ECLI:NL:RBGEL:2026:6684

ECLI:NL:RBGEL:2026:6684

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 05-084046-26 + 05-320753-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Veroordeling voor bezit van cocaïne, heroïne, MDMA en 2-MMC en het bezit van wapens en munitie in de woning en een kelderbox tot een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 369 dagen waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft in het bijzonder rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de ingezette begeleiding zou doorkruisen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05-084046-26 + tul 05-320753-23

Datum uitspraak : 24 augustus 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres 1], in [postcode] [woonplaats]

raadsman: mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenopzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/ofverstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,- ongeveer 2235,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne en/of- ongeveer 1318,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende heroïne en/of- ongeveer 81,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine),zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenal dan niet opzettelijkeen substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bijde Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te wetenongeveer 655,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende 2-Methylmethcathinone (2-MMC),heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/ofheeft vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad;

3.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweteneen gaspistool, van het merk Glock, model 17, gen 5, kaliber 9mm knal,zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistoolen/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten- 52, althans een hoeveelheid knalpatronen en/of kogelpatronen (kaliber9mm knal) en/of- een hoeveelheid pyrotechnische knalpatronen (kaliber 15mm),voorhanden heeft gehad;

4.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, teweten een boksbeugel heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en feit 2 voor wat betreft het aanwezig hebben, en feit 3 met uitzondering van het bezit van de kogelpatronen en feit 4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de feiten bewezen kunnen worden verklaard zoals door de officier van justitie is aangevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten 1 en 2

Op 19 maart 2026 kwam er bij de politie een melding binnen dat er een grote hoeveelheid harddrugs zou liggen in de woning en/of bergingen aan de [adres 2] in [woonplaats]. De eigenaar van de drugs zou zijn [verdachte], geboren [geboorteplaats] 2005. [verdachte] zou tevens handelen in diverse soorten harddrugs. Verdachte bleek zelf niet ingeschreven te staan op het adres, maar wel zijn broer [naam 1] en hun moeder [naam 2].

Daarop werd op 20 maart 2026 binnengetreden aan de woning aan de [adres 2]. In de kelderbox, behorend bij de woning, sloeg de speurhond van de politie aan op een zwarte koffer. De koffer werd opengemaakt en er bleken diverse plastic zakken met inhoud in te zitten. Dit betrof een grote hoeveelheid met verschillende kleuren, vormen en gewicht aan substanties. De manier waarop de substanties verpakt waren is volgens verbalisant gebruikelijk voor de handel in drugs. In de kelderbox sloeg de speurhond verder aan op een zwarte rugzak in een stellingkast, waarin 3 doorzichtige plastic zakken met verpakte wikkels zaten. Onder de plint onder het keukenaanrecht lag een groot verpakt blok. In de kelderbox werden ook diverse notitieboekjes aangetroffen waarin hoeveelheden en sterktes stonden opgenomen achter verschillende namen. In de notities werd ook vaak gesproken over koffie en melk, wat volgens verbalisant codetaal is voor verschillende drugs. Ook ging het over ‘’153 puur’’, waarbij puur staat voor niet-versneden cocaïne.

Verdachte, die aanwezig was in de woning ten tijde van de doorzoeking, verklaarde aan een van de verbalisanten dat de aangetroffen substanties drugs zijn, dat de drugs aan hem toebehoorden en dat zijn moeder en broer er niks mee te maken hadden. In een slaapkamer in de woning werd in een grote kast ook nog een tasje aangetroffen met daarin wit poeder, dat later positief testte op cafeïne, een stof waarvan bekend is dat het als versnijdingsmiddel wordt gebruikt. Verdachte verklaarde dat hij en zijn broer [naam 1] in deze slaapkamer sliepen.

De aangetroffen zakken en blokken uit de koffer, rugtas en van achter de keukenplint werden onderzocht. Het bleek in totaal te gaan om:

2.235,73 gram cocaïne,

1318,81 gram heroïne,

81,26 gram MDMA, en

665,85 gram 2-MMC.

Daarnaast werden de verpakkingen van de drugs onderworpen aan DNA onderzoek. Op de knoop van de buitenzijde van een boterhamzakje werd DNA aangetroffen van minimaal 2 personen, waaronder van verdachte met een bewijskracht van meer dan 1 op 1 miljard. Verder werd er aan de randen en binnenzijde tot de opening van de sealrand van een sealbag ook DNA aangetroffen van minimaal 2 personen, waaronder van verdachte met een bewijskracht van meer dan 1 op 1 miljard. Ook werd de buitenzijde van het witte blok cocaïne dat onder de keukenplint lag DNA van 5 personen aangetroffen, waaronder van verdachte, met een bewijskracht van ongeveer 65 duizend.

Verdachte verklaarde dat hij deels verbleef aan het adres van zijn moeder aan de [adres 2] in [woonplaats]. Een week voor de doorzoeking van de politie had een buurtgenoot aan verdachte gevraagd om spullen in bewaring te nemen. Verdachte had daarmee ingestemd en verder geen vragen gesteld over wat deze spullen zouden zijn. De buurtgenoot kwam kort daarna met een zwarte koffer met daarop een slotje en rugtas bij de woning aan de [adres 2], waarna verdachte hem had begeleid naar de kelderbox voor het stallen van de spullen. Verdachte wilde niet dat de koffer en rugtas op zijn slaapkamer zouden staan, want dan zou zijn moeder erachter zijn gekomen. Verdachte had zelf de sleutel van deze kelderbox in bezit en had deze geopend zodat de buurtgenoot de spullen neer kon zetten. Verdachte had gevoeld dat de koffer zwaar was. In ruil voor het opslaan van de koffer en rugtas zou verdachte volgens de buurtgenoot een ‘’mooi bedrag’’ krijgen, maar verdachte wist niet precies hoe veel. De buurtgenoot had gezegd dat verdachte zich over de hoogte van het bedrag in ieder geval geen zorgen hoefde te maken. Verdachte zou betaald krijgen als de buurtgenoot de spullen weer zou komen ophalen. De buurtgenoot kwam na het stallen van de spullen nog 2 keer langs. Voor het langskomen stuurde de buurtgenoot verdachte een bericht via Snapchat, zodat verdachte wist dat de buurtgenoot eraan kwam, waarna verdachte de kelderbox opende en de koffer alvast klaarlegde. De eerste keer maakte de buurtgenoot de koffer open en moest verdachte diverse verpakkingen eruit halen en aangeven. Verdachte kon niet zien wat er in de zakken zat, maar zag wel dat er veel tape omheen zat. Toen de buurtgenoot de tweede keer langskwam, moest verdachte wederom de kelderbox openen met de sleutel. Verdachte moest die keer buiten wachten, terwijl de buurtgenoot in de kelderbox bleef met de spullen. De buurtgenoot kwam na enkele minuten weer naar buiten. Verdachte dacht dat het blok drugs achter de keukenplint ook van de buurtgenoot was.

Conclusie

Onder feit 1 en feit 2 is verdachte allereest het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren harddrugs van cocaïne, heroïne, MDMA en 2-MMC onder artikel 2 onder B van de Opiumwet tenlastegelegd.

Aanleiding voor de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] was een MMA-melding waarin beschreven werd dat verdachte handelt in drugs en drugs in zijn woning bewaart. In de kelderbox behorende bij de woning werd vervolgens een grote hoeveelheid cocaïne, heroïne, MDMA en 2-MMC aangetroffen. De wijze waarop een deel van de drugs was verpakt was volgens verbalisant gebruikelijk bij de handel in drugs. In de kelderbox lagen daarnaast notitieboekjes waarin hoeveelheden en sterktes achter verschillende namen waren vermeld. In de slaapkamer van de woning, waar verdachte verklaarde te slapen, werd een hoeveelheid cafeïne aangetroffen, een stof waarvan bekend is dat het als versnijdingsmiddel wordt gebruikt. Deze omstandigheden vormen aanwijzingen voor activiteiten die verband houden met de handel in drugs. Uit het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte zelf de ten laste gelegde handelingen heeft verricht. Concrete gegevens over een door verdachte verrichte verkoop, aflevering, verstrekking of vervoer van de aangetroffen harddrugs ontbreken. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte de harddrugs heeft bewerkt of verwerkt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit deel van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs onder feit 1 en feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Van aanwezig hebben als bedoeld in de Opiumwet is sprake indien verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat verdachte daarover kan beschikken. De drugs hoeven zich daarvoor niet in de directe nabijheid van verdachte te bevinden. Evenmin hoeft vast te staan dat de drugs aan verdachte toebehoren. Voor een bewezenverklaring van opzettelijk aanwezig hebben is verder ten minste voorwaardelijk opzet vereist. Dat betekent dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat hij de verdovende middelen aanwezig had en die kans vervolgens bewust heeft aanvaard.

Verdachte verklaarde dat hij een buurtgenoot toestemming had gegeven om een koffer en rugtas in de kelderbox van de woning van zijn moeder te stallen. Verdachte beschikte over de sleutel van de kelderbox en opende deze voor de buurtgenoot zodat de buurtgenoot de spullen daar kon neerzetten. De spullen stonden in ieder geval 1 week in de kelderbox en verdachte verschafte de buurtgenoot zeker nog 2 keer toegang tot de kelderbox. Bij het eerste bezoek had verdachte op verzoek van de buurtgenoot meerdere verpakkingen uit de koffer gehaald en aangegeven. Toen zag verdachte ook dat deze verpakkingen met veel (doorzichtig) tape waren omwikkeld. Voor het bewaren van de koffer en rugtas zou verdachte bovendien een ‘’mooi bedrag’’ ontvangen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte feitelijke macht kon uitoefenen over de in de koffer en rugtas aanwezige harddrugs. Verdachte opende zelf de kelderbox om de koffer en rugtas daar te laten neerleggen en verschafte vervolgens, terwijl deze goederen daar lagen opgeslagen, meermalen toegang tot de kelderbox.

Gelet op het geheel van de omstandigheden acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte zonder enige wetenschap meewerkte aan het bewaren van de verdovende middelen. Daarbij is van belang dat verdachte de koffer en rugtas tegen betaling in bewaring nam zonder, naar eigen zeggen, te vragen naar de inhoud daarvan, terwijl hij had gevoeld dat de koffer zwaar was. Vervolgens zag verdachte dat er veel verschillende verpakkingen in de koffer zaten. De drugs was verpakt op een wijze zoals gebruikelijk bij de handel in drugs. Uit het DNA-onderzoek blijkt bovendien dat op meerdere verpakkingen waarin de drugs zaten DNA van verdachte zat, waaronder op de buitenzijde van een boterhamzakje en aan de randen en binnenzijde van een sealbag en verdachte heeft ook bevestigd dat hij verpakkingen uit de koffer heeft gehaald en aangegeven aan een ander persoon. Dit bevestigt dat verdachte zich daadwerkelijk met de harddrugs heeft beziggehouden. Nadat hij een keer met de inhoud van de koffer in aanraking was gekomen liet verdachte de koffer en rugtas desondanks in de kelderbox staan en verschafte de buurtgenoot vervolgens opnieuw toegang tot de kelderbox.

Door zo te handelen stelde verdachte zich bewust bloot aan de aanmerkelijke kans dat de goederen verdovende middelen bevatten en heeft deze kans bewust aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de kelderbox aangetroffen cocaïne, heroïne, MDMA en 2-MMC opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De laatste vraag is of er ook sprake is van medeplegen. Verdachte stelde de kelderbox ter beschikking om de koffer en rugtas daar door de buurgenoot te laten plaatsen. Verdachte opende daarna de kelderbox nog 2 keer, waarbij bij één van de keren verdachte verpakkingen uit de koffer aan de buurtgenoot gaf. Daarmee hebben verdachte en de buurtgenoot ieder een eigen bijdrage geleverd aan het aanwezig hebben van de harddrugs. De bijdrage van verdachte was daarbij van voldoende gewicht, omdat zonder zijn medewerking de buurtgenoot niet over de opgeslagen harddrugs kon beschikken. Er is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de buurtgenoot, zodat ook het medeplegen kan worden bewezen.

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

Bij het vuurwapen werden naast 52 knalpatronen geen kogelpatronen aangetroffen. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

Feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feiten 1 t/m 4 van het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/ofverstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,- ongeveer 2235,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne en/of- ongeveer 1318,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende heroïne en/of- ongeveer 81,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine),zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenal dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep

als bedoeld in de bijde Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te wetenongeveer 655,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende 2-Methylmethcathinone (2-MMC),heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/ofheeft vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad;

3.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weteneen gaspistool, van het merk Glock, model 17, gen 5, kaliber 9mm knal,zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistoolen/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten- 52, althans een hoeveelheid knalpatronen en/of kogelpatronen (kaliber9mm knal) en/of- een hoeveelheid pyrotechnische knalpatronen (kaliber 15mm),voorhanden heeft gehad;

4.hij op of omstreeks 20 maart 2026 te [woonplaats], althans in Nederland,een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, teweten een boksbeugel heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 369 dagen gevangenisstraf waarvan 270 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd en een taakstraf van 240 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat er geen onvoorwaardelijk gevangenisstraf meer moet worden opgelegd aan verdachte en heeft bepleit om bij een voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van maximaal 2 jaren op te leggen, nu voor een proeftijd van 3 jaren geen reden is. De raadsman heeft verder gevraagd de elektronische monitoring te beperken tot de duur van 6 maanden en de duur van de taakstraf te stellen op maximaal 200 uur indien de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijk straf wordt toegewezen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een grote hoeveelheid harddrugs. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen lucratief is en vaak gepaard gaan met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt toegebracht. Door zijn handelen heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van verslavingen en het criminele drugscircuit. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een vuurwapen, munitie en een boksbeugel. De rechtbank neemt verdachte de genoemde feiten erg kwalijk.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft in aanmerking genomen het uittreksel justitiële documentatie van 24 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaren eerder is veroordeeld ter zake van een Opiumwetdelict.

Uit het reclasseringsrapport van 29 juli 2026 is naar voren gekomen dat de belangrijkste risicofactoren bij verdachte zijn de eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, het (gedeeltelijk) ontbreken van probleeminzicht en de onduidelijkheid over de factoren die hebben bijgedragen aan het plegen van de strafbare feiten. Ook kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van invloed van anderen. De beschermende factoren betreffen dat verdachte sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis bij zijn vader verblijft, zich houdt aan de voorwaarden, meewerkt aan toezicht en actief bezig is met het realiseren van een structurele dagbesteding. Daarnaast is verdachte bereid mee te werken aan begeleiding, diagnostiek en gedragsinterventies. De reclassering schat het recidive risico in als gemiddeld, nu er nog moet worden gewerkt aan het versterken van verantwoordelijkheidsbesef, het vergroten van weerbaarheid en het verder ontwikkelen van een stabiele en pro-sociale levensinvulling. De reclassering acht het daarom van belang dat de reeds ingezette voorwaarden onder het schorsingstoezicht worden gecontinueerd. Bij een veroordeling adviseert zij de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling, locatiegebod met elektronisch toezicht, dagbesteding, aflossing van schulden en inzicht in sociale contacten.

De straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf zoekt de rechtbank in beginsel aansluiting bij uitspraken van rechtbanken in soortgelijke zaken en bij de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten vermelden alleen al voor het opzettelijk aanwezig hebben van 4.000 tot 5.000 gram harddrugs een gevangenisstraf van 15 maanden.

De rechtbank vindt het zeer ernstig dat verdachte in 2 jaar tijd 2 keer in aanraking is gekomen met harddrugs en dat het dossier aanwijzingen bevat voor betrokkenheid van verdachte bij drugshandel. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank echter ook rekening met de persoon van verdachte. Verdachte is nog jong en heeft verklaard te zijn geschrokken van de gevolgen die de doorzoeking van de woning en zijn voorarrest voor hem en zijn ouders hebben gehad. Uit het reclasseringsadvies volgt dat voortzetting van het toezicht en de behandeling van belang is om het risico op nieuwe strafbare feiten te beperken. De rechtbank acht het in het belang van zowel verdachte als de maatschappij dat deze ingezette begeleiding wordt voortgezet. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de duur van het reeds ondergane voorarrest zou daaraan afbreuk doen.

De rechtbank kiest daarom voor een straf die enerzijds recht doet aan de ernst van de feiten maar anderzijds ruimte laat voor voortzetting van de behandeling en begeleiding. De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte deze mogelijkheid krijgt, maar benadrukt tegelijkertijd dat dit de laatste kans is. Verdachte zal zich gedurende de proeftijd moeten houden aan de voorwaarden en meewerken aan het toezicht van de reclassering. Een voorwaardelijke straf van langere duur dient als stok achter de deur dat verdachte weer de fout in gaat.

Alles afwegend is de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte opleggen 369 dagen gevangenisstraf waarvan 270 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een taakstraf van 240 uren. De rechtbank bepaalt daarbij de duur van het elektronisch toezicht onder de bijzondere voorwaarde van het locatiegebod op maximaal 6 maanden.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-320753-23)

De kinderrechter heeft verdachte op 22 maart 2024 veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk.

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de tenuitvoerlegging.

toewijzing

Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich meldt op afspraken met Reclassering Nederland in Arnhem, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal verdachte uitnodigen voor een eerste afspraak;

- verdachte deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

- verdachte zich laat onderzoeken en indien nodig behandelen door forensische polikliniek Jan Arends Arnhem of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

- verdachte gedurende zijn schorsing op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Bij de start dient verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres 1], [postcode] te [woonplaats]. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor maximaal 6 maanden of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;

- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur en laat dit controleren door de reclassering. Indien nodig geeft hij toestemming om contact op te mogen nemen met zijn werkgever. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- verdachte geeft inzicht in zijn sociaal netwerk en is open over de personen waarmee hij omgaat.

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 22 maart 2024 door de kinderrechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen jeugddetentie (05-320753-23).

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.M.H. Pennings
  • mr. M. Hoedeman

Griffier

  • mr. N.D. van Egdom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand