RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.106984.26
Datum uitspraak : 27 augustus 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. W.R. Gorseling, advocaat in Cuijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Groenestraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- in strijd met artikel 62 jo. 71 sub b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet is gestopt voor rood knipperlicht bij overweglichten en/of
- in strijd met artikel 19 van het voornoemd reglement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor haar (nagenoeg) stilstaande bestuurster van een bromfiets,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Groenestraat,
- in strijd met artikel 62 jo. 71 sub b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet is gestopt voor rood knipperlicht bij overweglichten en/of
- in strijd met artikel 19 van het voornoemd reglement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor haar (nagenoeg) stilstaande bestuurster van een bromfiets,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 455 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl zij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat zij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 27 februari 2026 om 13.18 uur is verdachte, rijdende in een personenauto over de Groenestraat in Nijmegen, op een spoorwegovergang tegen de achterkant van een scooter gebotst, die [slachtoffer] bestuurde. Als gevolg van deze botsing liep [slachtoffer] een gebroken ruggenwervel op, waarvan [slachtoffer] in mei 2026 heeft aangegeven dat het herstel nog 6 tot 12 maanden gaat duren. Verdachte heeft om 14.02 uur meegewerkt aan een ademonderzoek, zij had een ademalcoholgehalte van 455 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde feiten 1 en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit 1. Op het moment dat de overweglichten begonnen te knipperen, was verdachte namelijk al zo dicht de spoorwegovergang genaderd dat zij niet meer kon stoppen zonder op het spoor tot stilstand te komen, waardoor zij, net als de scooterrijdster, besloot door te rijden. Verdachte werd vervolgens geconfronteerd met de acute en onverwachte actie van de scooterrijdster die ineens hard remde en op de spoorwegovergang tot stilstand kwam. Doordat de afstand tussen verdachte en de scooterrijdster zo kort was, was een botsing onvermijdelijk.
Het subsidiair ten laste gelegde feit 1 en het primair ten laste gelegde feit 2 kunnen wel bewezen worden verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1 primair
Op camerabeelden gericht op de Groenestraat (zonder registratie van datum en tijd) is op 9 seconden van de video te zien dat er een scooter rijdt met op korte afstand daarachter een personenauto in dezelfde rijrichting.
Op 13 seconden is te zien dat de scooter meer in het midden van de voor haar bestemde rijbaan gaat rijden. De genoemde personenauto volgt haar met gelijke snelheid op korte afstand.
Op 17 seconden is te zien dat de overweglichten gaan knipperen.
Op 20 seconden is te zien dat de scooter sterk de snelheid vermindert en tot stilstand komt op de spoorwegovergang.
Op 21 seconden is te zien dat de scooter door de achter haar rijdende personenauto wordt aangereden. Daarna gaan de slagbomen dicht.
Verdachte heeft verklaard dat zij op korte afstand achter de scooterrijdster reed en dat haar inschatting achteraf is dat op het moment dat de scooterrijdster voor haar ging rijden zij (verdachte) iets langzamer had moeten gaan rijden. Verdachte heeft verder verklaard dat zij ongeveer 40 à 45 kilometer per uur reed en heeft gezien dat de rode overweglichten van de spoorwegovergang begonnen te knipperen.
De rechtbank stelt vast dat tussen het moment waarop de rode overweglichten begonnen te knipperen en de botsing op de spoorwegovergang ongeveer 4 seconden zijn verstreken. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 40 à 45 kilometer per uur en had, gelet op deze snelheid en de beschikbare tijd, voldoende gelegenheid om vóór de spoorwegovergang tot stilstand te komen. Zij had dit ook moeten doen. Op grond van artikel 71, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) betekent een rood knipperlicht bij een overweg immers: “stop”. Daarbij komt dat verdachte onvoldoende afstand hield tot de voor haar rijdende scooter, waardoor zij niet tijdig kon stoppen toen de bestuurder van deze scooter remde en tot stilstand kwam. Dat deze gedraging van de scooterbestuurder wellicht op een onverwacht moment kwam, namelijk toen deze de spoorwegovergang al gedeeltelijk was opgereden, doet niet af aan het oordeel dat verdachte onvoldoende afstand hield. Op grond van artikel 19 van het RVV 1990 moet een bestuurder in staat zijn het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Een bestuurder moet bedacht zijn op al dan niet onverwachte verkeerssituaties voor hem die nopen tot vermindering van zijn snelheid of het tot stilstand brengen van zijn voertuig.
Deze gedragingen vonden plaats terwijl verdachte onder invloed verkeerde van een hoeveelheid alcohol die ruim tweemaal de voor een bestuurder toegestane hoeveelheid bedroeg.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Verdachte heeft door zo te handelen aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden. Daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Als gevolg van het verkeersongeluk heeft [slachtoffer] een gebroken ruggenwervel opgelopen, waarvan het herstel naar verwachting een aantal maanden tot ruim een jaar zal duren. De rechtbank is daarmee van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde feit 1 bewezen.
Verder acht de rechtbank, gelet op bovenstaande, het primair ten laste gelegde feit 2 bewezen, te weten dat verdachte een personenauto heeft bestuurd, terwijl zij een ademalcoholgehalte had van 455 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 1, primair
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Groenestraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- in strijd met artikel 62 jo. 71 sub b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet is gestopt voor rood knipperlicht bij overweglichten en/of
- in strijd met artikel 19 van het voornoemd reglement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor haar (nagenoeg) stilstaande bestuurster van een bromfiets,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, (genaamd [slachtoffer]), zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 2, primair
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 455 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van:
feit 1, primair:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht
en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet
en
feit 2, primair:
Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (455 microgram)
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren en een rijontzegging van 2 jaren. De officier van justitie gaat hierbij uit van een (als zodanig in de richtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de gerechten opgenomen) ernstige mate van schuld en eist in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf in verband met de fysieke gesteldheid van verdachte en het intensieve traject dat zij daarvoor aangaat.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit in verband met de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de rijontzegging refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op 27 februari 2026 als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan een verkeersongeval, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 40 à 45 kilometer per uur dicht achter een scooterrijdster aan toen de rode lichten van de spoorwegovergang begonnen te knipperen. Verdachte had de gelegenheid te stoppen voor de rode overweglichten en had dat ook moeten doen, maar besloot het spoor over te steken. Zij is toen in botsing gekomen met de scooterrijdster die op de spoorwegovergang plotseling tot stilstand kwam. Dit heeft grote consequenties gehad voor het slachtoffer. Zij liep als gevolg van deze botsing een gebroken ruggenwervel op, waarvan zij in mei 2026 heeft aangegeven dat zij nog veel pijn ervoer en niet kon bukken. Het herstel zal naar verwachting een aantal maanden tot ruim een jaar na het ongeval duren.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij zich schuldig voelt en dat zij de gevolgen voor het slachtoffer vreselijk vindt.
De rechtbank heeft acht geslagen op de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin voor het onder invloed van alcohol (minder dan 570 microgram) veroorzaken van een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel het oriëntatiepunt een taakstraf van 160 uren en een rijontzegging van 18 maanden is. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank in dit geval niet uit van ‘ernstige schuld’, maar van ‘aanmerkelijke schuld’. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding de duur van de taakstraf te matigen. Verdachte heeft namelijk verschillende lichamelijke aandoeningen waarvoor zij een intensief behandeltraject aangaat. Daarbij zit verdachte in de bijstand, heeft zij de CBR-cursus van 1197 euro betaald, is haar (net aangeschafte) auto na het verkeersongeluk naar de sloop gebracht en is zij alleenstaand ouder van een minderjarig kind.
Alles overwegend acht de rechtbank een taakstraf van 130 uren en een rijontzegging van 18 maanden passend en geboden.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9 en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 130 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 65 dagen;
ontzegt verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.