RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2274
en
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] )
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van het bedrijfspand op de Mheneweg Zuid 1B in Oldebroek .
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Verzoekers, de gemachtigden van het college en [persoon] namens vergunninghouder hebben deelgenomen aan deze zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen hebben, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 11 december 2025 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk aangevraagd ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijfspand op de Mheneweg Zuid 1B in Oldebroek . Deze aanbouw wordt gebruikt voor opslagdoeleinden. Voor het bouwplan is het ook nodig dat een vergunning wordt gegeven voor de technische bouwactiviteit, maar die had vergunninghouder niet aangevraagd. Het college en vergunninghouder hebben afgesproken dat de vergunningaanvraag ook geldt als een verzoek om de technische bouwactiviteit te verlenen.
Bij besluit van 23 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de technische bouwactiviteit verleend.
Wettelijk kader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouwactiviteit (als bedoeld in de artikelen 22.26, 22.27 en 22.28 van het omgevingsplan (de bruidsschat)). In die bepalingen worden bouwactiviteiten die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vergunningplichtig waren voor het bouwen onder de Omgevingswet vergunningplichtig voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hiermee wordt geborgd dat deze bouwactiviteiten, net als onder de Wabo, worden getoetst aan de ruimtelijke regels. Voor de meeste bouwwerken is dus een omgevingsvergunning nodig voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Bij deze activiteit wordt getoetst of het bouwwerk voldoet aan de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en of het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van het welstand. Daarnaast moet worden voldaan aan regels over het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op verontreinigde bodem.
Op het perceel waar de woning en het bijgebouw gerealiseerd worden, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Oldebroek Oude Dijk 2008’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Aalten. Op grond van het bestemmingsplan heeft de grond waar het bouwplan is voorzien de bestemming Bedrijventerrein - 2. Het bouwplan is in strijd met dit bestemmingsplan. Het bedrijf past niet namelijk binnen milieucategorie 3.1 (dit is in strijd met artikel 5.1), er wordt dichter dan 4 meter van de perceelgrens gebouwd (dit is in strijd met artikel 5.2, eerste lid, onder a) en de uitbreiding zorgt ervoor dat meer dan 60 % van het bouwvlak wordt bebouwd (dit is in strijd met artikel 5.2, eerste lid, onder c). Het bouwplan voldoet dus niet aan de binnenplanse voorwaarden uit het omgevingsplan. Als niet binnenplans kan worden afgeweken, dan moet het college beoordelen of het bouwplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden vergund. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat volgt uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl. Het college meent dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en heeft daarom een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor bouwen.
Opmerkingen vooraf
6. Verzoekers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat het onduidelijk is of de te bouwen bedrijfshal alleen gebruikt mag worden voor opslag of ook als showroom. Op zitting heeft het college toegelicht dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op opslag en dat de bedrijfshal niet voor andere doeleinden mag worden gebruikt. Ook vergunninghouder heeft toegezegd dat de bedrijfshal alleen gebruikt zal worden voor opslag. Verzoekers hebben aangegeven dat dit punt daarmee opgehelderd is. De voorzieningenrechter gaat hier in de uitspraak daarom niet verder op in.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
7. Verzoekers voeren aan dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verzoekers menen dat, het bedrijf niet past in de omgeving omdat het een milieucategorie 3.2 heeft en stellen dat het bedrijf qua ruimtelijke uitstraling niet overeenkomt met die van een 3.1 milieucategorie. Verder stellen verzoekers dat het hun logischer lijkt dat er eerst een omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit wordt aangevraagd. Ook voeren verzoekers aan dat de uitbreiding niet aansluit bij de bestaande bebouwing. De uitbreiding komt pal naast een bestaand idyllisch ogend kerkje, midden in een woonbuurtje. Ook vrezen verzoekers voor de verkeerssituatie. Verzoekers twijfelen of de aan- en afvoerroute Mheneweg Zuid richting Zuiderzeestraatweg en andersom een veilige route voor omwonenden is. Er rijden grote vrachtwagens op een smalle weg en weggebruikers lopen veel gevaar bij elkaar passerende voertuigen. Verzoekers gebruiken deze route vaak om met hun gehandicapte dochter naar opa/oma, naar het dorp, of naar elders te gaan. Ten slotte voeren verzoekers aan dat de vergunning niet in overeenstemming is met de aard, bedoeling, omvang en opzet van dit kleinschalige bedrijventerrein.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college alleen een omgevingsvergunning kan verlenen als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt beleidsruimte toe bij de beoordeling of daarvan sprake is. De voorzieningenrechter stelt dus niet zelf vast of de omgevingsvergunning al dan niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar beoordeelt of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uitbreiding van het bedrijfspand daar niet mee in strijd is.
Afwijking milieucategorie
8. Het bouwplan voorziet in het aanbouwen van een bedrijfspand voor opslagdoeleinden waardoor het bedrijf groter wordt dan de milieucategorie 3.1 die is toegestaan op grond van het omgevingsplan. Het bedrijf wordt namelijk milieucategorie 3.2 (timmerwerkbedrijf groter dan 200 m2). Verzoekers hebben op zitting toegelicht dat zij voornamelijk vrezen voor geluidsoverlast als gevolg van extra vrachtverkeer. Zij menen dat, als gevolg van de extra opslagruimte, meer vrachtwagens af en aan zullen rijden. Het geluidsonderzoek dat bij deze omgevingsvergunning is gevoegd dateert van 20 september 2019 en de nieuwe ontwikkeling is hier niet in meegenomen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het geluidsonderzoek waar verzoekers op wijzen is uitgevoerd in het kader van een eerdere aanvraag van een omgevingsvergunning in 2019. Deze omgevingsvergunning is verleend en heeft betrekking op het in afwijking van het bestemmingsplan in gebruik hebben van een productiewerkplaats met een productieoppervlak groter dan 200 m2 door het plaatsen van een houtbewerkingsmachine op het perceel Mheneweg Zuid 1B in Oldebroek. Het geluidsonderzoek maakt uitdrukkelijk onderdeel uit van die omgevingsvergunning. In het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van 30 vrachtwagenbewegingen per dag. Het geluid dat een dergelijk aantal verkeersbewegingen wordt veroorzaakt is dus reeds toegestaan op grond van de omgevingsvergunning uit 2019. Vergunninghouder heeft op zitting toegelicht dat er op dit moment minder dan 30 transportbewegingen plaatsvinden en dat er ook in de toekomst niet meer dan 30 vrachtwagenbewegingen zullen plaatsvinden. Ook het college gaat ervan uit dat vergunninghouder qua geluid blijft binnen de geluidsruimte van het akoestisch onderzoek uit 2019. Met het bestreden besluit heeft het college dus geen verruiming beoogd op dit gebied. Gelet daarop heeft deze grond geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter raadt het college echter wel aan, ook in het kader van rechtszekerheid, om dit in de beslissing op bezwaar te borgen met een vergunningvoorschrift.
Stikstof
9. Ten aanzien van het aspect stikstof overweegt de voorzieningenrechter dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. De onlosmakelijkheid zoals die gold onder de Wabo, is onder de Omgevingswet komen te vervallen. Vergunninghouder heeft de natura 2000-activiteit niet aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland en er is ook geen wettelijke verplichting om deze activiteit eerst aan te vragen.
Uiterlijk bebouwing
10. In het bestreden besluit heeft het college terecht toegelicht dat het plangebied een welstandsvrij gebied is en dat er dus geen regels gelden voor het uiterlijk van bouwwerken. Ook al zou de bebouwing zoals verzoekers menen niet aansluiten bij de omgeving, dan mag het college de omgevingsvergunning niet om die reden weigeren.
Verkeer(sveiligheid)
11. Op zitting hebben verzoekers toegelicht dat zij op dit moment al verkeersonveilige situaties ervaren als gevolg van af- en aanrijdende vrachtwagens. Zoals onder 8.1 is overwogen, neemt het aantal vrachtbewegingen niet toe als gevolg van deze verleende omgevingsvergunning.
Nog daargelaten of verkeersveiligheid überhaupt betrokken moet worden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is het gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden dat deze omgevingsvergunning gaat zorgen voor meer verkeersonveilige situaties.
Kleinschaligheid bedrijventerrein
12. Verzoekers voeren aan dat uit de toelichting bij bestemmingsplan volgt dat het gaat om een kleinschalig bedrijventerrein en dat de uitbreiding afbreuk doet aan het kleinschalige karakter. De voorzieningenrechter overweegt dat in de planregels geen bepaling is opgenomen waaruit volgt dat alleen een kleinschalig bedrijventerrein planologisch is toegestaan. Dat betekent dat het college in het kader van deze vergunning niet hoefde te beoordelen of het bedrijventerrein zijn kleinschalige omvang behoudt. Dat in de plantoelichting is opgenomen dat het bedrijventerrein kleinschalig is, maakt dit niet anders. De plantoelichting is juridisch niet bindend.
Tussenconclusie over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties
13. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bezwaargrond heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen redelijke kans van slagen.
Heeft er voldoende participatie plaatsgevonden?
14. Verzoekers stellen dat zij totaal niet betrokken zijn bij het plan. Zij vinden het onbegrijpelijk dat het college stelt dat er voldoende aandacht is besteed aan het betrekken van belanghebbenden.
Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Voor de gemeente Oldebroek heeft de gemeenteraad in zijn beleid vastgelegd dat voor alle omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht aan participatie moet worden gedaan. Dat betekent dat vergunninghouder dus ook voor dit project (verplicht) aan participatie heeft moeten doen. De wetgever heeft echter niet bepaald wanneer er (bij verplichte participatie) sprake is van onvoldoende participatie.
De voorzieningenrechter neemt aan dat in die gevallen dat participatie verplicht is gesteld, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie.
Op zitting heeft het college toegelicht dat vergunninghouder overleg heeft gevoerd met vertegenwoordigers van de nabijgelegen kerk, en dat ook aan noordoostzijde buren zijn betrokken bij het plan. Het college vond dat voldoende, ook omdat het om een kleine afwijking gaat en de omwonenden aan de kant van de afwijking zijn betrokken. Hoewel er in het procesdossier geen stukken zijn opgenomen waaruit blijkt of en zo ja op welke manier aan participatie is gedaan, heeft de voorzieningenrechter geen reden om hieraan te twijfelen. De voorzieningenrechter raadt het college echter wel aan om deze stukken alsnog aan te leveren in de bezwaarprocedure, en om in de beslissing op bezwaar een nadere motivering op te nemen voor wat betreft dit punt.
Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat zij niet zijn betrokken bij het plan, overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Vergunninghouder heeft op zitting toegelicht dat hij bij verzoekers heeft aangebeld om het plan toe te lichten. Hij trof alleen verzoekster aan, en heeft aangegeven het plan toe te willen lichten als verzoeker ook thuis is. Vergunninghouder heeft zijn telefoonnummer achtergelaten. Verzoekers hebben nadien geen contact meer opgenomen met vergunninghouder.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft vergunninghouder voldoende inspanning verricht om verzoekers te betrekken bij het plan. Het is hun eigen keuze geweest geen contact op te nemen. Ook anderszins is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat te weinig aan participatie is gedaan.
De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: