ECLI:NL:RBGEL:2026:6703

ECLI:NL:RBGEL:2026:6703

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer ARN 26/3333
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

In deze uitspraak zet de rechtbank uiteen hoe zij omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. De rechtbank wijkt daarbij af van de lijn uit de Afdelingsuitspraak van 3 juni 2026 en past in navolging van de rechtbank Midden-Nederland een beslistermijn toe van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Ook bepaalt de rechtbank een nieuwe lijn voor de hoogte van de rechterlijke dwangsom. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt de dienst op om voor 24 augustus 2027 een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser en legt een dwangsom op van € 50 per dag met een maximum van € 15.000 voor iedere dag dat de dienst in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van

[eiser] uit [plaats] , eiser

de Dienst Toeslagen

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3333

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).

1. In deze uitspraak zet de rechtbank uiteen hoe zij omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. De rechtbank wijkt daarbij af van de lijn uit de Afdelingsuitspraak van 3 juni 2026 en past in navolging van de rechtbank Midden-Nederland een beslistermijn toe van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Ook bepaalt de rechtbank een nieuwe lijn voor de hoogte van de rechterlijke dwangsom.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt de dienst op om voor 24 augustus 2027 een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser en legt een dwangsom op van € 50 per dag met een maximum van € 15.000 voor iedere dag dat de dienst in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 mei 2025 verzocht om een aanvullende schadevergoeding bij de CWS in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag.

Met de brief van 5 juni 2026 heeft eiser de dienst in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 3 juli 2026 het beroep van eiser tegen het niet op tijd nemen van een besluit ontvangen. Eiser stelt dat de dienst niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op zijn verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft beslist.

De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Met de brief van 29 juli 2026 heeft de dienst haar eerdere standpunt gewijzigd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de dienst deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaarschrift (de zogenoemde ingebrekestelling). Als het bestuursorgaan na die twee weken nog steeds geen besluit heeft genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

4. De dienst moet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek een beslissing hierop nemen. De dienst mag deze termijn één keer – zonder overleg met of toestemming van eiser – verlengen met zes maanden. Uit de brief van 7 november 2025 blijkt dat de dienst van deze verlengingsmogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Uit die brief volgt ook dat de dienst het verzoek van eiser om aanvullende schadevergoeding op 19 mei 2025 heeft ontvangen. Dit betekent dat de beslistermijn eindigde op 19 mei 2026.

Partijen zijn het erover eens dat de dienst niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn heeft eiser de dienst in gebreke gesteld. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat de dienst niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 8 juni 2026 op het verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn moet aan de dienst worden opgelegd?

5. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Deze nadere beslistermijn voor bijzondere gevallen mag niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn.

De dienst heeft nog (steeds) geen besluit genomen en moet dit alsnog doen. De dienst verzoekt de rechtbank om de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026 te volgen en een beslistermijn van twee weken op te leggen.

In die uitspraak heeft de Afdeling neergelegd hoe zij vanaf die uitspraak omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de CWS in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Daarin oordeelt de Afdeling dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Daaraan verbindt de Afdeling dat de nadere dwangsom die aan een uitspraak wordt verbonden op nihil moet worden gesteld. Tot op heden heeft de rechtbank deze lijn gevolgd.

De nieuwe lijn van deze rechtbank

Op de zitting in deze zaak is de vraag aan de orde geweest of de rechtbank deze lijn nog steeds zal volgen of dat er reden is om daarvan af te wijken. De rechtbank Midden-Nederland heeft in haar uitspraken van 27 juli 2026 uiteengezet waarom zij de lijn van de Afdeling niet volgt. De rechtbank stelt verder vast dat de Afdeling haar lijn enkel en alleen toepast bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de CWS. Deze lijn wordt niet toegepast bij andere aanvragen en bezwaren in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Ook wordt deze lijn niet toegepast bij de vele beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten in vreemdelingenzaken en passen rechtbanken deze lijn niet toe bij het niet tijdig nemen van besluiten bij aanvragen en bezwaren waarin een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling moet worden verricht door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep).

Op de zitting is verder aan de orde geweest dat de Afdeling op korte termijn (in september) het hoger beroep tegen (een van) de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland zal behandelen en in dat kader aan de dienst veel aanvullende informatie heeft gevraagd. De dienst heeft daarbij opgemerkt dat als de rechtbank de Afdeling niet langer zou volgen, het niet wenselijk is dat de rechtbank tot een andere lijn komt dan de lijn van de rechtbank Midden-Nederland. Dat de Afdeling op korte termijn op het hoger beroep zal beslissen is voor deze rechtbank geen reden om nu niet tot een uitspraak te komen. De rechtbank vindt het uit het oogpunt van rechtsontwikkeling van belang om voorafgaand aan de behandeling van dat hoger beroep haar oordeel over de te volgen lijn in een uitspraak neer te leggen.

De rechtbank ziet in de motivering van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en in wat zij zelf heeft vastgesteld onder 5.3 reden om de lijn van de Afdeling niet langer te volgen. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland dat een beslistermijn van twee weken zonder dat daarbij een dwangsom wordt opgelegd geen reëel perspectief biedt. Uit de lijn van de Afdeling wordt niet duidelijk welke mogelijkheden rechtzoekenden hebben om zonder rechterlijke dwangsom af te dwingen dat de dienst uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechter. Daarmee wordt het opleggen van een beslistermijn zinledig. Dit staat op gespannen voet met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Daar komt bij dat een beslistermijn van twee weken zonder daaraan een dwangsom te verbinden het voor partijen mogelijk maakt om kort na de uitspraak een nieuw beroep tegen het niet tijdig nemen van dat besluit in te stellen, wat leidt tot een verdere overbelasting bij de dienst en de rechtbank. Dat de Afdeling haar lijn alleen in beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten om aanvullende schadevergoeding hanteert en deze lijn in andere beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten – in zaken waarin zij bevoegd is – niet wordt gehanteerd, vindt de rechtbank uit het oogpunt van rechtseenheid niet aan rechtzoekenden uit te leggen.

In haar uitspraken legt de rechtbank Midden-Nederland een beslistermijn op van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Deze termijnen bij elkaar opgeteld sluiten aan bij de gemiddelde doorlooptijd van dergelijke aanvragen in 2025 van ruim 118 weken. Een nadere beslistermijn van 66 weken geeft de indiener van beroepen tegen het niet tijdig beslissen enig uitzicht op een besluit en sluit bij de huidige stand van zaken zo goed mogelijk aan bij het in vaste rechtspraak gehanteerde criterium dat een nadere beslistermijn niet onnodig lang en niet onrealistisch kort mag zijn. Daarom zal de rechtbank bij die beslistermijn aansluiten.

Is op het moment van de uitspraak van de bestuursrechter die termijn al verstreken, dan hanteert de rechtbank een termijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De door partijen aangevoerde bijzondere omstandigheden kunnen reden zijn om van de voornoemde nadere beslistermijnen af te wijken. De rechtbank ziet verder (nog steeds) geen aanleiding om als algemene regel de periodes van de bedenktijd die ouders krijgen als zij na het indienen van een aanvraag nog niet weten welke schaderoute, via de CWS of een alternatief traject, zij willen kiezen en/of de wachttijd van ouders mee te tellen bij het bepalen van de nadere beslistermijn.

Toepassing in deze zaak

In deze zaak betekent dit het volgende. Zoals onder 4 is overwogen, had de dienst uiterlijk 19 mei 2026 op de aanvraag van eiser moeten beslissen. De in 5.3.3. bedoelde beslistermijn van 66 weken eindigt daarom op 24 augustus 2027. De rechtbank ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden, zodat de rechtbank de dienst daarom opdraagt om uiterlijk op 24 augustus 2027 een besluit op de aanvraag van eiser bekend te maken.

Welke dwangsom legt de rechtbank op aan de dienst?

6. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter hiervan afwijken.

In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat en toegelicht waarom onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak wordt verbonden op nihil moet worden gesteld. De rechtbank wijkt ook in dit geval af van de uitspraak van de Afdeling. Door de dwangsom op nihil te stellen wordt er feitelijk geen dwangsom opgelegd, waardoor rechtzoekenden geen enkele mogelijkheid meer hebben om de dienst tot besluitvorming te bewegen. De rechtbank erkent dat kan worden betwijfeld of het opleggen van een dwangsom voor de dienst een prikkel geeft om sneller te beslissen. Toch is het naar het oordeel van de rechtbank aan de wetgever om hier desgewenst verandering in te brengen. De wetgever heeft er niet voor gekozen om de dwangsomregeling in deze zaken buiten toepassing te laten en de rechtbank acht het dan niet haar taak om dit alsnog te doen.

De rechtbank bepaalt daarom in navolging van de uitspraak van 25 oktober 2024 van de rechtbank Midden-Nederland dat de dienst een dwangsom van € 50 moet betalen voor elke dag dat de dienst de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000.

De rechtbank beseft dat zij hiermee afwijkt van het beleid van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht over de hoogte van dwangsommen, namelijk een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000. Zij ziet echter reden om van dit beleid af te wijken. Voorop staat dat het doel van de dwangsom is om het bestuursorgaan te bewegen om verdere vertraging in de besluitvorming te voorkomen. De dwangsom is geen vorm van genoegdoening of een compensatie voor lang wachten op een beslissing. Het staat de rechter vrij om de hoogte van de dwangsom te bepalen, zolang hij daarbij redelijke grenzen in acht neemt. De wetgever heeft de rechter deze ruimte geboden, zodat de rechter de hoogte van de dwangsom op de omstandigheden van het geval kan afstemmen en daarbij het bestuursorgaan een effectieve prikkel kan opleggen om het besluit alsnog binnen de nadere termijn bekend te maken.

De dienst lijkt niet in staat om sneller te beslissen op de aanvragen. De dienst zal gelet op het grote aantal aanvragen in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag ook moeite hebben om binnen de door de rechtbank opgelegde termijn te beslissen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het opleggen van een dwangsom van € 100 per dag, in overeenstemming met het beleid, niet meer zinvol. In de praktijk komt het veel voor dat rechtzoekenden vervolgberoepen instellen. Hoewel het onwenselijk is dat aanvragers lang moeten wachten op beslissingen, acht ook deze rechtbank het onevenredig en maatschappelijk onwenselijk dat de dienst meermaals hoge bedragen aan dwangsommen ten aanzien van dezelfde aanvrager kan verbeuren. Omdat een dwangsom bedoeld is als effectieve prikkel voor de dienst om sneller te beslissen kan – met het bepalen van een langere beslistermijn – een (verlaagde) dwangsom nog steeds dat beoogde effect bereiken.

De rechtbank zal daarom in navolging van de rechtbank Midden-Nederland de hoogte van deze dwangsom bepalen op € 50 per dag met een maximum van € 15.000.

Hierdoor wordt het maximum niet al na 150 dagen maar pas na 300 dagen bereikt. Hiermee wordt de noodzaak tot het instellen van een herhaald beroep tegen het niet tijdig beslissen over hetzelfde uitblijvende besluit verminderd, maar wordt het middel om de dienst te bewegen een besluit te nemen niet volledig weggenomen. De rechtbank zal deze rechterlijke dwangsom ook toepassen in beroepen tegen het niet tijdig beslissen op andere aanvragen en bezwaren tegen besluiten die zijn genomen op grond van de Wht.

Hoeveel bedraagt de bestuurlijke dwangsom?

7. Eiser heeft verzocht om de al verschuldigde dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet tijdig neemt, moet het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De termijn van 42 dagen begint twee weken na 8 juni 2026, de ontvangst van de ingebrekestelling, te lopen. De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat de dienst de maximale dwangsom van € 1.442 verschuldigd is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de dienst de onder 5.4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de dienst de onder 6.3 genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de dienst al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 7 berekend.

Omdat het beroep gegrond is, moet de dienst het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarbij krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De dienst moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de dienst de beslistermijn heeft overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Beijerinck, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand