[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
en
de burgemeester van de gemeente Lingewaard
(gemachtigden: [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).
Inleiding
1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Dat verzoek is gericht tegen de door de burgemeester aan verzoekers opgelegde last onder dwangsom (een gedragsaanwijzing) wegens ernstige en herhaaldelijke overlast die verzoekers veroorzaken in en rondom hun woning.
Met het bestreden besluit van 27 juli 2026 heeft de burgemeester de last onder dwangsom opgelegd. Verzoeker hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester hebben hieraan deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak wordt hieronder weergegeven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst waar deze zaak over gaat. Daarna zet hij kort het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk reden zijn om de last onder dwangsom bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekers wonen in een huurwoning aan [adres] in [woonplaats] . De burgemeester ontvangt al jaren meerdere meldingen over het gedrag van verzoekers in en rondom hun woning. Volgens de burgemeester zijn de meldingen in 2024 zodanig toegenomen dat de gemeente dagelijks meldingen, foto’s, filmpjes en/of geluidsopnamen ontvangt van buurtbewoners, handhavers, politie of anderen. Dit heeft ertoe geleid dat de burgemeester op 1 november 2024 een waarschuwing heeft gegeven aan verzoekers die zoveel inhield dat als zij (woon)overlast blijven veroorzaken, de burgemeester gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom (een gedragsaanwijzing) op te leggen.
Voor zover in deze zaak relevant, heeft de burgemeester op 13 februari 2025 ook de verhuurders van de woning van verzoekers gewaarschuwd om de woonoverlast te doen stoppen. Dit heeft geleid tot een kort geding, waarin de verhuurder ontruiming van de huurwoning vorderde. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen, omdat de tekortkomingen aan de zijde van verzoekers niet zodanig ernstig zijn dat met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen.
In de periode tussen september 2025 en juli 2026 ontvangt de burgemeester weer diverse meldingen van woonoverlast vanuit de woonomgeving. Zo heeft zij meerdere meldingen gekregen over vele luidruchtige ruzies tussen verzoekers onderling waar regelmatig de politie bij is gekomen. Daarnaast ontving de burgemeester meldingen over loslopende honden en scheld- en schreeuwpartijen, zowel vanuit de woning en erf als op straat. Ook deed zich op maandag 6 juli 2026 een dreigende, intimiderende situatie voor tussen verzoekers en hun buren bij het tankstation Shell aan de Ir. Molsweg in [woonplaats] . Verzoekers hebben de waarschuwing van 1 november 2025 volgens de burgemeester dan ook niet opgevolgd en bij brief van 16 juli 2026 heeft de burgemeester haar voornemen geuit om handhavend op te treden door een last onder dwangsom (een gedragsmaatregel) op te leggen. Bij besluit van 27 juli 2026 heeft de burgemeester hier definitief toe besloten. Deze last houdt in dat verzoekers de (woon)overlast die zij veroorzaken, direct moeten stoppen en gestopt moeten houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer met een maximum van € 3000,-. Zij kunnen de (woon)overlast, samengevat weergegeven, stoppen en gestopt houden door:
- niet luidruchtig ruzie te maken;
- niet te schreeuwen en/of schelden naar omwonenden of bezoekers aan hun adres;
- geen omwonenden, bezoekers of andere gebruikers van de woning te bedreigen, intimideren of anderszins agressief te benaderen;
- ervoor te zorgen dat hun honden geen (geluids)overlast veroorzaken.
Wettelijk kader
4. Verzoekers moeten als bewoners van hun huis ervoor zorgen dat er geen ernstige of herhaaldelijke hinder is voor omwonenden door gedragingen in of vanuit hun woning of erf. De burgemeester kan handhavend optreden tegen woonoverlast. De burgemeester heeft een beleidsregel opgesteld voor de uitoefening van zijn bevoegdheid om te handhaven bij woonoverlast. Het beleid is dat eerst wordt geprobeerd woonoverlast te beëindigen door middel van een gesprek met de overlastgever, buurtbemiddeling of een gesprek aan huis door hulpverlenging of politie. Indien dit tot onvoldoende resultaat leidt, volgt een waarschuwing. Als na de waarschuwing de woonoverlast niet stopt, dan deelt de burgemeester een voornemen tot opleggen van een last onder dwangsom mee. Als de zienswijze niet leidt tot andere inzichten, legt de burgemeester een last onder dwangsom of bestuursdwang op. De burgemeester kan stappen overslaan, als de feiten hiertoe aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld bij een acute situatie of in geval van recidive.
Is de overtreding voldoende aangetoond?
5. Verzoekers voeren – kort samengevat – aan dat de overtreding onvoldoende is aangetoond. Zij stellen in dat kader dat het bestreden besluit enkel gebaseerd is op eenzijdige meldingen en opnames van buren waarmee zij langdurig in conflict zijn. Ook stellen verzoekers dat politie en handhaving de afgelopen tien maanden geen overtredingen
constateerden.
De door de burgemeester opgelegde last onder dwangsom is een belastend besluit. Gelet hierop rust op haar de last om aannemelijk te maken dat verzoekers vanuit hun woning ernstige en herhaaldelijke overlast voor omwonenden hebben veroorzaakt (zo volgt uit artikel 2:79 van de Apv). Uit de beleidsregel volgt verder dat de burgemeester moet beschikken over een deugdelijk dossier, omdat dossieropbouw een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de rechtmatige toepassing van de bevoegdheid van artikel 2:79 van de APV. Bij ernstige herhaaldelijke woonoverlast geldt, zo blijkt uit de beleidsregel, dat dit objectief en aantoonbaar moet zijn. Uit de definities in de beleidsregel blijkt dat daarvan sprake is als het is gestaafd met feitelijke gegevens op basis van waarnemingen, al dan niet in combinatie met metingen. Uit rechtspraak volgt ook dat de burgemeester, zeker in situaties waarin sprake is van ernstig verstoorde verhoudingen tussen buren, zich moet baseren op eigen waarnemingen ter plaatse van gemeentelijke toezichthouders of politieagenten en kan zij haar besluit dus niet enkel baseren op meldingen van de betrokken buren en filmpjes van deze buren.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het dossier voornamelijk meldingen van omwonenden bevat. Bij die meldingen zijn filmpjes gevoegd, die ook onderdeel uitmaken van het dossier. De voorzieningenrechter acht het weliswaar niet fraai wat op deze filmpjes te zien en te horen is, en ook de rol van verzoekers verdient niet de schoonheidsprijs, maar deze meldingen en filmpjes zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende objectief. Voor de meeste filmpjes geldt daarnaast dat niet is vast te stellen wanneer deze zijn gemaakt en ontbreekt de context, dus wat voorafgaand aan en na afloop van het incident dat op de beelden is te zien heeft plaatsgevonden. Naast deze meldingen en filmpjes bevat het procesdossier geen processen-verbaal of controlerapporten waaruit blijkt dat de overlast door politie of toezichthouders zelf is waargenomen. Mogelijk zijn die waarnemingen er ook niet. De wijkagent heeft tenslotte op zitting bij de kantonrechter inzake het kort geding, die plaatsvond op 17 juni 2025, verklaard dat hij de overlast nooit zelf heeft kunnen constateren. Niet gebleken is dat dit nadien is veranderd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er op dit moment dan ook onvoldoende objectief bewijs voorhanden om aannemelijk te maken dat ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt, te meer omdat ook in dit geval sprake is van een verstoorde verhoudingen tussen verzoekers en meerdere omwonenden.
De burgemeester heeft weliswaar een tijdlijn aangeleverd waarop alle meldingen en constateringen zijn weergegeven die betrekking hebben op verzoekers, maar dat maakt het voorgaande niet anders. Deze tijdlijn bevat eveneens geen concrete waarnemingen van de politie en/of toezichthouders. De tijdlijn bevat in feite niet meer dan een opsomming van meldingen die over verzoekers zijn gedaan en welke actie daarop is ondernomen. De burgemeester heeft er op zitting verder nog op gewezen dat er wel een bestuurlijke rapportage is opgesteld, maar dat zij deze niet mag verstrekken van de politie. De voorzieningenrechter heeft daar op zitting over opgemerkt dat in veel zaken die hij ziet de bestuurlijke rapportage wel wordt ingebracht, eventueel met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. Omdat deze bestuurlijke rapportage geen onderdeel uitmaakt van het dossier en op dit moment dus niet kenbaar is voor de voorzieningenrechter, kan hij deze informatie daarom niet betrekken bij zijn oordeel.
Samengevat staat het op dit moment naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende vast dat op basis van op eigen waarnemingen ter plaatse van gemeentelijke toezichthouders of politieagenten zich herhaaldelijk ernstige overlast heeft voorgedaan. Dat betekent dat op dit moment niet vaststaat dat de burgemeester bevoegd is om handhavend op te treden. De burgemeester kan dit motiveringsgebrek (mogelijk) herstellen in de beslissing op bezwaar, bijvoorbeeld door alsnog een bestuurlijke rapportage aan te leveren en de daarin opgenomen informatie te betrekken bij de beslissing op bezwaar. Maar omdat op dit moment onvoldoende duidelijk is wat daarin staat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Omdat deze bezwaargrond een redelijke kans van slagen heeft en de voorzieningenrechter daarin al reden ziet om een voorlopige voorziening te treffen, worden de andere bezwaargronden van verzoekers niet beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de burgemeester het door verzoekers betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026 door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: