RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/274252-25
Datum uitspraak : 27 augustus 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. J.A.J. Brahm, advocaat in Berkel en Rodenrijs.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 28 mei 2025 tot en met 9 juni 2025 te Ermelo en/of Harderwijk en/of Amsterdam en/of Zaandam en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere bankpas(sen) en/of geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer €110.055,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan stichting steunfonds [stichting] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen bankpas(sen) en/of geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van
braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) middels de (weggenomen) voornoemde bankpas(sen) – waartoe verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren deze te gebruiken - een of meerdere geldbedrag(en) gepind en/of van de bankrekening (betaal- en/of spaarrekening) van die stichting steunfonds [stichting] afgeschreven/afgehaald.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel door te pinnen met een gestolen pinpas op 6 juni 2025 in Amsterdam tot een bedrag van in totaal € 11.836,16.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat ook ten aanzien van de transacties bij Dior op 6 juni 2025 onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat dat verdachte het tenlastegelegde samen en in vereniging heeft gepleegd. De verdediging verzoekt verdachte partieel vrij te spreken.
Beoordeling door de rechtbank
[persoon] deed namens het slachtoffer Stichting Steunfonds [stichting] (verder ook: de Stichting) aangifte. Met de bankpas van de Stichting waren in de periode van 3 juni 2025 tot en met 9 juni 2025 diverse onbekende transacties verricht in onder meer Amsterdam. In totaal was een bedrag van € 110.055,00 weggenomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij werd opgehaald door anderen en dat ze vervolgens samen naar Amsterdam zijn gereden. Hij kreeg van de anderen een pinpas en pincode. Hij wist dat die pinpas niet van hem of de anderen was. Hij moest bepaalde producten halen van Christian Dior en zou daar een vergoeding voor krijgen. Wat er precies gehaald moest worden, stemde hij met de opdrachtgevers af via de telefoon. In de eerste Dior-winkel was hij eerst even alleen en daarna met degene die hem erbij had gevraagd. In de andere winkels waren ze steeds samen. In de eerste Dior-winkel heeft hij betaald met de pas. In de tweede Dior-winkel en de Bijenkorf heeft hij kleding bekeken en foto’s gemaakt en heeft de ander betaald. Ze zijn ook samen weer naar huis gegaan. Het was allemaal op dezelfde dag.
De politie heeft verdachte herkend op beelden bij transacties bij Christian Dior op de P.C. Hooftstraat op 6 juni 2025 om 15:17 uur en bij Christian Dior op de Dam op 6 juni 2025 om 16:01 uur. Daar zijn bedragen van respectievelijk € 3.200,00 en € 1.800,00 gepind.
Door aangever is een overzicht geprint en aan de politie overhandigd van de betalingen van de rekening van de Stichting. Daarop staan de volgende betalingen op 6 juni 2025 in Amsterdam, steeds met dezelfde bankpas met pasnummer 085:
De rechtbank stelt vast dat verdachte niet heeft verklaard over zijn aanwezigheid die dag in JD Sports in Amsterdam. Ook overigens bevat het dossier geen bewijsmiddelen waaruit de aanwezigheid van verdachte in die winkel of anderszins betrokkenheid van verdachte bij de pinbetaling in deze winkel blijkt. Dat verdachte ook mededader was bij deze pinbetaling bij JD Sports kan dus niet worden bewezen.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich op 6 juni 2025 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel door met de bankpas van de Stichting betalingen te verrichten. Het bedrag van € 3.200,00 heeft hij zelf gepind. Ook ten aanzien van de overige op 6 juni 2025 verrichte pinbetalingen had verdachte een wezenlijke rol: hij ging mee de winkels in, maakte foto’s van verschillende luxegoederen in opdracht van de opdrachtgevers en onderhield contact met de opdrachtgevers over welke goederen dienden te worden aangeschaft. De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, nu verdachte door de mededaders vooraf werd opgehaald, ze samen optrokken in de winkels in Amsterdam en hij naderhand ook weer met hen mee naar huis ging. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in vereniging diefstal met een valse sleutel heeft gepleegd. De rechtbank concludeert dat verdachte betrokken was bij de diefstal van een totaalbedrag van € 30.269,16, zijnde de totaalsom van de betalingen op 6 juni 2025 in Amsterdam met uitzondering van de betaling bij JD Sports.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 6 juni 2025 te Ermelo en/of Harderwijk en/of Amsterdam en/of Zaandam en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere bankpas(sen) en/of geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer € 30.269,16), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan stichting steunfonds [stichting] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen bankpas(sen) en/of geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) middels de (weggenomen) voornoemde bankpas(sen) – waartoe verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren deze te gebruiken - een of meerdere geldbedrag(en) gepind en/of van de bankrekening (betaal- en/of spaarrekening) van die stichting steunfonds [stichting] afgeschreven/afgehaald.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht een straf op te leggen die past bij het aandeel dat verdachte heeft gehad.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel tot een totaalbedrag van € 30.269,16. Verdachte kreeg via een ander de beschikking over een bankpas en bijbehorende pincode van een stichting die een hospice financieel ondersteunt en heeft daarmee voor grote geldbedragen allerlei luxegoederen gekocht. Het hospice bestaat dankzij giften ten behoeve van mensen in hun laatste levensfase. De diefstal heeft grote impact gehad op de mensen die zich inzetten voor het hospice. Verdachte wist dat het niet pluis was en heeft desondanks, met enkel oog voor zijn eigen financiële gewin, het geld samen met anderen weggenomen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van Reclassering Nederland van 27 mei 2026. De reclassering constateert risicofactoren op het gebied van sociaal netwerk, financiën, houding en psychosociaal functioneren. Hij ging vanwege een gebrek aan inkomen in op het aanbod om kleding te kopen in ruil voor een geldbedrag. Hij was zich bewust van de strafbaarheid van het gedrag waardoor kan worden gesproken van een pro-criminele houding. Hier wenst verdachte verandering in te brengen. Momenteel is hij met behulp van het jongerenloket op zoek naar dagbesteding. Hij lijkt gebaat bij de structuur, regelmaat en een inkomen waar een dagbesteding hem in voorziet. Ook zou hij gebaat zijn bij het vergroten van zijn copingvaardigheden en zijn zelfinzicht. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en het inspannen voor het vinden van dagbesteding.
De rechtbank vindt het in de eerste plaats van belang te voorkomen dat verdachte in herhaling valt en zal in dat kader dan ook, zoals geëist door de officier van justitie, een deels voorwaardelijke straf opleggen, met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Gelet op de ernst van het bewezen feit en op het belang dat verdachte die voorwaarden ook daadwerkelijk nakomt, koppelt de rechtbank daaraan een zwaarder voorwaardelijk strafdeel dan geëist, te weten een gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke straf op zijn plaats en legt aan verdachte daarnaast dan ook een taakstraf op voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.
8. De beoordeling van de civiele vordering
Coöperatieve Rabobank U.A. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag van € 109.375,16 aan materiële schade, bestaande uit de schadeloosstelling à € 109.255,16 plus onderzoekskosten van € 120,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 11.836,16, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft bij dat bedrag rekening gehouden met het aandeel van verdachte bij het strafbare feit. Zij heeft verder verzocht te bepalen dat verdachte voor het bedrag van € 11.836,16 hoofdelijk aansprakelijk is met de medeverdachten.
De verdediging heeft zich vanwege de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering slechts toe te wijzen tot het aandeel van verdachte op 6 juni 2025.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Bewezen is verklaard dat verdachte in vereniging met anderen op 6 juni 2025 voor een totaalbedrag van € 30.269,16 heeft gestolen van de Stichting, door dit bedrag te pinnen (met een kennelijk door de daders verworven bankpas) zonder daartoe gerechtigd te zijn. Aangever heeft daarover verklaard dat hij – zonder daar om te vragen – een mailbericht van de bank had ontvangen dat de Stichting twee nieuwe passen zouden worden gestuurd, dat hij slechts één pas had ontvangen en dat hij vervolgens een mogelijke phishingmail heeft ontvangen. Deze gang van zaken is verder geen punt van discussie tussen partijen. De Rabobank heeft het gestolen geld aan de Stichting vergoed. De rechtbank is van oordeel dat de daardoor door de Rabobank ontstane schade in dusdanig verband staat met het (in vereniging gepleegde) onrechtmatig handelen van verdachte dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen dit handelen en de schade in de zin van artikel 361 Sv (vgl.: Hoge Raad 7 maart 2023; ECLI:NL:HR:2023:322). Dit is de schade waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Verder heeft de benadeelde partij gesteld als gevolg van het strafbare feit onderzoekskosten te hebben moeten maken tot een bedrag van € 120,00. Deze schadepost is niet betwist en komt de rechtbank redelijk voor. Ook dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van € 30.389,16 toe.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat sprake is van een onvoldoende rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde.
Verdachte is vanaf 16 juli 2025 wettelijke rente over het bedrag van € 30.269,16 verschuldigd. Dit is de datum waarop de Rabobank stichting steunfonds [stichting] schadeloos heeft gesteld en haar die betaling van € 30.269,16 heeft gedaan. Ten aanzien van de onderzoekskosten is niet gesteld per wanneer de wettelijke rente over dit bedrag zou zijn verschuldigd. De rechtbank zal de datum waarop wettelijke rente over dit bedrag is verschuldigd bepalen op (eveneens) 16 juli 2025.
De rechtbank overweegt ten slotte dat verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededader(s) voor het toegewezen schadebedrag van € 30.389,16 en dat zij dus ieder voor dit bedrag kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn mededader(s) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering bij Reclassering Nederland te Zaandam op het adres Vincent van Goghweg 73 , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, een opleiding of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
stelt als overige voorwaarden dat:
verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
legt op een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij
veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A. van € 30.389,16 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A. voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A. een bedrag te betalen van € 30.389,16 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 158 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag van € 30.389,16 betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.