RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van
Catering Culinair B.V. uit Nunspeet, eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5604
in de zaak tussen
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: mr. R. Spanjer, mr. M.J. Kooistra en mr. Ö. Kaya-Yazici).
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het beroep van eiseres voldoet aan de door de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen daarvan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat niet gebleken is van een rechtsgeldige vertegenwoordiging door [persoon 1] dan wel [persoon 2] , werkzaam bij [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 3 juni 2024, ontvankelijk is.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [persoon 2] en de gemachtigden van het UWV deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroep niet aan de door de wet gestelde vereisten voldoet om in behandeling te nemen. Eiseres heeft onvoldoende documenten aangeleverd om de rechtsgeldige vertegenwoordiging door [persoon 1] dan wel [persoon 2] , werkzaam bij [bedrijf] te kunnen vaststellen en zij heeft dit ook niet (tijdig) hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Toetsingskader
4. Een machtiging is een schriftelijke toestemming waarmee een gemachtigde namens een partij in een rechtszaak mag optreden. Iemand die namens een ander beroep instelt, zoals voor een rechtspersoon, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat diegene namens die ander beroep mag instellen. De rechtbank vraagt om zo’n machtiging om zeker te weten dat degene die namens een partij optreedt, hier ook daadwerkelijk toestemming voor heeft gekregen. Dit voorkomt misverstanden en beschermt de rechtspositie van alle betrokkenen.
Er is een aantal vereisten waar een machtiging aan moet voldoen. Zo moet het duidelijk zijn wie de volmacht verleent (de volmachtgever), wie er gemachtigd wordt (de gemachtigde) en wat de inhoud van de volmacht is. Daarnaast is er een handtekening van de volmachtgever vereist en moet er een datum op de machtiging staan. De gemachtigde hoeft de machtiging dus niet te ondertekenen, maar de naam van de gemachtigde moet wel op de machtiging staan. Als de naam van de gemachtigde niet op de machtiging staat, dan kan de rechtbank uit de machtiging niet afleiden dat die persoon gemachtigd is. De naam van de organisatie waarvoor de gemachtigde werkt is dus niet voldoende. Ook de naam van de bestuurder van deze organisatie is niet voldoende, tenzij het de bedoeling was om deze bestuurder als gemachtigde aan te stellen.
Dat is anders als er een verklaring is van de daartoe bevoegde bestuurders van deze organisatie dat de persoon die als gemachtigde optreedt, daartoe is aangewezen. Deze verklaring dient dan als aanvulling op de over te leggen machtiging. Als de rechtbank beschikt over een doorlopende lijst met medewerkers die bevoegd zijn om vanuit de organisatie als gemachtigde van belanghebbenden op te treden, dan hoeft deze verklaring niet in ieder beroep apart te worden ingediend.
Degene die de volmacht feitelijk verleent, is altijd een natuurlijke persoon. Als voor een rechtspersoon beroep wordt ingesteld mag de rechtbank verlangen dat een schriftelijke machtiging wordt overgelegd ter vaststelling of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde rechtspersoon aandient daartoe werkelijk bevoegd is. In deze gevallen moet de machtiging ondertekend worden door de bestuurder(s) of gevolmachtigde(n) van deze rechtspersoon. Dan is het nodig om een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) over te leggen om de bevoegdheid van de bestuurder(s) of gevolmachtigde(n) aan te tonen. Het kan ook nodig zijn om de statuten van die rechtspersoon over te leggen, bijvoorbeeld als er sprake is van een gezamenlijke bevoegdheid van bestuurders en er voor de inhoud van die bevoegdheid wordt verwezen naar de statuten.
Als degene die namens een ander beroep instelt desgevraagd niet kan aantonen dat die gemachtigd is, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit mag de rechtbank (alleen dan) doen als de rechtbank degene die beroep heeft ingesteld schriftelijk heeft gevraagd om alsnog een (juiste) schriftelijke machtiging en/of onderliggende documenten in te dienen én diegene daarop niet (tijdig) reageert of het verzuim niet (tijdig) hersteld. Met andere woorden: de rechtbank moet degene die beroep heeft ingesteld de mogelijkheid geven om het in eerste instantie niet indienen van een (juiste) schriftelijke machtiging en/of onderliggende documenten te herstellen.
Is in deze zaak (tijdig) een juiste schriftelijke machtiging toegestuurd?
5. Het beroepschrift is ingediend door [persoon 1] . Zij doet dit namens eiseres, een rechtspersoon. Zij heeft bij het beroepschrift een schriftelijke machtiging, gedateerd 3 november 2025, een uittreksel van het handelsregister van de KvK van Veritas Beheer B.V. uit Harderwijk en de statuten van Veritas Beheer B.V. overgelegd. Uit de machtiging blijkt niet dat [persoon 1] namens eiseres gemachtigd is om dit beroep in te stellen. In de schriftelijke machtiging zijn namelijk [directeur 1] en [directeur 2] , directeuren van [bedrijf] , gemachtigd om namens eiseres op te treden, en niet [persoon 1] . Daarnaast is de volmacht verleend door [persoon 3] . Uit de KvK-stukken kan de rechtbank niet opmaken dat [persoon 3] bevoegd is om een volmacht te verlenen voor eiseres. De rechtbank heeft [bedrijf] , ter attentie van [persoon 1] , met de brief van 23 maart 2026 verzocht om binnen twee weken een schriftelijke machtiging te overleggen waarop de naam [persoon 1] staat en waaruit blijkt dat zij de belangen van eiseres mag behartigen. Ook heeft de rechtbank hierbij verzocht om de KvK-stukken en statuten van eiseres te overleggen.
De rechtbank heeft op 31 maart 2026 een e-mailbericht ontvangen van [persoon 1] . Daarin geeft [persoon 1] aan dat zij niet bevoegd is om machtigingen te ondertekenen en dat de eerder overgelegde schriftelijke machtiging de standaard machtiging is die [bedrijf] gebruikt voor beroepsprocedures en dat de directeuren van [bedrijf] hiervoor tekenen. Op 10 april 2026 heeft de rechtbank telefonisch contact gehad met [persoon 1] inzake verschillende beroepen die door [persoon 1] zijn ingediend. Daarin is toegelicht waar een machtiging aan moet voldoen en dat het niet vereist is dat [persoon 1] de machtiging zelf ondertekent, maar dat het voor de geldigheid van de machtiging wel nodig is dat de naam van [persoon 1] op de machtiging is genoemd. Vervolgens heeft de rechtbank op 13 april 2026 in navolging van het telefoongesprek een format machtiging opgestuurd naar [persoon 1] . Dit format is diezelfde dag aan de rechtbank teruggestuurd met daarop een datum en een handtekening zonder naam.
Met de brief van 3 juni 2026 is [persoon 1] nogmaals verzocht om binnen twee weken een juiste machtiging te overleggen waaruit volgt dat zij de belangen van eiseres mag behartigen. Daarin is vermeld dat als hieraan niet wordt voldaan, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Met de brief van 9 juni 2026 heeft [persoon 1] laten weten dat de machtiging waarom de rechtbank verzoekt niet aangeleverd kan worden, maar dat het de bedoeling is geweest om [directeur 2] en [directeur 1] als gemachtigden aan te stellen en het beroep in opdracht van hen is ingediend.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 10 november 2010 geoordeeld dat indien (hoger) beroep wordt ingesteld namens een niet-natuurlijke persoon en niet binnen de gestelde termijn een (juiste) machtiging wordt verstrekt, toch wordt aangenomen dat het (hoger) beroep bevoegdelijk is ingesteld indien binnen de termijn voor het overleggen van een machtiging een griffierechtbetaling binnen komt op naam van de betrokken niet-natuurlijke persoon. De rechtbank heeft in navolging van deze zogenoemde ‘Bavaria-lijn’ navraag gedaan bij het Landelijk Dienstcentrum voor de Rechtspraak naar de betalingsgegevens van het griffierecht. Uit deze gegevens volgt dat het griffierecht niet door eiseres is betaald, maar door [bedrijf] . Ook hieruit kan dus niet worden afgeleid dat [persoon 1] bevoegd is om de belangen van eiseres te behartigen.
Op de zitting is [persoon 2] , ook werkzaam bij [bedrijf] , verschenen. Zij heeft daar toegelicht dat er sprake was van een interne miscommunicatie en dat er daarom niet tijdig een juiste machtiging is overgelegd. [persoon 2] heeft vervolgens een “verklaring bevoegdheid” overgelegd als aanvulling op de eerder overgelegde machtiging (de rechtbank begrijpt: van 3 november 2025). Hierop staat dat [directeur 2] en [directeur 1] verklaren dat [persoon 1] en [persoon 2] werkzaam zijn bij [bedrijf] en tot welke werkzaamheden zij bevoegd zijn. [persoon 2] heeft ter zitting verklaard dat het de bedoeling is dat zij als gemachtigde in deze zaak zal optreden.
De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende “verklaring bevoegdheid” het gebrek dat de naam van de gemachtigde niet op de machtiging genoemd staat herstelt. De rechtbank heeft echter geen KvK-stukken en statuten van eiseres ontvangen, ook niet nadat [bedrijf] bij brief van 23 maart 2026 de gelegenheid heeft gekregen om dat gebrek te herstellen, maar slechts die van Veritas Beheer B.V. Uit de overgelegde stukken volgt dus nog steeds niet dat [persoon 3] bevoegd was om [bedrijf] (zijnde [directeur 2] en [directeur 1] ) te machtigen om de belangen van eiseres te behartigen. Zoals de rechtbank op de zitting nogmaals heeft uitgelegd, betekent dit dat de rechtbank niet kan vaststellen of de overgelegde machtiging, aangevuld met de “verklaring bevoegdheid”, door een bevoegd persoon verleend is. De rechtbank kan de rechtsgeldige vertegenwoordiging van eiseres door [bedrijf] niet vaststellen.
Is het niet (tijdig) toesturen van een juiste schriftelijke machtiging verontschuldigbaar?
6. De rechtbank heeft [bedrijf] meermaals de kans gegeven om een juiste machtiging en onderliggende stukken te overleggen en deze zijn niet ontvangen. [persoon 2] heeft tijdens de zitting geen punten naar voren gebracht waaruit blijkt dat het niet mogelijk was om tijdig de juiste machtiging en KvK-stukken (en statuten) over te leggen. Dat er sprake was van een interne miscommunicatie en dat [persoon 1] niet tekenbevoegd is, vormt geen verontschuldiging voor het niet tijdig herstellen van het geconstateerde gebrek in de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van de gemachtigde om tijdig de juiste stukken te overleggen waaruit kan worden afgeleid dat hij of zij door de (bevoegde vertegenwoordiger van de) rechtspersoon gemachtigd is. Er is daarom niet gebleken van een verontschuldiging voor het niet tijdig toesturen van een juiste schriftelijke machtiging.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Beijerinck, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.