen). Dit moet volgens de rechtbank worden aangemerkt als de representatieve bedrijfssituatie. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de bij het onderzoek gesimuleerde worst case-situatie, (waarbij snel gereden wordt tijdens het laden en lossen) of het door eisers voorgestelde aantal van 120 vrachtwagens per etmaal voor laden en lossen als representatief zou moeten worden aangemerkt. Immers, het aantal van 120 vrachtwagens per etmaal is niet het aantal dat door derde-partij wordt gezien als representatief, en is ook niet als zodanig door hem gemeld. Nu er geen andere constateringen voorliggen, en de rechtbank bovendien hierboven reeds heeft overwogen dat de omvang van het geding in deze einduitspraak niet zal worden uitgebreid ten opzichte van de tussenuitspraak, gaat de rechtbank er daarom van uit dat het bedrijf van derde-partij conform de melding functioneert.
Het snelle optrekken en remmen kan in de praktijk wel aan de orde zijn, maar nergens blijkt uit dat dit representatief is. Dat wordt ook tot op zekere hoogte onderbouwd nu ter zitting is besproken dat derde-partij dat zoveel mogelijk probeert te voorkomen met aanwijzingen aan chauffeurs, al heeft dat niet in alle gevallen het gewenste effect (met name niet bij externe chauffeurs).
De rechtbank stelt vast dat uit de antwoorden van de StAB volgt dat geen sprake is van een overtreding van de geluidsnormen in de representatieve bedrijfssituatie met 75 vrachtwagens per etmaal die laden en lossen. Dat bij extra vrachtwagens in de reguliere situatie en het snel rijden tijdens het laden en lossen in de worstcase-situatie wel geluidswaarden kunnen worden overschreden, leidt niet tot een overtreding nu het daarbij niet gaat om de reguliere bedrijfssituatie.
Conclusie
11. De beroepen zijn gegrond omdat het college onvoldoende onderzoek had verricht. zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Nu uit het rapport van de StAB blijkt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2.17 Activiteitenbesluit, heeft het college de verzoeken om handhaving van eisers terecht afgewezen. Daarom laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand.
12. De rechtbank merkt daarbij op dat duidelijk is dat alle partijen behoefte hebben aan duidelijkheid over wat nu al dan niet bij recht is toegestaan. Het college heeft terecht opgemerkt dat het tijdsverloop complicerend is, nu in deze zaak wordt geoordeeld over een situatie zoals die inmiddels circa 6 jaar geleden was. Inmiddels is het recht veranderd nu de Omgevingswet in werking is getreden, en wellicht is ook in de feitelijke situatie sprake van veranderingen. Daarbij is uit het StAB-rapport ook duidelijk geworden dat het hard optrekken en afremmen van vrachtwagens zou kunnen leiden tot overschrijding van de geluidsnormen. De rechtbank geeft partijen daarom in overweging om, als in de huidige situatie nog steeds overlast wordt ervaren, met elkaar in overleg te treden om te bezien of het maken van nadere afspraken tot een voor iedereen heldere en werkbare situatie kan leiden.
13. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.269 voor elke eiser (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 17 januari 2023, 1 punt voor het na de tussenuitspraak verschijnen ter zitting van 27 september 2024, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het StAB-rapport, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.