uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 28 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 april 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak 2 november 2023 tot en met 29 oktober 2024 van € 2.066 en een verzuimboete van € 1.033 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Belanghebbende is van 4 september 2020 tot en met 1 november 2024 houder van een blauw motorrijtuig van het merk Volvo, type S met het kenteken [kenteken 1] (het motorrijtuig).
2. Van 24 mei 2023 tot en met 12 mei 2024 en van 13 mei 2024 tot en met 29 oktober 2024 was de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst.
3. Op 27 september 2024, om 17:33 uur, is geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg, op de Rijksstraatweg in Rijperkerk. Als bewijs van die constatering heeft de inspecteur een controleformulier met controlefoto’s overgelegd.
4. Tijdens de constatering van het weggebruik op 27 september 2024 was het motorrijtuig voorzien van ongeldig verklaarde handelaarskentekenplaten met het kentekennummer [kenteken 2] . In het motorrijtuig lagen op het moment van de constatering twee kentekenplaten met het kentekennummer [kenteken 1] .
5. Met dagtekening 25 december 2024 heeft de inspecteur een vooraankondiging naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende toegezonden. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief, ontvangen door de inspecteur op 16 december 2024.
6. Met dagtekening 21 januari 2025 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 2 november 2024 tot en met 29 oktober 2024 van € 2.066 en een verzuimboete van € 1.033 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
7. Met dagtekening 29 april 2025 heeft de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete onterecht zijn opgelegd. Daartoe voert belanghebbende aan dat in de naheffingsperiode slechts éénmaal met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg. In de periode van mei 2023 tot en met eind augustus 2024 stond het motorrijtuig zonder motor in de garage USA Cars/Cars and More, omdat het werd gebruikt voor een project gericht op de aanpak van milieuproblematiek van sterk vervuilende auto’s. Op het moment waarop het weggebruik werd geconstateerd, werd het motorrijtuig bestuurd door twee deelnemers met een grote sociale handicap van het dagbestedingsproject van de garage, terwijl belanghebbende hen er uitdrukkelijk van op de hoogte had gesteld dat met het motorrijtuig geen gebruik mocht worden gemaakt van de openbare weg. Belanghebbende had met hen afgesproken dat vervoer van het motorrijtuig uitsluitend met de door belanghebbende gehuurde autotrailer mocht plaatsvinden. Belanghebbende was er niet van op de hoogte dat op 29 september 2024 met het motorrijtuig van de openbare weg gebruik werd gemaakt en dat het was voorzien van ongeldig verklaarde handelaarskentekenplaten. Tot slot wijst belanghebbende erop dat bij een tweede projectauto een identieke boete door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is ingetrokken en dat zijn inkomen slechts bestaat uit AOW van € 1.024,62 en een aanvullend pensioen van € 156,04.
11. De inspecteur is van mening dat hij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Uit het controleformulier en de controlefoto’s blijkt namelijk dat tijdens de schorsingsperiode met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg. De geldigheid van de handelaarskentekenplaten waarvan het motorijtuig op dat moment was voorzien, was verlopen. De inspecteur heeft geen MRB nageheven over de perioden binnen het naheffingstijdvak waarin belanghebbende geen gebruik maakte van de schorsingsregeling en waarover belanghebbende al MRB heeft voldaan. Volgens de inspecteur is geen sprake van afwezigheid van alle schuld (avas), omdat niet is gebleken dat belanghebbende (voldoende) voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om het verzuim te voorkomen. Belanghebbende heeft de sleutels van het motorrijtuig onbeheerd achtergelaten. Ook blijkt nergens uit dat hij de medewerkers van de garage er expliciet op heeft gewezen dat het motorrijtuig geschorst was en niet op de openbare weg mocht worden gebruikt. Juist omdat de medewerkers die deelnemen aan het dagbestedingsproject een grote sociale handicap hebben, had belanghebbende extra voorzorgsmaatregelen moeten nemen. Tot slot stelt de inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot vernietiging dan wel matiging van de verzuimboete. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de motor van het motorrijtuig voor een bepaalde periode uit het motorrijtuig was verwijderd. Verder is de door het CJIB ingetrokken boete niet vergelijkbaar met de onderhavige boete, omdat het CJIB geen naheffingsaanslagen of fiscale verzuimboetes oplegt. De financiële omstandigheden van belanghebbende acht de inspecteur niet van dien aard dat de verzuimboete gematigd dient te worden. Hiertoe weegt de inspecteur de financiële situatie van de fiscaal partner van belanghebbende en het feit dat belanghebbende vijf auto’s op zijn naam heeft staan mee.
12. De rechtbank overweegt vooraf als volgt. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994) is het houden van een personenauto belast. Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB 1994 bepaalt dat er geen MRB hoeft te worden betaald indien gebruik gemaakt wordt van de schorsingsregeling. Een voorwaarde van die schorsingsregeling is dat tijdens de schorsing met het motorrijtuig geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg.
13. De MRB kan worden nageheven indien de schorsing eindigt, omdat gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin gebruik is gemaakt van de weg. Als voor een deel van deze periode al MRB is betaald, wordt de na te heffen belasting wel verminderd met de al betaalde belasting. Voor de naheffing van MRB is het echter niet van belang hoe lang gedurende de schorsing van het kenteken gebruik is gemaakt van de openbare weg. De inspecteur kan de belastingplichtige tegelijk met de naheffingsaanslag een verzuimboete opleggen.
14. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de naheffingsaanslag MRB terecht en naar de juiste hoogte heeft opgelegd. Uit het door de inspecteur overgelegde controleformulier en uit de controlefoto’s blijkt dat met het motorrijtuig op 27 september 2024 tijdens de schorsingsperiode van de openbare weg gebruik is gemaakt. Om die reden mocht de inspecteur de naheffingsaanslag MRB opleggen. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag MRB over de juiste tijdvakken opgelegd en daarbij geen MRB nageheven voor de periode waarin geen sprake was van gebruik van de schorsingsregeling (na 29 oktober 2024). De inspecteur heeft de naheffingsaanslag MRB dus niet te hoog vastgesteld.
15. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur ook terecht een verzuimboete opgelegd. Dit is echter anders als sprake is van avas. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de medewerkers van de garage, waaronder de deelnemers aan het dagbestedingsproject, er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat met het motorrijtuig geen gebruik mocht worden gemaakt van de openbare weg. Ook zou hij met hen hebben afgesproken dat eventueel vervoer van het motorrijtuig uitsluitend mocht plaatsvinden met de door hem gehuurde autotrailer. De rechtbank begrijpt de stellingen van belanghebbende zo, dat hij een beroep doet op avas.
16. Van avas is sprake indien een belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg in acht heeft genomen om te zorgen dat met het motorrijtuig geen gebruik zou worden gemaakt van de openbare weg. Op belanghebbende rust de last om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van avas.
17. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om te voorkomen dat met het motorrijtuig gebruik van de openbare weg zou worden gemaakt tijdens de schorsingsperiode en dat daarom sprake is van avas. Belanghebbende heeft zijn stellingen namelijk op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Juist omdat het gaat om personen met een sociale handicap, mag bovendien worden verwacht dat belanghebbende extra voorzorgsmaatregelen neemt. Het handelen van de dagbestedingsdeelnemers die werkzaam waren bij de garage kan daarom aan belanghebbende worden toegerekend.
18. Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat bij een andere projectauto een identieke boete door het CJIB is ingetrokken een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, oordeelt de rechtbank als volgt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Daarvan is in dit geval geen sprake. Een verkeersboete die wordt opgelegd wegens een verkeersovertreding en een fiscale boete die wordt opgelegd door de Belastingdienst wegens een fiscaal verzuim zijn geen gelijke gevallen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is daarom geen sprake.
19. De inspecteur heeft de hoogte van de verzuimboete overeenkomstig de wet- en regelgeving vastgesteld. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van belanghebbende echter dat hij stelt dat zijn beperkte financiële middelen in strafverminderende zin moeten worden meegewogen, in die zin dat hij niet in staat is om de verzuimboete te betalen. De rechtbank moet dit beoordelen met inachtneming van de financiële omstandigheden waarin belanghebbende ten tijde van de beroepsprocedure verkeert (‘ex nunc’). De bewijslast van de financiële omstandigheden ligt bij belanghebbende.
20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Ter zitting is gebleken dat de partner van belanghebbende ook AOW en pensioen ontvangt, dat belanghebbende enig saldo op zijn bankrekening heeft en dat vijf auto’s op zijn naam staan. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de financiële omstandigheden van belanghebbende als strafverminderende omstandigheid in aanmerking te nemen.
21. De rechtbank dient vervolgens wel nog te beoordelen of de verzuimboete passend en geboden is. Dat is het geval, omdat sprake is van een begunstigende regeling waar belanghebbende de voorwaarde van heeft geschonden en het boetebedrag in overeenstemming is met het verwijt dat belanghebbende kan worden gemaakt. De verzuimboete is dus niet te hoog. De hoogte van de boete draagt namelijk naar het oordeel van de rechtbank bij aan de inscherping van de fiscale verplichtingen van belanghebbende.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 28 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.