RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11757371 \ CV EXPL 25-1888
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING DE WOONMENSEN,
te Apeldoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: de Woonmensen,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde ] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde ] ,
gemachtigde: mr. M. Bakhuis.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025,
- de brief van 28 november 2025 van de Woonmensen,
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte van de Woonmensen,
- de antwoordakte van [gedaagde ] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De Woonmensen verhuurt aan [gedaagde ] de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde) tegen een maandelijks bij vooruitbetaling te betalen huurprijs van laatstelijk € 506,09.
[gedaagde ] woont met zijn partner en minderjarig kind in het gehuurde.
Zowel in 2022 als in april 2025 heeft de Woonmensen [gedaagde ] bij de [gemeente] aangemeld in het kader van de vroegsignalering.
[gedaagde ] heeft tot en met de maand mei 2025 een huurachterstand van € 4.261,87 laten ontstaan.
Per 29 augustus 2025 is [gedaagde ] toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening van de [gemeente] .
3. Het geschil
De Woonmensen vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst zal ontbinden,
2. [gedaagde ] zal veroordelen tot ontruiming van het gehuurde,
3. [gedaagde ] zal veroordelen tot betaling van:
- € 4.261,87 aan achterstallige huurpenningen, vermeerderd met wettelijke rente,
- de huurbedragen ad € 506,09 per maand waarop de Woonmensen recht had bij nakoming van de overeenkomst vanaf 1 juni 2025, vermeerderd met wettelijke rente,
- € 555,10 aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een door de kantonrechter redelijk geacht bedrag,
- de proceskosten.
[gedaagde ] voert verweer en concludeert tot:
1. afwijzing van de vordering die strekt tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde,
2. niet-ontvankelijkheid van de Woonmensen ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten, dan wel tot afwijzing van dit onderdeel van de vordering,
3. verwijzing van de overige onderdelen van de vordering naar de parkeerrol, met compensatie van de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Huurachterstand
Vast staat dat [gedaagde ] gerekend tot en met de maand mei 2025 een huurachterstand van € 4.261,87 heeft laten ontstaan en dat [gedaagde ] dit bedrag aan de Woonmensen moet betalen. Een eventuele door [gedaagde ] gedane betaling die bij de bepaling van de hoogte van de huurachterstand nog niet is betrokken, strekt daarop (uiteraard) in mindering. De vordering tot betaling van het bedrag van € 4.261,87 zal dan ook worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.
Wettelijke rente
Omdat [gedaagde ] de huur niet tijdig heeft betaald, is hij wettelijke rente over de huurachterstand verschuldigd. De onderdeel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Ontbinding en ontruiming
Aan de orde is vervolgens de vraag of de huurovereenkomst moet worden ontbonden. Uitgangspunt bij deze beoordeling is artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin is bepaald dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis in de regel ontbinding wettigt. Dat is slechts anders als de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
[gedaagde ] voert verweer tegen de gevorderde ontbinding en ontruiming. Hij voert daartoe aan dat de Woonmensen te vroeg tot dagvaarden is overgegaan en dat zij [gedaagde ] daarom niet in deze procedure mocht betrekken. Volgens [gedaagde ] heeft de Woonmensen de in het kader van de vroegsignalering geldende minimale termijn van twee maanden om schuldhulpverlening te starten, niet in acht genomen. Dit verweer kan [gedaagde ] niet baten. De Woonmensen heeft [gedaagde ] immers al in 2022 aangemeld bij de [gemeente] in het kader van de vroegsignalering. Dit blijkt uit productie 3 van de Woonmensen.
De huurachterstand die [gedaagde ] heeft laten ontstaan, een bedrag ter grootte van ruim acht maanden huur, rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Het feit dat [gedaagde ] inmiddels is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening van de [gemeente] leidt niet tot een ander oordeel omdat dit de tekortkoming die aanleiding is voor de vordering tot ontbinding niet wegneemt. De door [gedaagde ] naar voren gebrachte omstandigheden kunnen voorts niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en de daarmee samenhangende vorderingen zullen daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op vier weken omdat in het gehuurde een minderjarig kind woont en [gedaagde ] zo meer tijd heeft om ergens anders onderdak te zoeken.
Opgemerkt wordt dat de Woonmensen in de akte na de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat het niet haar doel is om een eventuele executoriale titel direct ten uitvoer te leggen maar dat onderhavig vonnis moet dienen als stok achter de deur voor [gedaagde ] om samen met de hulpverlening tot een betalingsvoorstel te komen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De Woonmensen maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit onderdeel van de vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De Woonmensen stelt dat zij op 21 februari 2025 een zogenoemde 14-dagenbrief heeft verzonden aan [gedaagde ] . [gedaagde ] heeft echter betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. Daarop heeft de Woonmensen niet aangetoond dat deze brief [gedaagde ] heeft bereikt. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de Woonmensen voorafgaand aan de betekening van de dagvaarding is aangemaand overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 BW. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen om deze reden worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Deze uitspraak zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard gelet op het belang van de Woonmensen om, indien tot executie van dit vonnis moet worden overgegaan, het gehuurde zo snel mogelijk aan een ander te kunnen verhuren.
Proceskosten
[gedaagde ] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Woonmensen worden vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2,5 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.524,14
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen de Woonmensen en [gedaagde ] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats] , met ingang van heden,
veroordeelt [gedaagde ] om het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats] met al degene die en al datgene dat zich daarin van de zijde van [gedaagde ] mocht(en) bevinden, te ontruimen en te verlaten binnen vier weken na betekening van dit vonnis en de sleutels daarvan aan de Woonmensen af te geven en het gehuurde geheel ontruimd ter beschikking van de Woonmensen te stellen en te laten,
veroordeelt [gedaagde ] om aan de Woonmensen te betalen een bedrag van € 4.261,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling, met dien verstande dat door [gedaagde ] gedane betaling die bij de bepaling van de hoogte van de huurachterstand nog niet is betrokken daarop in mindering strekt,
veroordeelt [gedaagde ] om aan de Woonmensen te betalen € 506,09 voor iedere maand, als huur dan wel vergoeding voor het gebruik van het gehuurde, vanaf 1 juni 2025 tot de dag van de algehele ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldata van de maandelijkse huurtermijnen tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde ] in de proceskosten van € 1.524,14, te vermeerderen met de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
lt
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!