RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer: 05/003862-25 (ontneming)
Datum uitspraak : 13 augustus 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
hierna te noemen ‘veroordeelde’,
raadsvrouw: P.W.E. Hoezen, advocaat in Winterswijk.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie op voorhand is geschat op € 8.812,31.
2. De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 8.612,36.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Ook als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, kan het gevorderde bedrag niet zonder meer als persoonlijk voordeel van veroordeelde worden aangemerkt, omdat niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde deze bedragen heeft behouden of ervan heeft geprofiteerd. Veroordeelde heeft verklaard dat hij € 3.000,00 tot € 4.000,00 heeft ontvangen. Dit is aanzienlijk lager dan het gevorderde voordeel.
3. De beoordeling van de vordering
Bij vonnis van heden is veroordeelde ter zake van het medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen.
Veroordeelde heeft verklaard dat hij snel geld wilde verdienen en daarom inloggegevens van diverse bankrekeningen en zijn DigiD, zijn identiteitsbewijs en een foto van zichzelf aan [naam] heeft afgegeven. Veroordeelde heeft daar een bedrag van naar schatting tussen de € 3.000,00 à € 4.000,00 voor ontvangen. Daarvan is veroordeelde onder andere op vakantie gegaan naar Marmaris in Turkije.
Op grond daarvan acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde in elk geval € 3.000,00 heeft ontvangen.
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 3.000,00 en zal zij hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.000,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 30 dagen.
Aldus gegeven door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik en mr. A.L. Goedheer, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2026.
De griffiers zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.