RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-075785-25
Datum uitspraak : 31 augustus 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
raadsvrouw: mr. A. Winters, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Huis ter Heide, gemeente Zeist, in ieder geval in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, immers heeft verdachte die [aangeefster] met zijn handen bij haar hoofd gepakt en vervolgens nabij haar mond (zijkant van wang en lip) gezoend en/of trachten te zoenen en/of haar een knuffel gegeven, terwijl verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.
2. De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 20 uren.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar overkomen en er geen overtuigend steunbewijs is voor het tenlastegelegde.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Verklaringen aangeefster en verdachte
Aangeefster heeft meerdere verklaringen afgelegd. Zij heeft tijdens het informatief gesprek verklaard dat verdachte haar in de nacht van donderdag 12 december 2024 op vrijdag 13 december 2024 uiteindelijk twee keer heeft geprobeerd te zoenen waarvan één keer daadwerkelijk raak was op haar lippen. Zij had meerdere keren nee gezegd. Toen ze naar haar kamer liep, liep hij mee en vroeg hij of hij bij haar mocht slapen. Aangeefster heeft verklaard dat zij toen nee heeft gezegd en dat zij heeft gezegd dat hij weg moest gaan. Voor haar kamer probeerde verdachte haar te zoenen en pakte hij haar hoofd vast. Hij pakte met beide handen haar gezicht vast en zoende haar bij haar mond. Niet erop, maar een beetje aan de zijkant van haar rechterwang en lip. Hij heeft haar twee keer geprobeerd te zoenen, waarvan één keer is gelukt. De tweede keer draaide zij haar hoofd weg en gaf hij haar een knuffel. Hij vroeg nog of ze echt niet wilde, waarop aangeefster nee zei. Hierop is hij weggegaan. Even later stond verdachte weer voor haar deur. Hij probeerde de kamer binnen te komen en zei dat zij bij hem moest komen slapen. Aangeefster heeft toen gezegd dat ze haar vriend had geappt en dat hij eraan kwam. Verdachte zei toen dat hij maar beter kon gaan.
In de latere aangifte heeft aangeefster verklaard dat verdachte met haar mee liep naar haar kamer en vroeg of hij bij haar mocht slapen. Aangeefster zei toen dat ze dat niet wilde. Zij gaf hem een high five en toen pakte hij haar met beide handen bij haar hoofd vast en probeerde hij haar te zoenen. Zij trok haar hoofd weg en toen gaf hij haar een knuffel. Aangeefster had ondertussen [getuige 1] geappt. Zij ging douchen en even later werd er op haar deur geklopt. Verdachte stond weer voor haar deur en zei dat hij bij haar kwam slapen. Aangeefster gaf aan dat zij dat niet wilde. Verdachte zei dat ze geen seks hoefden te hebben en ook alleen konden knuffelen. Aangeefster zei weer nee. Toen heeft ze haar telefoon gepakt en heeft ze [getuige 1] opnieuw geappt. Even later ging verdachte weg. De volgende ochtend is aangeefster niet gaan ontbijten omdat zij verdachte niet wilde tegenkomen.
Verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de bar met aangeefster in gesprek is geraakt en dat hij en aangeefster het goed met elkaar konden vinden. Na sluitingstijd zijn de twee uiteindelijk op de trap van het slaapgebouw gaan zitten en volgens verdachte was er sprake van een flirterige stemming en heerste er een seksuele spanning tussen hem en aangeefster. Hij had het gevoel dat dat wederzijds was. Verdachte heeft verklaard dat hij tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar leuk vond en dat zij zijn type kon zijn. Toen ze op de trap zaten heeft hij haar ook gevraagd of zij met hem wilde kussen. Op dat moment gaf aangeefster aan dat dat niet zo handig was, omdat verdachte een vrouw en kinderen heeft. Daar gaf hij haar gelijk in. Verdachte heeft eveneens aan aangeefster gevraagd of ze samen wilde slapen. Verdachte heeft verklaard dat zij nooit duidelijk nee heeft gezegd op de vragen die hij haar stelde. Zij heeft gezegd dat hij haar social media en telefoonnummer mocht hebben en contact kon opnemen als hij er morgen nog hetzelfde over dacht. Toen verdachte naar zijn kamer wilde, liepen ze langs de kamer van aangeefster. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij aangeefster niet heeft aangeraakt en ook geen knuffel heeft gegeven. Hij heeft haar zeer zeker niet gekust of geprobeerd te kussen en ook niet haar gezicht of hoofd met twee handen vastgepakt. Toen hij op zijn kamer kwam zag hij dat zijn kamer bezet was. Hij is toen naar de kamer van aangeefster gelopen en heeft gevraagd of hij daar mocht slapen, omdat zijn kamer bezet was. Aangeefster zei dat een collega op haar kamer sliep en dat de kamer bezet was. Verdachte kwam onderweg naar buiten toevallig de huismeester tegen en heeft van hem een sleutel van een andere kamer gekregen en is in die kamer gaan slapen.
De militaire kamer wordt aldus geconfronteerd met twee tegenover elkaar staande verklaringen: de belastende verklaringen van aangeefster tegenover de ontkennende verklaring van verdachte.
Wettelijk kader
De militaire kamer stelt voorop dat zedenzaken bewijstechnisch lastige zaken kunnen zijn. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: aangever/aangeefster en verdachte. Er zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen. Ook in deze zaak is dat het geval.
Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van één getuige, in dit geval de verklaringen van aangeefster. Deze bepaling heeft als doel te zorgen voor een deugdelijke bewijsbeslissing. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als door één getuige feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs moet ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Een ‘de auditu-verklaring’ (een van horen zeggen-verklaring), levert onvoldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren, bijvoorbeeld zelfstandige eigen waarnemingen van een emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt of vlak daarna. Voor een bewezenverklaring is daarnaast vereist dat de militaire kamer uit de wettige bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte de hem verweten feiten heeft begaan.
Beoordeling
De militaire kamer moet gelet op het bovenstaande, los van de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, beoordelen of er voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is voor haar verklaring.
In het dossier bevinden zich getuigenverklaringen van getuige [getuige 2] en getuige
[getuige 1].
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangeefster op de maandag nadat het was voorgevallen bij hem langs kwam. Getuige heeft verklaard dat aangeefster tegen hem had gezegd dat verdachte met haar mee was gelopen en langs haar kamer liep. Daarbij zijn ze nog bij haar kamer gestopt, waarop verdachte aangeefster heeft gezoend. Hij zou daadwerkelijk haar tong in haar mond hebben gestopt. Aangeefster had aangegeven daar niet van gediend te zijn en duwde hem weg, waarop zij naar haar kamer ging en hij weer verder is gegaan. Op een later moment klopte hij weer bij aangeefster op de deur en wilde hij naar binnen. Verdachte had aangegeven dat hij bij haar wilde slapen. Aangeefster gaf aan dat zij dat niet wilde. Daarna heeft verdachte de kamer weer verlaten. Getuige heeft verklaard dat aangeefster ongemakkelijk en kwetsbaar overkwam toen zij vertelde wat er was gebeurd.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment in de nacht van 12 op 13 december 2024 een app-bericht van aangeefster kreeg waar met zoveel woorden in stond dat ‘die gast van de BSB’ voor haar deur stond. Getuige heeft verklaard dat aangeefster een beetje lacherig op hem over kwam via de app. De volgende ochtend in de ontbijtzaal – waar ook verdachte zich op dat moment bevond – heeft hij er kort met aangeefster over gesproken, met name over wat er al was gezegd via de app. Aangeefster gaf aan dat zij er niets mee wilde en dat zij verdachte niet wilde aanspreken op dat moment. Getuige heeft verklaard dat aangeefster een aantal dagen later bij hem kwam en aangaf dat het haar toch wel wat had gedaan. Zij vertelde tegen getuige dat verdachte bij haar op de kamer wilde komen en dat aangeefster hem had gevraagd wat hij tegen zijn vrouw en kinderen ging vertellen. Uiteindelijk heeft hij de kamer verlaten. Getuige weet niet exact wat er toen is gebeurd. Getuige zag onzekerheid en wanhoop bij aangeefster toen zij vertelde wat er was gebeurd.
De militaire kamer stelt vast dat getuige [getuige 2] pas een aantal dagen later op de hoogte is gebracht door aangeefster.
De militaire kamer stelt verder vast dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster op het moment zelf een beetje lacherig op hem over kwam via de app en dat getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangeefster een aantal dagen later ongemakkelijk en kwetsbaar op hem overkwam. De militaire kamer ziet hierin onvoldoende duidelijke en concrete eigen waarneming door deze getuigen van emotie bij aangeefster, die niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaring van aangeefster. Ook verder ontbreekt in het dossier een getuigenverklaring die gezien kan worden als bevestiging van de verklaringen van aangeefster.
Alles overziend komt de militaire kamer tot de conclusie dat de getuigenverklaringen en de waarnemingen van de getuigen, onvoldoende steun kunnen opleveren voor het tenlastegelegde.
Daarnaast bevindt zich in het dossier berichtenverkeer tussen aangeefster en getuige
[getuige 1]. Hierin wordt weliswaar aangegeven dat verdachte aangeefster heeft geprobeerd te zoenen, maar dit belastende onderdeel in het gesprek is afkomstig uit dezelfde bron, namelijk aangeefster. Uit de berichten blijkt naar het oordeel van de militaire kamer daarnaast onvoldoende expliciet en concreet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde gedragingen.
Ten slotte is de militaire kamer van oordeel dat de verklaring van verdachte zelf geen steunbewijs vormt voor de verklaringen van aangeefster. Verdachte heeft het ten laste gelegde steeds ontkend. Het enkele feit dat verdachte heeft gevraagd of hij aangeefster mocht zoenen en of hij bij haar mocht slapen, vormt geen steunbewijs voor de specifieke handelingen die verdachte worden verweten.
Alles overwegende komt de militaire kamer tot de slotsom dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. De militaire kamer zal verdachte daarom vrijspreken.
4. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangeefster] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 600,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de militaire kamer
Nu de militaire kamer niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5. De beslissing
De meervoudige militaire kamer:
spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [aangeefster]. [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering.