RECHTBANK GELDERLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats [woonplaats]
Zaakgegevens: C/05/467349 / KG ZA 26/206
Datum uitspraak: 5 juni 2026
vonnis in kort geding
in de zaak van
[eiseres] (hierna: eiseres),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Ünalan-Akkan in [woonplaats] ,
tegen
[gedaagde] (hierna: gedaagde),
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de betekende dagvaarding, met producties, van eiseres;
de mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter eiseres de mogelijkheid gegeven om navraag te doen naar de wijze van betekening bij de deurwaarder. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter nog ontvangen:
- het e-mailbericht met bijlagen van eiseres van 29 mei 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026, waarbij zijn gehoord:
- eiseres, bijgestaan door mr. Ünalan-Akkan.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd op [huwelijksdatum] in [plaats] . De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van [scheidingsdatum] de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam.
Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in een convenant, dat door partijen is ondertekend op 2 juli 2025.
3. Het geschil
Eiseres vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. te verklaren dat eiseres met uitsluiting van gedaagde gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik en bewoning van de huurwoning met toebehoren staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ;
II. gedaagde te bevelen, indien vrijwillige medewerking achterwege blijft, met de sterke arm de woning aan de [adres] te [woonplaats] onverwijld, doch uiterlijk binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te verlaten althans te ontruimen onder achterlating van de aan eiseres in eigendom toebehorende zaken en onder overhandiging van de sleutels van de woning, althans niet meer toe te treden in de woning;
III. bij gebreke waarvan een dwangsom verschuldigd is van € 100 per dag met een maximum van € 5.000 waaronder tevens te verstaan een gedeelte van een dag;
IV. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het griffierecht en salaris advocaat.
4. De beoordeling
Gedaagde is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Daarom moet de voorzieningenrechter beoordelen of de dagvaarding op de juiste wijze aan haar is betekend. Zoals tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de betekening van de dagvaarding moest plaatsvinden volgens de voorwaarden gesteld in artikel 54 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Dat is niet gebeurd. Daarom is de dagvaarding nietig. De voorzieningenrechter legt dit hieronder uit.
Gedaagde staat in het BRP ingeschreven op het adres van de voormalige echtelijke woning. Tot 4 mei 2026 verbleef gedaagde daar ook. Op die dag heeft gedaagde een huisverbod (artikel 2 Wet tijdelijk huisverbod) opgelegd gekregen van de burgemeester van de gemeente [woonplaats] . Eiseres heeft aangegeven dat dit huisverbod op 12 mei 2026 is verlengd met achttien dagen. Volgens de beschikking houdt dit verbod in dat zij gedurende deze periode de woning niet mag betreden, zich niet bij de woning op mag houden en geen contact op mag nemen met eiseres. Sindsdien verblijft gedaagde feitelijk niet meer op het adres dat zij deelt met eiseres. Eiseres heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet weet waar gedaagde verblijft. Ook bij de politie en Veilig Thuis is niet bekend waar gedaagde zich bevindt.
Op grond van bovenstaande diende betekening plaats te vinden volgens artikel 54 lid 2 Rv. Dit artikel is van toepassing als de woonplaats en het werkelijk verblijf onbekend zijn. Het begrip woonplaats is niet nader gedefinieerd in artikel 54 Rv, maar hiervoor kan aansluiting gevonden worden bij art. 1:10 Burgerlijk Wetboek. Daaruit volgt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zijn woonstede is, of bij gebrek daaraan de plek van het werkelijk verblijf. Een woonstede is de plek waar iemand onder andere werkelijk woont en zijn goederen en eigendommen beheert. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van feitelijke omstandigheden. De plaats waar iemand regelmatig ’s nachts slaapt is het meest bepalend van de feitelijke omstandigheden voor het bepalen van de woonstede. Het adres waar degene voor wie het exploot bestemd is volgens het BRP staat ingeschreven, kan dus niet zonder meer gelijk worden gesteld met de woonplaats in de zin van artikel 46 Rv. Duidelijk is dat gedaagde – op dit moment – niet slaapt in de echtelijke woning. Dit maakt dat er sprake is van een onbekende woonplaats én een onbekend werkelijk verblijf. Artikel 54 lid 2 Rv is daarmee van toepassing.
De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van eiseres dat artikel 57 Rv van toepassing is omdat eiseres en gedaagde woningdelers zijn. Gedaagde verbleef immers al sinds 4 mei 2026 niet meer in de woning. De rechtszekerheid brengt mee dat de regel van artikel 57 Rv alleen geldt als partijen in feite samen een woning bewonen. Daar was op de dag van betekening, 21 mei 2026, geen sprake van.
Artikel 54 lid 2 Rv vereist in dit geval betekening aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie waar de zaak dient, en een uittreksel van het exploot in de Staatscourant. De dagvaarding is in een gesloten envelop achtergelaten in de echtelijke woning en betekend aan het parket van de officier van justitie in [woonplaats] . Eiseres heeft echter nagelaten om een uittreksel van het exploot bekend te laten maken in de Staatscourant. Hierdoor voldoet de dagvaarding niet aan de eisen voor juiste betekening. Dat gedaagde desondanks via Veilig Thuis of een e-mail van 21 mei 2026 door eiseres op de hoogte zou moeten zijn van het moment en de locatie van de mondelinge behandeling, heeft eiseres onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dat gedaagde werkelijk kennis heeft genomen van dit bericht voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Daarmee is gedaagde benadeeld door het feit dat de betekening niet op de juiste manier is geschied. De conclusie is dat de dagvaarding nietig is (art. 66 jo. 120 jo artikel 121 lid 3 Rv).
De procedure betreft een procedure met een familierechtelijk karakter. Het uitgangspunt bij deze procedures is dat de proceskosten worden gecompenseerd. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart de dagvaarding nietig;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. van Spanje, in samenwerking met mr. V.P. Bosch, griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!