RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3651
in de zaak tussen
[v.o.f] en haar vennoten [verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats] , verzoekster
en
(gemachtigden: mr. S. Martis en mr. C. Banen).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een bevel tot staking van arbeid door een kind jonger dan zestien jaar. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 9 juli 2026 heeft een arbeidsinspecteur van de Nederlandse Arbeidsinspectie een inspectie uitgevoerd op de arbeidsplaats [restaurant] in [plaats] .
Tijdens de inspectie is geconstateerd dat het kind [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 (hierna: het kind), werkzaamheden verrichtte of werd ingewerkt, met als doel werkzaamheden als afwassen en het inpakken van maaltijden te verrichten in een ruimte waar alcoholische drank wordt of kan worden geschonken.
Vanwege ernstige overtreding van de Arbeidstijdenwet (Atw), is verzoekster mondeling bevolen om de arbeid van het kind te staken.
Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft de minister het bevel tot staking van de arbeid van het kind schriftelijk bevestigd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Meer specifiek verzoekt zij de voorzieningenrechter om het bestreden besluit te schorsen totdat er een beslissing is genomen op het ingediende bezwaarschrift.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] namens verzoekster, bijgestaan door [persoon 1] als adviseur, en de gemachtigden van de minister, in het bijzijn van [persoon 2] , arbeidsinspecteur bij de Nationale Arbeidsinspectie.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter kan gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening en de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Het spoedeisend belang wordt aanwezig geacht, wanneer het bestreden besluit ertoe leidt dat er een noodsituatie dreigt te ontstaan of wanneer er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek, omdat de mogelijkheid bestaat om een andere medewerker aan te nemen die wettelijk gezien de beoogde werkzaamheden wel mag verrichten.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft de wens om het betreffende kind aan te nemen voor werkzaamheden die zij volgens haar op grond van wet- en regelgeving mag verrichten. Het niet treffen van een voorlopige voorziening kan tot het onomkeerbare gevolg leiden dat het kind elders werk vindt en niet meer door verzoekster kan worden ingezet.
Mocht de minister een het stakingsbesluit opleggen?
5. Verzoekster betoogt dat het college het besluit onterecht heeft genomen, omdat van kinderarbeid geen sprake was. Daartoe voert eiseres aan dat het kind een sollicitant was die langskwam om te kijken wat de werkzaamheden inhielden. Zij was ten tijde van de inspectie niet aan het werk en moest nog beslissen of zij bij [restaurant] wilde komen werken. Daarnaast betoogt verzoekster dat de eventuele werkplek van het kind niet in het restaurant, maar bij de afhaalbalie zou zijn. Op die plek wordt volgens verzoekster geen alcohol geschonken.
Het verbod op kinderarbeid is geregeld in artikel 3:2 van de Atw. Daaruit volgt dat het voor kinderen tot zestien jaar in beginsel niet is toegestaan om voor een werkgever arbeid te verrichten. Op dit verbod gelden onder bepaalde voorwaarden een aantal uitzonderingen voor niet-industriële arbeid van lichte aard. Onacceptabele veiligheidsrisico's voor een kind of zijn omgeving zijn in ieder geval aanwezig bij werkzaamheden in een horecalokaliteit zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet in een ruimte zodra daar alcoholhoudende dranken kunnen worden of worden geschonken.
Het betoog van verzoekster slaagt niet. Dat het kind slechts kwam solliciteren en dat van enig werknemerschap of het uitvoeren van werkzaamheden geen sprake was, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet relevant. Uit artikel 8:2, eerste lid, van de Atw volgt immers dat een toezichthouder kan bevelen, dat een kind de arbeid staakt of niet aanvangt als artikel 3:2 van de Atw naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden of dreigt te worden overtreden. Een dreigende overtreding is dus voldoende. Dat het kind volgens verzoekster naar werk solliciteerde en dat verzoekster haar wil inzetten achter de afhaalbalie, is voldoende voor het aannemen van een dreiging van een eventuele overtreding.
Verder zijn partijen het erover eens dat het kind zich ten tijde van de inspectie op 9 juli 2026 achter de bar in het restaurantdeel bevond. Verzoekster heeft ook niet ontkend dat boven deze bar meerdere drankflessen zijn opgesteld. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het kind geen werkzaamheden in het restaurant mag verrichten, omdat daar alcohol wordt geschonken. De vraag waar het in deze zaak om draait is of de beoogde werkplek van het kind, in dit geval de afhaalbalie, een afgesloten ruimte is waar geen alcoholische dranken worden of kunnen worden geschonken.
Volgens verzoekster wordt alleen in het restaurantdeel, waar ook de bar gevestigd is, alcohol geschonken en wordt het kind bij de uitvoering van haar werkzaamheden achter de afhaalbalie daar niet mee geconfronteerd. De minister heeft daar een andere visie op en stelt dat sprake is van een open verbinding tussen het restaurantdeel en de afhaalbalie, zodat het kind aan onacceptabele veiligheidsrisico’s bloot zou staan. De voorzieningenrechter constateert dat het aan een inspectierapport ontbreekt en dat er dus ook geen foto’s van het restaurant beschikbaar zijn, waarop zowel het restaurantdeel als de afhaalbalie zichtbaar zijn. De arbeidsinspecteur heeft de feitelijke aangetroffen situatie op de zitting toegelicht en het beeld geschetst van een open verbinding tussen het restaurantdeel en de afhaalbalie, waarbij een glas bier vanaf de tap achter de bar in het restaurantdeel kan worden doorgegeven aan mensen die in de afhaalruimte staan. Hoewel op de zitting niet duidelijk is geworden hoe de ruimtes met elkaar in verbinding staan, er wordt gesproken over zowel een bar of een laag muurtje van een meter hoog als het bereiken van de andere ruimte die ‘om de hoek’ is gelegen, staat de open verbinding op zichzelf niet ter discussie. Dat maakt dat de afhaalbalie feitelijk deel uitmaakt van de ruimte waar alcohol wordt of kan worden geschonken en dat het kind daardoor wordt blootgesteld aan de veiligheidsrisico’s in de zin van artikel 1:1, derde lid, onder d, van de Nrk. De minister mocht daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het stakingsbevel opleggen.
Is het stakingsbevel onevenredig?
6. Ook het betoog van verzoekster dat zij door de vele acties en steeds wisselende besluiten van de Nederlandse Arbeidsinspecties gehinderd wordt in haar bedrijfsvoering, slaagt niet. Verzoekster is in algemene zin gehouden aan wet- en regelgeving met betrekking tot het voeren van een onderneming. Het verbod van kinderarbeid is een zwaarwegend algemeen belang. Kinderen moeten namelijk worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen arbeid die hun veiligheid, hun gezondheid, of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan schaden of hun opvoeding in gevaar kan brengen. Het is daarom van belang dat als een overtreding van het verbod van kinderarbeid wordt geconstateerd, die overtreding per direct en zo effectief mogelijk wordt beëindigd.
Conclusie en gevolgen
7. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: