RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12195785 \ CV EXPL 26-3536
Vonnis in verzet van 12 augustus 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V. H.O.D.N. BEWUZT VAN VGZ,
te Arnhem,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. Heijink.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 januari 2026 met productie 1 tot en met 4,- het verstekvonnis van 18 februari 2026 met zaaknummer 12088642 \ CV EXPL 26-1296,- de verzetdagvaarding van 13 april 2026 met productie 1 tot en met 4,- de conclusie van antwoord in oppositie met productie 1 en 2,- de conclusie van repliek in oppositie, tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie met productie 5,
- de conclusie van dupliek in oppositie met productie 3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
VGZ heeft gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van 184,69, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over een bedrag van € 129,90 vanaf 25 december 2025 tot de dag van volledige betaling en de proceskosten en de nakosten.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van VGZ volledig toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.
[gedaagde] vordert in het verzet hem te ontheffen van de veroordeling bij het verstekvonnis van 18 februari 2026 en de dagvaarding alsnog nietig te verklaren, dan wel de vorderingen van VGZ alsnog af te wijzen. Verder vordert [gedaagde] in reconventie de veroordeling van VGZ om binnen 24 uur na dit vonnis over te gaan tot opheffing van het op 7 april 2026 onder Stabiton B.V. ten laste van [gedaagde] gelegde executoriaal derdenbeslag, alsmede eventuele overige ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen, zulks met een last onder dwangsom van € 200,00 per dag of gedeelte daarvan dat VGZ deze veroordeling niet nakomt, alsmede tot terugbetaling van een onverschuldigd betaald bedrag van € 125,40, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis.Ten slotte vordert [gedaagde] in conventie en in reconventie de veroordeling van VGZ primair tot betaling aan [gedaagde] binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis van de door hem gemaakte reële proceskosten, subsidiair veroordeling in de geliquideerde proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na betekening van dit vonnis en primair en subsidiair in de nakosten en het nasalaris te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de dag van betekening van dit vonnis.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.
[gedaagde] was verzekerd bij VGZ. Tussen partijen is in geschil of de premie over de maand maart 2025 is betaald. Volgens [gedaagde] is dit het geval. VGZ betwist dit en geeft aan dat de betaling is gestorneerd. Het verweer van [gedaagde] dat de premie is betaald betreft een bevrijdend verweer. Het is daarom aan [gedaagde] om te stellen en zo nodig nader te onderbouwen en te bewijzen dat hij de premie over maart 2025 heeft betaald. Dat heeft [gedaagde] gedaan door bankafschriften te overleggen waarop afschrijvingen op 4 maart 2025, 27 maart 2025 en 28 april 2025 te zien zijn. VGZ betwist de betaling van 4 maart 2025 te hebben ontvangen. Deze is door de bank gestorneerd, waardoor deze mogelijk in eerste instantie wel is afgeschreven maar nooit is doorgestort naar VGZ. VGZ geeft aan dat er in maart 2025 problemen waren met de Spaanse bank waarvan zij de premies van [gedaagde] en een aantal andere klanten incasseerde. Al deze betalingen werden gestorneerd, terwijl het bedrag kennelijk wel bij de klant was afgeschreven en pas na enige tijd weer werd teruggeboekt.
De kantonrechter is van oordeel dat VGZ het verweer van [gedaagde] daarmee voldoende gemotiveerd heeft betwist. In het licht van deze betwisting heeft [gedaagde] zijn verweer onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken kan immers niet worden opgemaakt dat de betaling VGZ ook daadwerkelijk heeft bereikt, terwijl evenmin voldoende inzicht is gegeven om te kunnen concluderen dat de betaling niet is teruggestort.
Het verstekvonnis wordt daarom bekrachtigd.
Gelet op de uitkomst in conventie wordt de in reconventie gevorderde veroordeling van VGZ tot opheffing van het gelegde derdenbeslag afgewezen.
[gedaagde] heeft verder nog een bedrag van € 125,40 als onverschuldigd betaald teruggevorderd. Volgens hem heeft hij de overeenkomst met VGZ opgezegd per 31 december 2025, waarna op 29 januari 2026 nog een premiebedrag van € 125,40 is afgeschreven. Dit terwijl de overeenkomst is geëindigd per 1 januari 2026 en de automatische incasso over december 2025 al op 27 november 2025 had plaatsgevonden. VGZ betwist dat er sprake is van een onverschuldigde betaling. Voor zover er al een betaling heeft plaatsgevonden, is gesteld noch gebleken waar deze betaling op ziet. Bovendien is geen bewijs van betaling in het geding gebracht. Daarmee blijkt niet dat deze betaling zonder rechtsgrond door VGZ is behouden. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om een overzicht in het geding te brengen van de door hem verrichte betalingen. De kantonrechter is van oordeel dat, aangezien de vordering door VGZ wordt betwist en door [gedaagde] op geen enkele wijze is onderbouwd, niet vast komt te staan dat sprake is van een onverschuldigd door [gedaagde] aan VGZ betaald bedrag. De vordering wordt om die reden afgewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het verzet en in reconventie betalen. De kosten van VGZ in het verzet worden begroot op € 43,00 (1 punt) aan salaris voor de gemachtigde. De kosten van VGZ in reconventie worden, gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie begroot op € 43,00 (1 punt) aan salaris voor de gemachtigde.
4. De beslissing
De kantonrechter
in het verzet
bekrachtigt het verstekvonnis van 18 februari 2026 met zaaknummer 12088642 \ CV EXPL 26-1296,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure van € 43,00 aan salaris voor de gemachtigde,
in de reconventie
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de reconventie van € 43,00 aan salaris voor de gemachtigde,
in het verzet en in de reconventie
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
918 \ 66349