RECHTBANK Gelderland
2 [verweerder 1] ,
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/461055 / HA RK 25-183
Beschikking van 2 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
YUCHING HOLDING LIMITED,
gevestigd in de Speciale Administratieve Regio Hongkong, Volksrepubliek China,
verzoekende partij, hierna: Yuching,
advocaten: mr. D.J.F.F.M. Duynstee, mr. T. Drenth en mr. A.A.M. Hendrikx,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NEXPERIA B.V.,
statutair gevestigd te Nijmegen,
verwerende partij, hierna: Nexperia,
advocaten: mr. J.L. van der Schrieck en mr. M.C. Burggraaf,
wonende te [woonplaats] ,3. [verweerder 2],
wonende te [plaats] , [land] ,
verwerende partijen, hierna te noemen respectievelijk [verweerder 1] en [verweerder 2] ,
advocaat: mr. R. le Grand.
1. De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt Yuching de rechtbank om te bepalen dat er een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden. Dit wil Yuching met het oog op procedures tegen haar (indirecte) dochteronderneming Nexperia en meerdere bestuurders of feitelijk leidinggevenden van Nexperia, waaronder [verweerder 1] en [verweerder 2] . [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn ook de getuigen die Yuching wil doen horen.
Met betrekking tot Nexperia loopt er momenteel een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. Het voorlopig getuigenverhoor waarom Yuching verzoekt is volgens haar niet bedoeld om bewijs te leveren in die enquêteprocedure, maar om te kunnen beslissen of zij een procedure tot schadevergoeding wil beginnen tegen (onder andere) Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] . Ook is het verzochte getuigenverhoor volgens Yuching bedoeld om bewijs te kunnen leveren in die eventuele nieuwe procedure, in een al lopende procedure die Yuching tegen Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] heeft aangespannen in China en in een door Nexperia al aangekondigde procedure tegen Yuching bij de Nederlandse rechter over de terugbetaling van een lening. Die lening wordt door Yuching en de verweerders aangeduid als de “Yuching Loan”.
Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] stellen zich op het standpunt dat de rechtbank het verzoek van Yuching moet afwijzen, althans het oordeel daarover moet aanhouden. Voor het geval het verzoek toch wordt toegewezen vragen zij de rechtbank ten minste het voorlopig getuigenverhoor zelf uit te stellen totdat de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoekers hun onderzoek in de enquêteprocedure hebben afgerond. Zij stellen daartoe onder meer dat Yuching onvoldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor en dat zo’n verhoor het onderzoek in de enquêteprocedure op onaanvaardbare wijze zou hinderen en vertragen. Ook stellen zij dat [verweerder 1] en [verweerder 2] het te druk hebben met het waarborgen van de continuïteit van de onderneming van Nexperia en met het meewerken aan het onderzoek in de enquêteprocedure om te worden gehoord als getuigen in een voorlopig getuigenverhoor. Daarnaast voeren zij nog meerdere andere verweren.
De rechtbank wijst het verzoek gedeeltelijk toe, namelijk alleen voor zover het voorlopig getuigenverhoor zal gaan over feiten die van belang zijn voor (een) procedure(s) bij de Nederlandse burgerlijke rechter over de terugbetaling van de Yuching Loan en de door de opeising van die lening eventueel door Yuching geleden schade. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen omdat Yuching daarbij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende belang heeft, met name gelet op de al lopende procedure in China.
Dat betekent dat het verhoor niet mag gaan over andere zaken dan de Yuching Loan, zoals feiten die (alleen) van belang zijn voor eventuele (andere) schadevergoedingsprocedures van Yuching tegen Nexperia, [verweerder 1] , [verweerder 2] of anderen, en dus ook niet over feiten die alleen van belang zijn voor de procedure in China. De rechtbank oordeelt daartoe onder meer dat een getuigenverhoor bij de Nederlandse rechter niet kan worden verzocht ten behoeve van een procedure bij een buitenlandse rechter.
De rechtbank bepaalt ook dat het voorlopig getuigenverhoor pas feitelijk mag worden gehouden nadat de onderzoekers in de enquêteprocedure hun onderzoeksrapport hebben ingediend, omdat het verhoor anders dat onderzoek onnodig dreigt te hinderen en vertragen. Dan zou namelijk het risico bestaan dat [verweerder 1] en [verweerder 2] hun tijd en aandacht niet voldoende aan de medewerking met dat onderzoek zouden kunnen besteden. Zeker gelet op dit uitstel van het feitelijke verhoor is het onderzoek in de enquêteprocedure geen reden om dat verhoor in het geheel niet toe te staan. De rechtbank is het niet eens met Yuching dat uitstel van het getuigenverhoor tot na afronding van het onderzoek in de enquêteprocedure onaanvaardbaar lang zal duren.
Hieronder wordt verder uitgelegd hoe de rechbank tot deze beslissingen is gekomen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 19 december 2025, met 69 producties,
- de akte overlegging producties van Yuching, met producties 70 tot en met 97,
- het verweerschrift van Nexperia, ingekomen op 15 mei 2026, met 91 producties,
- de akte overlegging aanvullende productie van Nexperia, ingekomen op 26 mei 2026, met productie 92,
- de mondelinge behandeling van 29 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar zijn verschenen:
- namens Yuching: mr. Duynstee, mr. T. Drenth en mr. Hendrikx voornoemd,
- namens Nexperia: de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), zelfstandig bevoegd niet uitvoerend bestuurder a.i., benoemd door de Ondernemingskamer, en [persoon 2] , bijgestaan door mr. Van der Schrieck en mr. Burggraaf voornoemd en mr. M.A. de Groot,
- namens Nexperia en pro se: [verweerder 1] , bijgestaan door mr. le Grand voornoemd.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De vaststaande feiten
Nexperia drijft een wereldwijd opererend bedrijf in de halfgeleider- en chipindustrie en heeft haar hoofdkantoor in Nijmegen. De chips die Nexperia maakt zijn van essentieel belang voor de werking van verschillende apparaten zoals telefoons en worden wereldwijd en in grote aantallen gebruikt in de auto-industrie.
Sinds 2019 worden de aandelen in Nexperia indirect gehouden door Wingtech Technology Co., Ltd. (hierna: Wingtech). Wingtech is een beursgenoteerde vennootschap. Haar aandelen zijn genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange. Wingtech is in 2006 opgericht door [CEO] (hierna: [CEO] ). [CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in Wingtech en is naar Chinees recht de actual controller van Wingtech.
Wingtech houdt de aandelen in Nexperia via haar (indirecte) 100% dochteronderneming Yuching, die op haar beurt alle aandelen bezit van het directe moederbedrijf van Nexperia, Nexperia Holding B.V. (hierna: Nexperia Holding). Yuching is een vennootschap opgericht naar het recht van Hongkong en wordt bestuurd door [CEO] en zijn echtgenote. Behalve het houden van haar belang in Nexperia Holding ontplooit Yuching geen andere activiteiten.
Nexperia’s productieproces voor halfgeleiders kent een front end en een back end productie. De front end productie betreft het maken van zogenoemde wafers, dunne schijven van halfgeleidermateriaal die worden gebruikt als basis voor het produceren van halfgeleiders. Deze wafers worden voor Nexperia gemaakt door haar dochterbedrijven in Manchester en Hamburg en daarnaast ingekocht bij derden, waaronder (tot voor kort) het Chinese bedrijf Shanghai Jiangzin Technology Co., Ltd, handelend onder de naam WingSkySemi (hierna: WSS). WSS is geen onderdeel van de Nexperia groep, maar wel (indirect) eigendom van [CEO] .
De back end-activiteiten van Nexperia, dat wil zeggen de assemblage, het testen en het verpakken van de eindproducten, vindt (althans vond) plaats in fabrieken in Cabuyao (Filipijnen), Seremban (Maleisië) en, tot oktober 2025, in Dongguan (China), waarna de chips worden geleverd aan Nexperia en door haar worden verkocht aan haar klanten. In Nederland en daarbuiten ontwerpt, ontwikkelt en verbetert Nexperia de chips en machines voor de afwerking van die chips.
Het statutair bestuur van Nexperia Holding bestond van februari 2024 tot 1 oktober 2025 uit [CEO] (niet uitvoerende bestuurder en voorzitter van het bestuur) en [verweerder 1] (uitvoerende bestuurder).
Het statutair bestuur van Nexperia bestond van februari 2024 tot 1 oktober 2025 uit [CEO] (uitvoerende bestuurder; CEO) en [verweerder 1] (uitvoerende bestuurder; CLO). Naast het statutaire bestuur van Nexperia is er een Executive Management Team (hierna: EMT). [CEO] was tot 1 oktober 2025 Chair van het EMT. Ook [verweerder 1] (CLO), [verweerder 2] (CFO en vanaf oktober 2025 interim-CEO) en de heer [persoon 3] (COO, hierna: [persoon 3] ) maken deel uit van het EMT.
Eind 2023 heeft Nexperia contact opgenomen met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZ) om steun te zoeken en volledig erkend te worden als Nederlands/Europees halfgeleiderbedrijf. Achtergrond hiervan is dat haar onderneming handelsbelemmeringen ervoer door de omstandigheid dat haar enig aandeelhouder, Yuching, een Chinese vennootschap is. Sinds 2024 is Nexperia daartoe in overleg met EZ over bepaalde herzieningen in haar governance. Met ingang van 31 december 2024 is Wingtech door de Verenigde Staten op de zogeheten Entity List geplaatst, met als gevolg dat zij is onderworpen aan bepaalde verstrekkende handelsbeperkingen. Sinds juni 2025 was Nexperia op de hoogte van het risico dat ook zijzelf zou worden onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen op grond van de zogenoemde 50%-rule, die – kort gezegd – inhoudt dat genoemde handelsbeperkingen ook gelden voor vennootschappen waarvan de aandelen voor 50% of meer worden gehouden door (rechts)personen op de Entity List. Op 30 september 2025 is de 50%-rule gepubliceerd en op Nexperia van toepassing verklaard, met gevolg dat zij in beginsel na zestig dagen zou zijn onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen.
Begin september 2025 heeft een medewerker van [CEO] op diens instructie meegedeeld dat ten aanzien van [verweerder 2] (CFO), de Group Treasurer en het Head of Tax van Nexperia de bankvolmachten werden ingetrokken. In hun plaats werden bankvolmachten verleend aan de CFO van Wingtech (die niet werkzaam was bij Nexperia), de persoonlijk assistent van [CEO] en een medewerker met een ESG-achtergrond. [verweerder 2] en de Group Treasurer hebben daartegen bezwaren geuit en gewezen op de gevolgen daarvan voor de relatie met de banken, de operationele slagkracht en de continuïteit van de onderneming van Nexperia.
Rond 9 september 2025 is aan [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] ontslag aangezegd. Zij zijn vervolgens in onderhandeling getreden met [CEO] over de voorwaarden voor hun vertrek. Ook hebben zij toen besloten om voorbereidingen te treffen voor een enquêteprocedure met betrekking tot Nexperia.
Bij besluit van 30 september 2025 heeft de Minister op grond van de Wet beschikbaarheid goederen een besluit genomen dat een tot Nexperia gericht bevel bevat tot behoud van haar onderneming en productiemiddelen (hierna: het Bevel).
Diezelfde dag heeft [verweerder 1] een Corporate Crisis Management Board (hierna: CCMB) geïnstalleerd.
Op 1 oktober 2025 hebben Nexperia en Nexperia Holding een enquêteverzoek als bedoeld in artikel 2:345 lid 1 BW doen indienen bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna ook te noemen: OK). In de daaruit voortvloeiende procedure is door Nexperia en Nexperia Holding, bij monde van [verweerder 1] , gesteld dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia en Nexperia Holding. De daarin gestelde misstanden hadden onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de 50%-rule. Verder werd geklaagd over tegenstrijdig belang-transacties die zouden zijn aangegaan op instructie van [CEO] en over onverhoedse wijzigingen in het management en het plotseling intrekken van bankvolmachten. In het verzoekschrift werd de OK ook verzocht bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen.
Eveneens op 1 oktober 2025 heeft de OK, ex parte, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen (i) [CEO] geschorst als (uitvoerend) bestuurder van Nexperia en (niet uitvoerend) bestuurder van Nexperia Holding, (ii) bepaald dat alle aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer zouden worden overgedragen aan een beheerder, en (iii) de werking van een artikel uit het bestuursreglement van Nexperia geschorst, waarmee de niet-statutaire bevoegdheden van [CEO] als CEO werden opgeschort. Daarbij is de behandeling van de overige verzoeken door de OK aangehouden.
Op 4 oktober 2025 heeft de Chinese overheid exportrestricties opgelegd aan onderaannemers van Nexperia, alsmede aan de Chinese back end-productie organisatie van Nexperia. De export van Nexperia producten vanuit China is als gevolg daarvan volledig stilgevallen.
Bij beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025 heeft de OK voorlopig geoordeeld dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Nexperia Holding en van Nexperia en – kort gezegd – de op 1 oktober 2025 getroffen onmiddellijke voorzieningen bestendigd, een tijdelijk (niet uitvoerend) bestuurder van Nexperia met beslissende stem benoemd ( [persoon 1] ) en de beheerder van de ten titel van beheer overgedragen aandelen van Nexperia Holding benoemd. Bij beschikking van
13 oktober 2025 heeft de OK haar beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025 nader uitgewerkt. De OK heeft daarbij het tegenverzoek van Yuching en [CEO] om [verweerder 1] als bestuurder te schorsen afgewezen.
Op 10 oktober 2025 heeft [verweerder 1] een Nexperia Leadership Team gepresenteerd aan de interne organisatie van Nexperia en aan haar klanten. Dit team bestaat volgens het daarop ziende bericht uit [verweerder 1] (CLO), [verweerder 2] (CFO), [persoon 3] (COO) en [persoon 1] (non-executive director).
Op 11 oktober 2025 is [verweerder 2] aangesteld als interim-CEO van Nexperia. Daarvoor was hij als CFO onderdeel van het EMT van Nexperia. De heer [persoon 4] is op
11 oktober 2025 aangesteld als interim-CFO.
Op 15 november 2025 is [verweerder 2] benoemd tot statutair uitvoerend bestuurder van Nexperia. Vanaf dat moment bestaat het statutair bestuur van Nexperia uit [CEO] (geschorst), [verweerder 1] en [verweerder 2] als uitvoerend bestuurders en [persoon 1] , de door de OK benoemde niet uitvoerende bestuurder met beslissende stem.
Tussen 27 oktober en 28 november 2025 heeft een consortium van vijftien banken hun (aandeel in een) aan Nexperia verstrekte kredietfaciliteit opgezegd. Deze faciliteit vloeide voort uit een Syndicated Facility Agreement (hierna: SFA) uit 2019 waaronder Nexperia in totaal USD 800 miljoen kon trekken. De door de banken aangevoerde grond voor opzegging was een verandering in de zeggenschap van Nexperia Holding als bedoeld in de zogenaamde change of control clause in de SFA, als gevolg van de door de OK uitgesproken overdracht van de aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer.
Tussen 6 november en 15 december 2025 heeft Nexperia een door haar aan Yuching verstrekte (groeps)lening ter waarde van USD 480 miljoen opgezegd. Deze in een Intercompany Facility Agreement met Yuching overeengekomen leningfaciliteit (hierna: de Yuching Loan) was destijds gefinancierd met de hiervoor genoemde SFA kredietfaciliteit en had Yuching op dat moment nagenoeg geheel benut. Inclusief rente en kosten bedraagt het uitstaande bedrag van de lening aan Yuching meer dan USD 525 miljoen. Yuching heeft de geldigheid van de opzegging door Nexperia betwist.
Op 15 december 2025 heeft Yuching het onderhavige verzoek ingediend bij de rechtbank.
Op 17 december 2025 heeft Nexperia een aanvullend verzoekschrift ingediend bij de OK, waarin zij ook de gang van zaken na 30 september 2025 aan haar enquêteverzoek ten grondslag heeft gelegd. Daarnaast heeft zij daarin aanvullende voorbeelden gegeven van volgens haar gepleegd mismanagement die volgens haar na 1 oktober 2025 aan het licht zijn gekomen.
Bij verweerschriften van 7 januari 2026 hebben Yuching en [CEO] in de enquêteprocedure ieder afzonderlijk verweer gevoerd. Yuching heeft in haar verweerschrift de OK (subsidiair) het tegenverzoek gedaan dat het eventueel te gelasten onderzoek zich in het bijzonder zou richten op het handelen van [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] vanaf het begin van de onderhandelingen met de Staat in november 2023 tot begin januari 2026.
Bij aanvullende verweerschriften van 7 januari 2026 hebben de Staat en de ondernemingsraad van Nexperia het enquêteverzoek van Nexperia ondersteund.
Op 11 februari 2026 heeft de OK het enquêteverzoek van Nexperia toegewezen, een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia Holding en Nexperia over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van de beschikking en de eerder uitgesproken onmiddellijke voorzieningen gehandhaafd. De beslissing luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“De Ondernemingskamer:
a. verstaat dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia Holding B.V. en van Nexperia B.V.;
b. beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van deze beschikking, zoals omschreven onder 3.35;
(…)
f. handhaaft de bij beschikking van 7 oktober 2025 getroffen onmiddellijke voorzieningen (…)”
In rechtsoverweging 3.35 van deze beschikking, waarnaar in het hiervoor geciteerde dictum verwezen wordt, staat het volgende:
“3.35 De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia vanaf eind 2023, toen Nexperia voor het eerst contact zocht met EZ. Gelet op het voorgaande dient het onderzoek zich in het bijzonder toe te spitsen op:
a. de wijze waarop Nexperia is omgegaan met tegenstrijdig belang. Naast de onderwerpen die onder 3.9-3.15 aan de orde zijn gekomen, kan de onderzoeker ook andere onderwerpen die betrekking hebben op tegenstrijdig belang in zijn onderzoek betrekken. Daarbij valt te denken aan de deposit agreement en de discussie over het ter beschikking stellen van machines en van IE-rechten aan WSS;
b. de wijze waarop Nexperia heeft geacteerd in het licht van de listing van Wingtech en de dreigende toepassing van de 50%-rule op Nexperia. Daarbij dient het onderzoek in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken in relatie tot EZ en andere Nederlandse overheidsorganen. Verder dient aandacht te worden besteed aan de strategische keuzes die daarbij zijn gemaakt, hoe deze zich verhouden tot de gesprekken met EZ en in hoeverre deze berusten op deugdelijke en collegiale besluitvorming binnen het statutair bestuur en het EMT. Daarbij kan, zoals subsidiair en voorwaardelijk door Yuching is verzocht, ook aandacht worden besteed aan het optreden van de CLO, CFO en COO in dat kader;
c. de gang van zaken rondom de intrekking van de bankvolmachten en de ontslagaanzegging van de CLO, CFO en COO. Desgewenst kan onderzoeker deze onderwerpen behandelen als onderdeel van het onder b bedoelde onderwerp;
d. de gang van zaken na de beschikking van 1 oktober 2025 tot heden, in het bijzonder omtrent het schisma tussen Nexperia enerzijds en [CEO] , Wingtech, Yuching en Nexperia China anderzijds.”
Op 17 februari 2026 heeft de OK twee onderzoekers (hierna: de OK-onderzoekers) benoemd.
Op 17 april 2026 hebben de OK-onderzoekers hun plan van aanpak, inclusief een lijst van 28 te interviewen personen, met de OK gedeeld. In dit plan van aanpak staat onder meer dat de OK-onderzoekers de in de hiervoor onder 3.25. geciteerde rechtsoverweging 3.35. van de OK van 11 februari 2026 genoemde onderwerpen als de primaire richtsnoeren voor het onderzoek zullen beschouwen, dat zij zich daarbij niet gebonden achten aan de vaststellingen van de OK en geheel zelfstandig en onafhankelijk tot een oordeel ten aanzien van deze onderwerpen zullen komen en daarbij de (sterk uiteenlopende) standpunten van alle partijen zorgvuldig zullen analyseren en beoordelen. Uit (de bijlage bij) het plan van aanpak blijkt dat de OK-onderzoekers voornemens zijn onder meer [verweerder 2] en [verweerder 1] te interviewen. Ook staat in het plan van aanpak dat de OK-onderzoekers voornemens zijn om hun verslag uiterlijk december 2026 te finaliseren en aan de OK toe te zenden, dat de daaraan ten grondslag liggende planning een voorlopige is en dat niet is uit te sluiten dat lopende het onderzoek zal blijken dat een ander tijdschema zal moeten worden aangehouden.
Op 7 april 2026 heeft Nexperia een dagvaarding toegezonden aan de advocaten van Yuching en aldaar (gepoogd te) doen betekenen, waarmee een procedure tegen Yuching over de Yuching Loan wordt aangekondigd. Volgens die dagvaarding, die op het moment van de mondelinge behandeling van dit verzoek nog niet rechtsgeldig aan Yuching was betekend, vordert Nexperia – samengevat – terugbetaling van het door Yuching van haar geleende geld ten bedrage van meer dan USD 500 miljoen.
Bij de processtukken bevindt zich een publieke mededeling van Wingtech van 22 mei 2026 in een Chinese taal, waarin wordt aangekondigd dat Wingtech en Yuching bij de Dongguan Intermediate People’s Court of Guangdong Province een procedure aanhangig hebben gemaakt tegen onder andere Nexperia Holding, Nexperia, [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] (hierna: de tweede Chinese procedure). In deze mededeling wordt gesteld dat het gaat om een “tort liability dispute”, dat het Bevel en de beschikkingen van de OK “discriminatory restrictive measures” zijn als bedoeld in de Anti-Foreign Sanctions Law of the People’s Republic of China, en dat Wingtech en Yuching op grond van deze wet het recht hebben “to request cessation of the infringement and compensation for losses”. Volgens deze publieke mededeling hebben Wingtech en Yuching in deze procedure vorderingen ingesteld tot (onder meer en kort samengevat) het doen intrekken van de enquêteprocedure, het doen eindigen van het Bevel, het overdragen van Nexperia’s onderneming aan Wingtech en het “jointly and severally” compenseren van Wingtech en Yuching voor schade als gevolg van “their implementation of, or assistance in implementing, the discriminatory restrictive measures”, welke schade voorlopig wordt begroot op omgerekend ongeveer EUR 1 miljard. Nexperia Holding, Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] hadden ten tijde van de mondelinge behandeling nog geen inleidend processtuk ontvangen met betrekking tot deze procedure.
4. Het verzoek en het verweer
Yuching verzoekt de rechtbank, op grond van artikel 196 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), om onverwijld een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, waarbij [verweerder 1] en [verweerder 2] in persoon aanwezig dienen te zijn. Ook verzoekt zij een datum en tijdstip te bepalen voor het verhoor met benoeming van een rechter-commissaris. Ten slotte verzoekt Yuching om Nexperia te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Yuching legt aan haar verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag.
Nexperia en haar (formele en feitelijke) bestuurders veronachtzamen het vennootschappelijk belang van Nexperia, dat mede het belang van Yuching als aandeelhouder en het concernbelang omvat, en nemen jegens Yuching niet de vereiste zorgvuldigheid in acht.
Dit doen zij onder meer door ten onrechte de volledige terugbetaling van de Yuching Loan te vorderen op de grond dat de SFA door de banken is opgezegd, terwijl zij de change of control die daarvoor de aanleiding is geweest zelf hebben uitgelokt.
Ook doen zij dit door ondanks herhaalde verzoeken te weigeren actuele financiële informatie, informatie over de samenstelling en rol van de CCMB, ingrijpende wijzigingen in het (overige) management en het bestuur van Nexperia en de (feitelijke) verhouding tussen EMT, CCMB en Leadership Team te verstrekken aan Yuching. In de als gevolg van het Bevel en de enquêteprocedure ontstane crisis bij Nexperia hebben Nexperia en het driemanschap [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] bovendien niet gedaan wat nodig was om de schade aan de onderneming van Nexperia te beperken en het bestendige succes daarvan te bevorderen, maar juist keuzes gemaakt die het voortbestaan van Nexperia verder onder druk zetten. Ondanks dat hen al in september 2025 ontslag was aangezegd hebben [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] nadien juist steeds meer macht naar zich toegetrokken en zijn zij de strategie en het beleid van Nexperia gaan bepalen, met uitsluiting van de door hun toedoen geschorste CEO [CEO] . Het Nexperia Leadership Team heeft er door een reeks van handelingen voor gezorgd dat er een structurele vertrouwensbreuk is ontstaan tussen Nexperia en haar klanten. Ook heeft Nexperia de productieketen doelbewust gefrustreerd, onder meer door haar relatie met WSS te schaden en de Chinese Nexperia-entiteiten af te snijden van hun noodzakelijke wafer-voorziening, met verstrekkende gevolgen voor de productie en leveringszekerheid van Nexperia chips. Verder veroorzaken het handelen van de CCMB en het Leadership Team onrust binnen Nexperia. Daarnaast verwijt Yuching Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] dat Nexperia ongeoorloofd gebruik maakt van Yuching’s kapitaal (vrijgekomen door opzegging van de Yuching Loan) door omvangrijke “CAPEX”-investeringen te doen, onder meer met het oog op het opzetten van een alternatieve toeleveringsketen buiten China.
Ten slotte stelt Yuching met betrekking tot [verweerder 1] dat hij een “heimelijk dubbelspel” heeft gespeeld, door te onderhandelen over de voorwaarden van zijn vertrek als bestuurder en tegelijkertijd, zonder [CEO] en Yuching daarin te kennen, een advocatenkantoor te instrueren om de enquêteprocedure voor te bereiden. Dit roept volgens Yuching de vraag op hoe lang dit heimelijke spel heeft geduurd en wat daarbij precies de rol is geweest van [verweerder 2] .
Volgens Yuching lijdt zij als aandeelhouder schade als gevolg van het nadeel dat Nexperia ondervindt door het wegvallen van klanten die noodgedwongen moeten uitwijken naar andere leveranciers. Ook lijdt zij rechtstreeks schade als gevolg van de onterechte opzegging van de Yuching Loan en van het handelen van Nexperia ten aanzien van de CAPEX-investeringen. Gelet op de hiervoor besproken stellingen en verwijten heeft zij een reële hoofdzaak tegen Nexperia en zijn er gegronde redenen om aan te nemen dat ook [verweerder 1] en [verweerder 2] – en mogelijk andere (feitelijk) bestuurders – jegens Yuching als aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden. De door Yuching als gevolg hiervan geleden en toekomstige schade komt voor vergoeding in aanmerking. Gezien de opstelling van Nexperia is er geen enkele grond om aan te nemen dat het huidige bestuur van Nexperia zelf een vordering zal instellen jegens [verweerder 1] , [verweerder 2] of de andere (feitelijk) bestuurders. Yuching is voornemens om een procedure aanhangig te maken tegen in ieder geval Nexperia zelf, en mogelijk ook de hiervoor genoemde bestuurders, op grond van onrechtmatige daad.
Daarnaast wil Yunching Nexperia kunnen dwingen tot het nemen van schadebeperkende maatregelen en wil zij ook daartoe bewijs verkrijgen.
Bovendien wil zij opheldering verkrijgen over de, volgens haar nu nog onvoldoende duidelijke, feitelijke gang van zaken voorafgaand aan de opeising van de Yuching Loan, waaronder het eigen handelen van (de bestuurders van) Nexperia en de eventuele afstemming met derden in de periode voorafgaand aan het Bevel en het enquêteverzoek. Dit om haar rechtspositie te kunnen bepalen en verweer te kunnen voeren in de door Nexperia aangekondigde, maar nog niet aanhangige procedure over de terugbetaling van de Yuching Loan.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Yuching hier nog aan toegevoegd dat zij [verweerder 1] en [verweerder 2] wil horen als getuigen ten behoeve van de tweede Chinese procedure.
Yuching vermeldt in haar verzoekschrift dat zij [verweerder 1] en [verweerder 2] wil doen horen over de volgende thema’s en (deel)onderwerpen:
Thema
[verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen verklaren over:
CCMB
de herinstallatie van dit crisisteam die [verweerder 1] heeft geïnitieerd.
het aan de CCMB gegeven mandaat en haar functioneren binnen Nexperia.
de samenstelling van de CCMB en de rol van [verweerder 1] en [verweerder 2] daarbinnen.
Nexperia Leadership Team
de aanstelling van het Core Team, later omgedoopt tot het Nexperia Leadership Team.
het door [verweerder 1] verleende mandaat en de basis daarvan.
welke bevoegdheden het Nexperia Leadership Team heeft en hoe het team zich verhoudt tot de andere organen binnen Nexperia.
de verhoudingen binnen het Nexperia Leadership Team en de rol van [verweerder 1] en [verweerder 2] bij de acties vanuit het Nexperia Leadership Team.
de benoeming van [verweerder 2] tot statutair bestuurder van Nexperia B.V. op 15 november 2025, zijn rol als CEO a.i. en de communicatie (of het gebrek daaraan) richting (indirect) aandeelhouder Yuching.
Verstoren van de bedrijfsvoering
de verschillende acties van Nexperia die hebben geresulteerd in onder meer verlies van klanten en reputatieschade, waar [verweerder 1] en/of [verweerder 2] vanuit een van hun rollen (formele bestuurders, CLO, CFO, interim CEO, lid van de CCMB en/of lid van het Nexperia Leadership Team) bij betrokken is/zijn geweest.
Onder meer de volgende acties van Nexperia, waarbij [verweerder 1] en/of [verweerder 2] betrokken lijken te zijn en waardoor de bedrijfsvoering verstoord is geraakt:
(a) Verstoring van de supply chain en geen hervatting van leveringen aan China na opheffing van het exportverbod.
(b) Het niet nakomen van contractuele verplichtingen en het tweemaal inroepen van force majeure met als gevolg aansprakelijkstellingen en mogelijke schadeclaims.
(c) Druk uitoefenen op werknemers in China en Hongkong (streng toespreken, blokkeren van accounts en ontzegging van toegang tot de bedrijfsgebouwen) en het ontslag/de non-actiefstelling van werknemers.
(d) De genomen financiële beslissingen.
Het recente handelen van Nexperia jegens Yuching
het handelen van Nexperia waardoor Yuching direct schade lijdt, zoals ten aanzien van de volledige terugbetaling van de lening onder IFA en de CAPEX-investeringen.
de door Nexperia genomen schadebeperkende maatregelen op de korte termijn en de lange termijn.
Het dubbelspel van [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn rol daarbij
[verweerder 1] zijn aanstaande vertrek bij Nexperia en de status van de onderhandelingen daaromtrent eind september 2025, mede in het licht van de acties die [verweerder 1] in dezelfde tijd heeft ondernomen.
De rol van [verweerder 2] bij het dubbelspel van [verweerder 1] .
Nexperia stelt zich op het standpunt dat het verzoek van Yuching moet worden afgewezen. Subsidiair bepleit zij dat elke beslissing daarover, of in ieder geval het feitelijke verhoor, moet worden aangehouden totdat de enquêteprocedure is afgerond of ten minste totdat het onderzoeksverslag ter griffie van de OK is gedeponeerd. Nexperia voert daartoe – samengevat – de volgende verweren aan.
Het verzoek is in strijd met de goede procesorde en ook overige gewichtige redenen verzetten zich tegen toewijzing, omdat het verzochte voorlopig getuigenverhoor samenloopt en volledig overlapt met het onderzoek in de enquêteprocedure (hierna ook: OK-onderzoek) en dat onderzoek op onaanvaardbare wijze zou verstoren. Daarnaast heeft Nexperia, onder meer bij monde van haar door de OK benoemde bestuurder [persoon 1] , aangevoerd dat het vennootschapsrechtelijk belang van Nexperia dat haar bestuurders [verweerder 1] en [verweerder 2] al hun tijd en aandacht kunnen besteden aan het bewerkstelligen van duurzame continuïteit van de onderneming van Nexperia, zwaarder moet wegen dan het belang van Yuching om hen te doen horen in een voorlopig getuigenverhoor.
Daarnaast heeft Yuching volgens Nexperia onvoldoende belang bij haar verzoek, niet alleen vanwege de genoemde overlap met het OK-onderzoek dat volgens haar antwoorden kan opleveren op al Yuching’s vragen, maar ook omdat Yuching geen reële hoofdzaak heeft tegen Nexperia en haar (formele en feitelijke) bestuurders. Yuching heeft volgens Nexperia bij de weergave van de voor de beoordeling van het verzoek relevante feiten bewust veel relevante informatie weggelaten, waaronder de (werkelijke) aanleiding voor het Bevel en het enquêteverzoek en het bestaan en de inhoud van de tweede Chinese procedure. Ook heeft Yuching bepaalde evident belangrijke stukken, zoals het enquêteverzoek van Nexperia en haar eigen tegenverzoek in de enquêteprocedure, niet overgelegd. Daarmee heeft Yuching gehandeld in strijd met haar verplichting om de voor de beslissing op het verzoek relevante feiten volledig en naar waarheid aan de rechtbank mee te delen (artikel 21 Rv).
Verder is het gelet op de door Yuching geëntameerde tweede Chinese procedure, die gaat over hetzelfde feitelijke gebeuren als waarover zij [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen wil horen en waarin zij dezelfde schade claimt als die zij stelde in een Nederlandse procedure te gaan vorderen, ongeloofwaardig dat zij daadwerkelijk (nog) een aansprakelijkheidsprocedure bij de Nederlandse rechter overweegt. Het verzochte voorlopig getuigenverhoor zal bovendien niet kunnen, en ook niet mogen, dienen als bewijsverrichting ten behoeve van deze (reeds aanhangige) Chinese procedure. Dat Yuching belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor in verband met de procedure over de Yuching Loan wordt door Nexperia ook betwist. De daarvoor eventueel noodzakelijke bewijsvoering moet volgens haar in die procedure plaatsvinden, mede in het licht van het belang van Nexperia bij ongestoorde voortgang van het OK-onderzoek. Ook ontbreekt een belang bij het verzochte verhoor omdat Yuching daarmee vraagt naar de bekende weg: ze stelt getuigen te willen horen over feiten die ze al kent. Nexperia betwist dat zij en haar (functionerende) management Yuching als aandeelhouder onvoldoende informatie hebben verschaft over de financiële toestand en gang van zaken bij Nexperia na 1 oktober 2025.
Ook is volgens Nexperia sprake van een zogenoemde “fishing expedition”, waarmee wordt bedoeld dat het onderwerp van het verhoor onvoldoende bepaald is.
Ten slotte stelt Nexperia dat Yuching misbruik maakt van de bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor door het verhoor en het verzoek daartoe (uitsluitend) in te zetten als oneigenlijk drukmiddel tegen de huidige bestuurders.
Ook [verweerder 1] en [verweerder 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij sluiten zich aan bij de verweren van Nexperia en hebben – in aanvulling daarop – tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek onder meer het volgende aangevoerd. Sinds de OK in oktober 2025 bij Nexperia heeft ingegrepen, is het bestuur van Nexperia geconfronteerd met Chinese exportmaatregelen, een ernstig verstoorde supply chain en verschillende juridische geschillen. Door nu ook een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, maakt Yuching misbruik van haar recht een dergelijk verhoor te vragen. De bestuurders van Nexperia werken dag en nacht om de onderneming overeind te houden en de door [CEO] veroorzaakte schade zoveel als mogelijk te beperken. Zij dienen hierbij, naast het lopende OK-onderzoek, niet ook nog eens met een verstorend voorlopig getuigenverhoor te worden belast.
Op de stellingen van Yuching en verweerders wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De bevoegdheid van de rechtbank
Rechtsmacht
De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van Yuching, omdat dit een internationale zaak is. Yuching is gevestigd in Hongkong, Nexperia in Nederland. [verweerder 1] is woonachtig in Nederland en [verweerder 2] woont in Duitsland. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de Verordening Brussel I-bis (hierna: Brussel I-bis) aangezien er sprake is van een rechtsverhouding met internationale aspecten, het verzoekschrift aanhangig is gemaakt na 10 januari 2015 en de zaak binnen het materiële toepassingsgebied van deze Verordening valt. Voor dit laatste is bepalend dat een eventuele zaak met Nexperia, [verweerder 1] en/of [verweerder 2] als toekomstige gedaagde(n) een burgerlijke- of handelszaak zou betreffen.
Ten aanzien van verweerders Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 26 lid 1 Brussel I-bis, aangezien zij alle drie in de procedure zijn verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten.
Interne bevoegdheid
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv ook absoluut en relatief bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De rechtbank zou namelijk vermoedelijk bevoegd zijn kennis te nemen van (in ieder geval twee van) de potentiële hoofdzaken ten behoeve waarvan Yuching het verzoek heeft gedaan.
Dat is ten eerste een (eventuele) vordering van Yuching tot schadevergoeding door Nexperia, [verweerder 1] en/of [verweerder 2] op grond van onrechtmatige daad. Een dergelijke vordering behoort tot de absolute competentie van de rechtbank en de beoogde gedaagden Nexperia en [verweerder 1] zij gevestigd respectievelijk woonachtig in het arrondissement van deze rechtbank, zodat de rechtbank ten aanzien van hen ook relatief bevoegd is. Ten aanzien van [verweerder 2] ontleent de rechtbank haar bevoegdheid aan het feit dat zij in een eventuele hoofdzaak tegen Nexperia en/of [verweerder 1] vermoedelijk relatief bevoegd zou zijn, zoals hiervoor overwogen, in combinatie met de regel van artikel 107 Rv die inhoudt dat indien een rechter ten aanzien van één van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. De rechtbank acht het namelijk onaannemelijk dat Yuching tegen Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] afzonderlijke procedures op grond van onrechtmatige daad zou voeren (mede gelet op de in het verzoekschrift aangekondigde intenties). Indien Yuching tegen deze drie verweerders één procedure begint ten overstaan van deze rechtbank, zal de rechtbank vermoedelijk ook ten aanzien van de tegen [verweerder 2] ingestelde vorderingen bevoegd zijn gelet op de samenhang daarvan met de vorderingen jegens Nexperia en [verweerder 1] . Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [verweerder 2] de (relatieve) bevoegdheid van de rechtbank niet heeft betwist.
Ten aanzien van de Yuching Loan procedure geldt dat die volgens de tekst van de overgelegde dagvaarding en volgens Nexperia aanhangig zal worden gemaakt bij deze rechtbank en dat Yuching de bevoegdheid van de rechtbank in ieder geval in het kader van deze verzoekschriftprocedure niet heeft betwist, zodat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat de rechtbank ook in die procedure vermoedelijk relatief bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Ook die vordering behoort bovendien tot de absolute bevoegdheid van de rechtbank.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
De rechtbank wijst het verzoek gedeeltelijk en onder voorwaarden toe
De rechtbank zal het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor gedeeltelijk en onder voorwaarden toewijzen, en gedeeltelijk afwijzen, in die zin dat het verhoor niet “onverwijld” mag worden gehouden maar pas na indiening van het rapport van de OK-onderzoekers en dat het verhoor wordt beperkt tot bepaalde, hierna te specificeren onderwerpen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
Toetsingskader
Voordat een zaak aanhangig is of, als een procedure al aanhangig is
gemaakt, zolang de zaak nog niet op de rol van het gerecht is ingeschreven en door het gerecht wordt behandeld, kan een belanghebbende partij de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. Een voorlopig getuigenverhoor is onder meer bedoeld om belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding (dat wil zeggen degene die het aanspannen daarvan overweegt, degene die verwacht dat het tegen hem zal worden aangespannen, dan wel een derde die anderszins bij dat geding belang heeft) de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de – wellicht nog niet precies bekende – feiten, om hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.
Het voorlopig getuigenverhoor dient er bovendien toe om, op betrekkelijk eenvoudige wijze en binnen afzienbare tijd, bewijs te verkrijgen van de feiten en stellingen die de verzoekster aan de vordering(en) in de eventuele bodemprocedure ten grondslag wil leggen.
Het wettelijk uitgangspunt staat in artikel 196 Rv en houdt in dat in gevallen waarin getuigenbewijs is toegelaten een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen als een belanghebbende daarom verzoekt. Het verzoek dient de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die de verzoekster wil bewijzen. Daarnaast moet het verzoekschrift de namen en woonplaatsen vermelden van de personen die verzoekster als getuigen wil doen horen (artikel 197 lid 2 en 3 Rv). Verzoekster dient kernachtig het (potentiële) geschil of feitelijk gebeuren te omschrijven met het oog waarop zij een voorlopig getuigenverhoor verzoekt, zodanig dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, en ook voor de (potentiële) wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Bij de beoordeling van het verzoek mag niet worden vooruitgelopen op de uitkomst van het getuigenverhoor en ook niet op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.
Indien het verzoek van Yuching voldoet aan de eisen die de wet aan het verzoekschrift stelt, heeft Yuching in beginsel recht op een voorlopig getuigengehoor. Dit is slechts anders als (a) de informatie die wordt verlangd niet voldoende bepaald is, (b) Yuching onvoldoende belang heeft bij het verzochte verhoor, (c) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (d) er sprake is van misbruik van bevoegdheid of (e) andere gewichtige redenen zich tegen het houden van een voorlopig getuigenverhoor verzetten (artikel 196 lid 2 Rv). Daarbij is van belang dat deze vijf afwijzingscriteria geen van elkaar afgescheiden criteria vormen, maar min of meer in elkaar overlopen en dus naast elkaar van toepassing kunnen zijn. Als geen van deze afwijzingsgronden zich voordoet, wordt het verzoek toegewezen.
Het verzoek voldoet aan de vereisten van artikel 197 lid 2 en 3 Rv
Het verzoekschrift voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de vereisten van artikel 197 lid 2 en 3 Rv. Dit is tussen de belanghebbenden ook niet in geschil.
Yuching heeft belang bij een voorlopig getuigenverhoor met het oog op de Yuching Loan
Yuching heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat zij opheldering wil verkrijgen over de, volgens haar nu nog onvoldoende duidelijke, feitelijke gang van zaken voorafgaand aan de opeising van de Yuching Loan, waaronder het eigen handelen van (de bestuurders van) Nexperia en de eventuele afstemming met derden in de periode voorafgaand aan het Bevel en het enquêteverzoek. Dit wil zij om haar rechtspositie te kunnen bepalen en verweer te kunnen voeren in de door Nexperia aangekondigde procedure bij de Nederlandse civiele rechter over de terugbetaling van de Yuching Loan (hierna ook: de Yuching Loan procedure), en ook om eventueel een (tegen)vordering te kunnen instellen tegen Nexperia tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het – volgens haar onterechte – opzeggen van de Yuching Loan.
Ter onderbouwing van haar verzoek op dit punt stelt Yuching onder meer dat Nexperia de change of control, die aanleiding is geweest voor de opzegging van de SFA door de banken, zelf heeft uitgelokt door de OK in het kader van de enquêteprocedure te verzoeken bij wijze van onmiddellijke voorziening de aandelen van Yuching over te dragen ten titel van beheer. Toen de OK dit verzoek bij beschikking van 1 oktober 2025 had toegewezen heeft Nexperia vervolgens zogenoemde change of control notices als bedoeld in de SFA aan de banken gezonden, waarna die de SFA-faciliteit hebben opgezegd. Gelet op het zelf uitlokken van die opzegging kan Nexperia volgens Yuching geen rechtsgeldig beroep doen op de bepaling in de IFA die opzegging van de Yuchin Loan mogelijk maakt op grond van opzegging van de SFA door de banken. Gevraagd wat zij door middel van een voorlopig getuigenverhoor in dit kader (globaal) te weten wil komen of wil bewijzen (gelet op het feit dat Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] niet betwisten dat Nexperia de OK om overdracht van de aandelen hebben verzocht en dat [verweerder 1] en [verweerder 2] betrokken waren bij de voorbereiding van dat verzoek) heeft Yuching tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij onder meer te weten wil komen waarom het verzoek aan de OK tot overdracht van de aandelen precies is gedaan en wat daarover is besproken tussen (de bestuurders van) Nexperia en EZ/de Staat, die toewijzing van dit verzoek heeft gesteund. Yuching wil weten of de Staat in dat kader juist is voorgelicht. Ook heeft Yuching verklaard [verweerder 1] en [verweerder 2] te willen horen met het oog op haar standpunt (van belang voor de Yuching Loan procedure) dat tussen Yuching en Nexperia de afspraak gold dat de Yuching Loan alleen via verrekening met aan Yuching verschuldigd dividend van Nexperia hoefde te worden afgelost (hetgeen Nexperia tot dusverre betwist) en dat aflossing op de Yuching Loan voorheen ook nooit anders dan door dividendverrekening heeft plaatsgevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Yuching reeds hiermee voldoende onderbouwd dat zij voldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor, waarbij [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen worden gehoord met het oog op een procedure bij de burgerlijke rechter over de (schade als gevolg van de) opeising van de Yuching Loan. Vaststaat dat partijen van mening verschillen over de feitelijke toedracht van het ontstaan van de situatie die Nexperia ter rechtvaardiging van de opeising inroept. Volgens Yuching heeft Nexperia zelf bijgedragen aan – en mogelijk zelfs de aanleiding gegeven voor – de omstandigheden die vervolgens door Nexperia zijn ingeroepen om de Yuching Loan op te eisen. Nexperia betwist dat en stelt zich op het standpunt dat zij juist door het handelen van [CEO] en Yuching genoodzaakt was de enquêteprocedure bij de OK aanhangig te maken en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen in Nexperia te verzoeken. Nexperia heeft bovendien niet betwist dat tussen haar en Yuching in geschil is of de door Yuching gestelde afspraak over aflossing door (alleen) dividendverrekening is gemaakt. Yuching heeft er belang bij [verweerder 1] en [verweerder 2] over (onder meer) deze onderwerpen als getuigen te kunnen horen.
De rechtbank volgt Nexperia niet in haar standpunt dat bewijslevering hieromtrent (alleen) dient plaats te vinden in het kader van de Yuching Loan procedure. Het verzoek is gedaan voordat die procedure aanhangig werd of wordt gemaakt, en dus tijdig in het licht van artikel 196 lid 1 Rv. Daarmee heeft Yuching in beginsel recht op een voorlopig getuigenverhoor en de omstandigheid dat verhoor van getuigen eventueel ook in de Yuching Loan procedure zelf zal kunnen plaatsvinden maakt als zodanig niet dat Yuching geen voldoende belang (meer) heeft bij haar verzoek. In dat geval zou de toewijzing van ieder verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor immers kunnen worden afgesneden door snel een (bodem)procedure bij de civiele rechter aanhangig te maken, hetgeen door de wetgever niet is beoogd. Bovendien gaat Nexperia er met dat standpunt ten onrechte aan voorbij dat een voorlopig getuigenverhoor mede kan strekken tot het verkrijgen van informatie die Yuching in staat stelt haar rechtspositie te bepalen met het oog op de Yuching Loan procedure (en een eventuele vordering in reconventie) en niet alleen tot het verkrijgen van bewijs. Reeds daarom gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.
Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben onder meer het verweer gevoerd dat het door de OK gelaste onderzoek in de enquêteprocedure – mede op eigen verzoek van Yuching – óók het feitelijk gebeuren omvat waarvan Yuching in haar verzoekschrift stelt dat ze [verweerder 1] en [verweerder 2] daarover wil horen, zowel temporeel als inhoudelijk. Gelet op de, mede uit het plan van aanpak van de OK-onderzoekers blijkende, ruime omvang en reikwijdte van het OK-onderzoek, het feit dat de onderzoekers ook voornemens zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] te interviewen en dat Yuching de OK kan verzoeken hen zo nodig als getuigen te horen, dient een voorlopig getuigenverhoor naast het OK-onderzoek volgens Nexperia geen enkel redelijk doel (meer) en heeft Yuching daarbij dan ook geen belang. Yuching heeft gemotiveerd betwist dat het inmiddels bevolen OK-onderzoek maakt dat zij geen belang (meer) heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. Zij heeft in dat kader onder meer betwist dat het OK-onderzoek (inhoudelijk en temporeel) volledig overlapt met het feitelijk gebeuren waarover zij [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen wil horen, met name met betrekking tot de Yuching Loan. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat het feit dat in het OK-onderzoek vragen aan de orde zouden kunnen komen die zij ook aan de getuigen wil stellen niet betekent dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren, en dat zij niet bij machte is de OK-onderzoekers te dwingen die vragen te stellen. Verder wijst zij erop dat het aan de OK-onderzoekers is welke informatie zij in hun verslag opnemen, dat zij daarop geen doorslaggevende invloed kan uitoefenen en dat zij bovendien geen toegang zal hebben tot de transcripties of opnamen van de gespreken. Ten slotte benadrukt Yuching dat de getuigen in het OK-onderzoek niet onder ede worden gehoord, dat een onder ede afgelegde verklaring een zwaarder bewijsrechtelijk gewicht heeft en dat die de strafrechtelijke waarborg meebrengt dat een opzettelijk valse verklaring meineed kan opleveren.
De rechtbank volgt de verweerders niet in hun standpunt dat de OK-procedure maakt dat Yuching geen belang (meer) heeft bij haar verzoek, voor zover dat betrekking heeft op de Yuching Loan. Daargelaten of de feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het verweer van Yuching in de Yuching Loan procedure en voor een eventuele (tegen)vordering tot schadevergoeding in verband met de Yuching Loan ook allemaal deel kunnen en zullen uitmaken van het OK-onderzoek, gaat dit verweer eraan voorbij dat een voorlopig getuigenverhoor niet alleen kan dienen ter opheldering van feiten, maar ook tot het verzamelen en veiligstellen van het bewijs daarvan. Dat het verslag van het OK-onderzoek in een procedure over de opeising van de Yuching Loan de functie zal kunnen vervullen van (zelfstandige) bewijsvoering, en daartoe ook voldoende zal zijn, ligt niet zonder meer voor de hand. In de eerste plaats omdat bepaald niet zeker is dat dit verslag onder ede afgelegde verklaringen van [verweerder 1] en [verweerder 2] zal bevatten, maar ook omdat het OK-onderzoek erop gericht zal zijn vast te stellen of sprake is (geweest) van wanbeleid bij Nexperia. Het zal er niet (noodzakelijkerwijs ook) op gericht zijn om vast te stellen of Nexperia in haar contractuele verhouding tot Yuching in het kader van de IFA gerechtigd was tot het opzeggen en opeisen van de Yuching Loan en om het bewijs veilig te stellen van de daarvoor relevante feiten.
Ook volgt de rechtbank verweerders niet in hun standpunt dat het belang van Nexperia bij volledige en ongestoorde beschikbaarheid van [verweerder 1] en [verweerder 2] voor – kort gezegd – het waarborgen van de continuïteit van Nexperia zwaarder dient te wegen dan het belang van Yuching bij een voorlopig getuigenverhoor met het oog op de Yuching Loan. Nog daargelaten de vraag of, en onder welke omstandigheden, tijdgebrek van potentiële getuigen aan het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor in de weg zal kunnen staan, heeft Nexperia de situatie waarin voor Yuching een belang is ontstaan bij een voorlopig getuigenverhoor over deze kwestie zelf gecreëerd door de Yuching Loan op te eisen en bij het incasseren van de resulterende geldvordering kennelijk geen pas op de plaats te maken. In die omstandigheden kan zij Yuching redelijkerwijs niet tegenwerpen dat haar bestuurders geen tijd hebben voor een verhoor en dat het verzoek daartoe daarom zou moeten worden afgewezen. Reeds daarom wordt aan dit verweer voorbijgegaan, met dien verstande dat de samenloop met het OK-onderzoek wel noopt tot uitstel van het verhoor, zoals hierna nog zal worden overwogen.
Op de overige verweren van Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] met betrekking tot een verhoor inzake de Yuching Loan zal hierna, vanaf rechtsoverweging 5.32., worden ingegaan.
Voor het overige wordt het verzoek afgewezen bij gebrek aan voldoende belang
Voor zover het verzoek strekt tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor over andere onderwerpen dan die relevant zijn met het oog op de Yuching Loan zal het worden afgewezen, omdat Yuching daarbij onvoldoende belang heeft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Yuching stelt in haar verzoekschrift dat ze [verweerder 1] en [verweerder 2] ook als getuigen wil horen met het oog op een eventuele procedure bij de Nederlandse civiele rechter op grond van onrechtmatige daad, in ieder geval tegen Nexperia zelf en mogelijk ook tegen [verweerder 1] , [verweerder 2] en eventuele andere bestuurders en/of feitelijk leidinggevenden waaronder [persoon 3] . Dit wil Yuching in verband met de hiervoor onder 4.2. samengevatte verwijten, die zien op de periode in aanloop naar het Bevel van 30 september en het enquêteverzoek van 1 oktober 2025 en op het handelen van Nexperia en haar (functionerende) bestuurders in de periode daarna. Die verwijten wijzen volgens Yuching op het schenden van specifieke zorgplichten jegens haar als aandeelhouder van Nexperia.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat Yuching geen belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor met het oog op een dergelijke procedure, nu zij over dit feitelijk gebeuren en de daardoor volgens haar geleden schade al een procedure tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad voert bij een Chinese rechter.
Dit verweer slaagt, behalve voor zover het ziet op de opeising van de Yuching Loan.
Daartoe is in de eerste plaats van belang dat Yuching niet heeft betwist dat, zoals door Nexperia gemotiveerd is gesteld, (a) de tweede Chinese procedure gaat over hetzelfde feitelijk gebeuren als waarover Yuching [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen wil horen, behalve voor zover het gaat over de Yuching Loan. Ook heeft Yuching niet betwist dat (b) zij in die procedure dezelfde schade claimt als die zij in het verzoekschrift stelde in een procedure bij de Nederlandse rechter te gaan vorderen (opnieuw: met uitzondering van schade door opeising van de Yuching Loan). Daarbij acht de rechtbank van belang dat door Yuching evenmin is betwist dat zij Nexperia niet eigener beweging op de hoogte heeft gesteld van deze Chinese procedure en dat Nexperia hier pas achter is gekomen door kennisname van de (in een Chinese taal gestelde) publieke mededeling van 22 mei 2026. Die mededeling is een aantal dagen daarna, kort voor de mondelinge behandeling, op
26 mei 2026 door Nexperia (en dus niet door Yuching) in het geding gebracht.
In deze omstandigheden kunnen aan de onderbouwing door Nexperia van haar hiervoor onder (a) en (b) weergegeven stellingen geen hoge eisen worden gesteld. Het had daarentegen op de weg van Yuching gelegen om die stellingen - indien onjuist - gemotiveerd te betwisten, aangezien zij geacht mag worden over alle relevante informatie te beschikken met betrekking tot de tweede Chinese procedure. Yuching had in dat geval op basis van gedetailleerde feitelijke informatie over de inhoud, startdatum, reikwijdte en aard van de tweede Chinese procedure onderbouwd dienen uiteen te zetten waarom zij, in weerwil van die procedure waarin zij kennelijk reeds een schadevergoeding van (omgerekend) ongeveer een miljard Euro vordert van onder meer Nexperia, [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] , niettemin nog belang heeft bij het verkrijgen van opheldering en bewijs ten behoeve van een procedure bij een civiele rechter in Nederland met een vergelijkbare inzet. Ook had zij naar het oordeel van de rechtbank (een vertaling van) het inleidende processtuk in die procedure dienen te overleggen.
Yuching heeft dat allemaal niet gedaan. Zij heeft wat betreft de tweede Chinese procedure ermee volstaan aan te voeren dat het in die procedure niet vereist, en ook praktisch vrijwel onmogelijk is, om [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen te horen en dat het feit dat het handelen van [verweerder 2] en [verweerder 1] onderwerp is van die procedure juist temeer reden is om het verzoek toe te wijzen, omdat een voorlopig getuigenverhoor ook kan worden verzocht ten behoeve van een procedure in het buitenland zoals de tweede Chinese procedure. Ten slotte stelt zij dat de Yuching Loan momenteel geen onderwerp vormt van de tweede Chinese procedure.
Met betrekking tot de opeising van de Yuching Loan heeft Nexperia op haar beurt vervolgens niet nader toegelicht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de tweede Chinese procedure ook daarop betrekking heeft, terwijl dat mede gelet op de inhoud van de publieke mededeling niet zonder meer voor de hand ligt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat die procedure daarop inderdaad niet ziet. In zoverre staat het bestaan van de tweede Chinese procedure dus niet aan Yuching’s belang bij het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor in de weg.
Voor het overige volgt de rechtbank Yuching echter niet in haar betoog dat zij (nog) belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. Nu dat belang kennelijk niet (meer) is gelegen in een eventuele procedure bij de Nederlandse civiele rechter, kan Yuching geen voldoende belang ontlenen aan het bestaan van de tweede Chinese procedure. De rechtbank is namelijk niet met Yuching eens dat - onder het nieuwe bewijsrecht, zoals zij stelt - een voorlopig getuigenverhoor ook kan worden verzocht ter ondersteuning van (alleen) een procedure die niet zal plaatsvinden ten overstaan van een Nederlandse civiele rechter, maar bij een buitenlandse rechter. Anders dan Yuching stelt biedt de Parlementaire Geschiedenis van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht ook geen steun voor dat standpunt. Yuching heeft in dat verband gewezen op een passage in de memorie van toelichting van die wet waarin het volgende staat:
“Op de vraag in de consultatie of om een voorlopige bewijsverrichting kan worden verzocht als een procedure in het buitenland loopt of een arbitragegeding
aanhangig is gemaakt, wordt opgemerkt dat de toegang tot de Nederlandse overheidsrechter openstaat voor partijen die de burgerlijke rechter
om een voorlopige bewijsverrichting willen verzoeken, op voorwaarde dat
de Nederlandse overheidsrechter rechtsmacht toekomt (en geen
procedure over het geschil bij de overheidsrechter in behandeling is).”
Dat een in het buitenland aanhangige procedure als zodanig niet in de weg staat aan het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor (naar mag worden aangenomen is bedoeld: over hetzelfde feitelijk gebeuren) wil nog niet zeggen dat een dergelijk verhoor kan worden verzocht ten behoeve van een buitenlandse procedure. Dat de wetgever dat laatste met de hiervoor geciteerde passage heeft bedoeld ligt niet voor de hand, alleen al omdat dit niet valt te rijmen met het onder het nieuwe bewijsrecht geldende uitgangspunt dat een voorlopige bewijsverrichting alleen kan worden verzocht vóórdat “een zaak” aanhangig is of op de rol is ingeschreven (artikel 196 lid 1 Rv), waarbij met “een zaak” evident is bedoeld de zaak ten behoeve waarvan de bewijsverrichting moet plaatsvinden. Daarbij komt dat het verzoek dient te worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt (artikel 197 lid 1 Rv), zodat mag worden aangenomen dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor (alleen) ten behoeve van een procedure bij een buitenlandse rechter niet mogelijk is: het verzoek wordt dan immers niet aan die rechter gedaan. De door Yuching voorgestane uitleg van de parlementaire geschiedenis past dus niet in het systeem van de wet. Bovendien maakt de hierboven geciteerde passage onderdeel uit van een paragraaf in de memorie van toelichting waarin wordt toegelicht waarom de mogelijkheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor tijdens een lopende procedure in de nieuwe wet wordt geschrapt. Gelet daarop, en aangezien het mogelijk is en voorkomt dat over hetzelfde onderwerp gelijktijdig wordt geprocedeerd bij (overheids)rechters in verschillende jurisdicties, is de meer voor de hand liggende uitleg dat de wetgever met de hiervoor weergegeven passage het oog heeft gehad op de situatie dat een belanghebbende in weerwil van een in het buitenland reeds aanhangige procedure (waarin de bevoegdheid van de buitenlandse rechter al dan niet wordt betwist) een voorlopig getuigenverhoor wenst met het oog op een mogelijke procedure ten overstaan van een Nederlandse civiele rechter over hetzelfde feitelijke gebeuren. Die mogelijkheid heeft de wetgever dus niet willen uitsluiten, mits het verzoek wordt gedaan voordat bij de Nederlandse rechter een procedure aanhangig is (of is ingeschreven op de rol). Dat neemt niet weg dat, zoals in dit geval, een gebrek aan belang bij (ook) een procedure ten overstaan van de Nederlandse rechter aan de toewijsbaarheid van het verzoek in de weg kan staan en dat het vereiste voldoende belang niet (uitsluitend) kan zijn gelegen in gebruik van de getuigenverklaringen voor de reeds aanhangige procedure bij de buitenlandse rechter.
Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat het onderhavige verzoek is gedaan voordat Yuching de tweede Chinese procedure aanhangig heeft gemaakt. Yuching heeft zich niet uitgelaten over de datum waarop zij die procedure aanhangig heeft gemaakt, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, temeer nu die datum uit de door Nexperia overgelegde publieke mededeling niet blijkt en uit de opmerkingen van de advocaat van Yuching tijdens de mondelinge behandeling kan worden opgemaakt dat een dergelijke procedure in eerste instantie “geheim” is en het dus mogelijk is dat de procedure bij de Chinese rechter reeds lang voor de datum van de publieke mededeling aanhangig is gemaakt. Dat betekent dat, zelfs indien een voorlopig getuigenverhoor wel zou kunnen worden verzocht ten behoeve van bewijslevering in een procedure voor een buitenlandse rechter, niet vaststaat dat het verzoek conform artikel 196 lid 1 Rv tijdig, want vóór het aanhangig maken van de tweede Chinese procedure, is gedaan.
Aangezien het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van de tweede Chinese procedure dus niet mogelijk is, is de stelling van Yuching dat [verweerder 1] en [verweerder 2] in de procedure in China niet als getuigen kunnen worden gehoord voor de beoordeling van het verzoek verder niet relevant, ongeacht of die stelling juist is en daargelaten de eventuele mogelijkheden tot het verkrijgen van grensoverschrijdend getuigenbewijs anders dan via een voorlopige bewijsverrichting.
Voor zover het verzoek van Yuching strekt tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in verband met een mogelijke aansprakelijkheidsprocedure tegen andere bestuurders of feitelijk leidinggevenden dan [verweerder 1] , [verweerder 2] en [persoon 3] heeft zij haar belang daarbij, in het licht van het op de tweede Chinese procedure gebaseerde verweer, onvoldoende onderbouwd. Yuching is op die mogelijkheid namelijk in het geheel niet meer ingegaan naar aanleiding van dat verweer. Hetzelfde geldt voor de in het verzoekschrift – zonder enige nadere toelichting – genoemde mogelijkheid van het instellen van een vordering tot schadebeperkende maatregelen. Yuching heeft zelfs niet bij benadering toegelicht wat de aard van dergelijke vorderingen zou (kunnen) zijn, mede in het licht van hetgeen zij in de tweede Chinese procedure reeds heeft gevorderd.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek zal worden afgewezen voor zover het verzochte voorlopig getuigenverhoor niet ziet op de opeising van de Yuching Loan en de als gevolg daarvan mogelijk geleden schade. Dat betekent dat de overige tegen het verzoek aangevoerde verweren alleen behandeling behoeven voor zover ze betrekking hebben op een voorlopig getuigenverhoor met het oog op de Yuching Loan. De rechtbank overweegt met betrekking tot die verweren als volgt.
Geen misbruik van bevoegdheid (oneigenlijk drukmiddel)
Verweerders voeren aan dat het verzoek moet worden afgewezen omdat Yuching misbruik maakt van haar bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken. Zij stellen dat Yuching sinds oktober 2025 doorlopend druk uitoefent op [verweerder 1] en [verweerder 2] in persoon, in de vorm van publieke mededelingen en brieven aan en via de advocaat van Nexperia. Nexperia wijst ook op de Chinese procedure met een vordering van ruim EUR 1 miljard tegen onder andere [verweerder 1] en [verweerder 2] . Het onderhavige verzoek om [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen te doen horen, met als doel het krijgen van “beter zicht” op “wie naast de vennootschap zelf mogelijk jegens [Yuching] onrechtmatig hebben gehandeld en wie aldus aansprakelijk kunnen worden gehouden” voor de vermeende schade van Yuching, past volgens verweerders naadloos binnen dit patroon. Daarbij stelt Yuching [verweerder 1] en [verweerder 2] immers nadrukkelijk een persoonlijke schadevergoedingsvordering in het vooruitzicht. Hieruit blijkt volgens verweerders het werkelijke doel van Yuching, namelijk om met het verzoek [verweerder 1] en [verweerder 2] maximaal onder druk te zetten en ertoe te bewegen hun ‘verzet’ te staken en de enquêteprocedure in te trekken. Dit wordt nu in de tweede Chinese procedure zelfs ook specifiek gevorderd als voorziening. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de onderhavige procedure wordt ingezet om oneigenlijke druk uit te oefenen op [verweerder 1] en [verweerder 2] , aldus verweerders.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Een bevoegdheid kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden, met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening van de bevoegdheid had kunnen komen. In dit geval stellen verweerders, zo begrijpt de rechtbank, dat Yuching haar bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor uitoefent met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, namelijk om op een oneigenlijke manier druk uit te oefenen op [verweerder 1] en [verweerder 2] . Verweerders lijken zich daarnaast op het standpunt te stellen dat het belang van Yuching bij een voorlopig getuigenverhoor dermate onevenredig is aan de (grotere) belangen van [verweerder 1] en [verweerder 2] om niet met zo’n verhoor te worden belast en het belang van Nexperia dat haar bestuurders niet door een verhoor van het uitoefenen van hun bestuurstaken worden afgeleid of afgehouden, dat Yuching in redelijkheid niet tot het uitoefenen van haar bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor mag worden toegelaten.
Dit verweer faalt. Voor zover het verzoek ziet op een verhoor met het oog op de Yuching Loan (en gelet op het voorgaande is alleen dat hier nog relevant) kan niet worden gezegd dat Yuching haar bevoegdheid tot het verzoeken van zo’n verhoor uitoefent met geen ander doel dan het onder druk zetten van [verweerder 1] en [verweerder 2] . Dat het verzoek op zijn minst mede ten doel heeft om Yuching in staat te stellen haar rechtspositie te bepalen en eventueel bewijs te vergaren ten behoeve van de Yuching Loan procedure, en een mogelijke tegenvordering op Nexperia, is voldoende aannemelijk geworden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat het verzoek wel het effect heeft dat [verweerder 1] en [verweerder 2] (nog grotere) druk ervaren van de zijde van Yuching en het feit dat Yuching (vooralsnog) alleen hen als getuigen wil horen in dit verband ook wel te denken geeft, is dat niet voldoende om het verzoek af te wijzen wegens misbruik van recht. Daarvoor is vereist dat Yuching zonder dat beoogde drukmiddel-effect niet tot het doen van het verzoek zou zijn overgegaan. Dat is niet, althans niet voldoende, gesteld of gebleken.
Ten slotte is ook niet gebleken van onevenredigheid van de betrokken belangen op grond waarvan Yuching in redelijkheid niet tot het uitoefenen van haar bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken kan worden toegelaten. Het belang van Yuching bij een dergelijk verhoor is naar het oordeel van de rechtbank voldoende zwaarwegend.
Informatie niet onvoldoende bepaald, ook geen “vragen naar de bekende weg”
Het verweer dat de informatie waarop het verzoek betrekking heeft onvoldoende bepaald is wordt verworpen. De voorbeelden die verweerders hebben aangevoerd, waaruit volgens hun blijkt dat Yuching het net te wijd heeft uitgegooid en dat toewijzing van het verzoek haar een vrijbrief zou geven om [verweerder 1] en [verweerder 2] te horen over de gehele gang van zaken vanaf 1 oktober 2025 en alle handelingen van het bestuur en het senior management in die periode met als doel om aanknopingspunten te vinden voor procedures tegen deze personen in privé, zien geen van allen op de Yuching Loan. Wat betreft de Yuching Loan is het verzoek naar het oordeel van de rechtbank voldoende bepaald.
De rechtbank volgt verweerders evenmin in hun standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat Yuching daarmee “vraagt naar de bekende weg”, voor zover het de Yuching Loan betreft. In de eerste plaats miskennen verweerders daarmee de bewijsfunctie van een voorlopig getuigenverhoor: het kan er ook toe dienen reeds bekende feiten te bewijzen. Ten tweede hebben verweerders onvoldoende onderbouwd dat de onderwerpen waarover Yuching (onder meer tijdens de mondelinge behandeling) heeft gesteld opheldering te willen verkrijgen met het oog op de Yuching Loan procedure en een eventuele tegenvordering op Nexperia, behoort tot de door hen gestelde “bekende weg”.
OK-onderzoek geen reden tot aanhouding of afwijzing verzoek, wel tot uitstel verhoor
Verweerders stellen zich op het standpunt dat het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor in strijd is met de goede procesorden en dat een dwingende reden zich tegen de toewijzing daarvan verzet, omdat het OK-onderzoek door het houden van een voorlopig getuigenverhoor op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist en verstoord. Subsidiair stellen zij dat de beslissing op het verzoek, althans in ieder geval het eventueel te gelasten verhoor zelf, om die reden moet worden aangehouden totdat de enquêteprocedure is afgerond of ten minste totdat het onderzoeksverslag ter griffie van de OK is gedeponeerd.
Verweerders stellen ter onderbouwing van dit standpunt dat een voorlopig getuigenverhoor de voortgang van het OK-onderzoek aanzienlijk zal kunnen vertragen en daarmee verstoren. Niet uitgesloten is namelijk dat de OK-onderzoekers het voorlopig getuigenverhoor zullen willen afwachten alvorens hun concept onderzoeksverslag op te stellen of dit aan partijen ter beschikking te stellen voor commentaar, althans alvorens hun onderzoeksverslag te finaliseren en aan de OK toe te zenden. Ook bestaat het risico dat medewerking aan een voorlopig getuigenverhoor in de praktijk zal betekenen dat [verweerder 1] en [verweerder 2] in mindere mate beschikbaar zullen zijn voor interviews door de OK-onderzoekers, met mogelijke vertraging van het OK-onderzoek tot gevolg. Kortom: enig belang van Yuching bij het horen van [verweerder 1] en [verweerder 2] over dezelfde onderwerpen weegt niet op tegen het belang bij een voortvarend OK-onderzoek. Daar komt bij dat getuigenverhoren leiden tot individuele getuigenverklaringen waardoor het risico bestaat dat deze verklaringen achteraf, en parallel aan het bredere onderzoek in de enquêteprocedure, in isolatie worden bezien en daarmee een vertekend beeld geven van de feiten en omstandigheden waarin [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben gehandeld. Er bestaat dan een risico op een versnipperde en inconsistente vaststelling van de feiten, aldus verweerders.
Yuching heeft hier onder meer tegenin gebracht dat van een daadwerkelijke verstoring van het OK-onderzoek door een voorlopig getuigenverhoor in dit geval geen sprake zou zijn. Ook stelt zij dat mag worden aangenomen dat het OK-onderzoek langer zal duren dan door de onderzoekers in hun plan van aanpak voorzien, onder meer vanwege het internationale karakter van het onderzoek en de noodzaak tot het interviewen van buiten Nederland wonende personen. Die tijd heeft Yuching niet, gelet op de reeds aangekondigde Yuching Loan procedure waarin Yuching mogelijk dit jaar nog van antwoord zal moeten dienen. Aanhouding is bovendien in strijd met het doel van een voorlopig getuigenverhoor, dat mede gericht is op het voorkomen dat bewijs verloren gaat, aldus Yuching.
De rechtbank is van oordeel dat het OK-onderzoek niet noodzaakt tot aanhouding van de beslissing op het verzoek en evenmin tot de afwijzing daarvan, maar wel tot uitstel van het te gelasten verhoor zelf. Zij zal daarom bepalen dat het feitelijke verhoor pas kan plaatsvinden nadat de OK-onderzoekers hun (definitieve) rapport hebben gedeponeerd ter griffie van de OK. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
In de eerste plaats is van belang dat, vanwege het hiervoor genoemde uitgangspunt dat op de uitkomst van een eventuele hoofdzaak niet mag worden vooruitgelopen, voor de beslissing in beginsel niet relevant is of de verwijten die Yuching in het verzoekschrift maakt aan het adres van Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] terecht zijn. Dat geldt dus onder meer ook voor de vraag of het enquêteverzoek door (bestuurders van) Nexperia terecht is gedaan en, in het verlengde daarvan, de vraag of het OK-onderzoek terecht is bevolen.
Dat dit onderzoek plaatsvindt is bij de beoordeling van het onderhavige verzoek dus een gegeven. Dat Yuching tegen de beschikking van de OK waarbij het onderzoek is gelast cassatieberoep heeft ingesteld, zoals zij heeft aangevoerd, maakt dit niet anders, aangezien op de uitkomst van die procedure evenmin mag worden vooruitgelopen.
Gelet op wat Yuching heeft verklaard over wat zij met het oog op de Yuching Loan procedure (en een eventuele tegenvordering op Nexperia) te weten wil komen en wil kunnen bewijzen, zoals hiervoor uiteengezet onder 5.12., en de onderwerpen die aan de orde zullen komen in het OK-onderzoek zijn de raakvlakken tussen OK-onderzoek en het beoogde verhoor naar het oordeel van de rechtbank van dien aard dat het vanuit proceseconomisch oogpunt noodzakelijk is om met de aanvang van een verhoor te wachten totdat de
OK-onderzoekers hun rapport hebben afgerond. Dit onder meer omdat anders het risico bestaat dat [verweerder 1] en [verweerder 2] zich tegelijkertijd zullen moeten richten op het beantwoorden van vragen van de OK-onderzoekers en het afleggen van getuigenverklaringen in het kader van een voorlopig getuigenverhoor over deels dezelfde, althans nauw gerelateerde onderwerpen, hetgeen de voortvarendheid, doeltreffendheid en nauwkeurigheid waarmee het OK-onderzoek kan worden verricht mogelijk negatief zal kunnen beïnvloeden. Door de feitelijke verhoren uit te stellen tot na afronding van het onderzoek door de OK-onderzoekers (maar niet tot het einde van de enquêteprocedure) wordt bovendien grotendeels tegemoet gekomen aan de door verweerders opgeworpen bezwaren met betrekking tot vertraging van het OK-onderzoek en dubbel tijdsbeslag voor de getuigen. Anderzijds wordt daarmee ook voldoende tegemoetgekomen aan het belang van Yuching bij het binnen afzienbare termijn doen horen van getuigen. Dat het OK-onderzoek waarschijnlijk veel langer zal duren dan door de OK-onderzoekers is voorzien is door Yuching namelijk onvoldoende onderbouwd. De voorbeelden van andere enquêteprocedures die zij in dat verband tijdens de mondelinge behandeling heeft genoemd zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer vergelijkbaar met de onderhavige enquêteprocedure (bij een nog volop in bedrijf zijnde onderneming). Bovendien is gesteld noch gebleken dat het - reeds aangevangen - OK-onderzoek al met enige daadwerkelijke vertraging te kampen heeft gehad.
Dat uitstel van de feitelijke verhoren tot na depot van het rapport van de OK-onderzoekers tot gevolg kan hebben dat die verhoren nog niet hebben plaatsgevonden op de eerste roldatum voor conclusie van antwoord in de Yuching Loan procedure is mogelijk, maar bepaald niet zeker. Immers had de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding in die procedure op het moment van de mondelinge behandeling van dit verzoek kennelijk nog niet plaatsgevonden (naar de rechtbank begrijpt omdat die betekening in China of Honkong dient te gebeuren vanwege de weigering van de advocaten van Yuching om in betekening aan hun kantoor te bewilligen). De rechtbank gaat ervan uit dat Nexperia bij de termijn waarop zij Yuching dagvaardt in de Yuching Loan procedure, dan wel bij het bewilligen in uitstel voor het nemen van een conclusie van antwoord in die procedure, haar in deze procedure ingenomen standpunt wat betreft uitstel van het voorlopig getuigenverhoor zal laten meewegen en dat, indien Nexperia dit niet doet, Yuching dit zo nodig bij de (rol)rechter in die procedure onder de aandacht zal kunnen brengen onder verwijzing naar deze beschikking.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat het voorlopig getuigenverhoor pas zal aanvangen nadat het verslag van de uitkomst van het OK-onderzoek op de voet van artikel 2:353 lid 1 BW ter griffie van het gerechtshof Amsterdam is nedergelegd.
De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat Yuching (althans haar advocaten), gelet op het door haar gedane tegenverzoek in de enquêteprocedure, op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW een exemplaar zal ontvangen van het verslag, dan wel dat de OK op de voet van die bepaling zal bepalen dat het verslag (ook) voor Yuching ter inzage ligt, en dat indien dit niet het geval zou zijn Nexperia Yuching onverwijld van het deponeren van het verslag op de hoogte zal brengen, zodra zij daarvan zelf bericht ontvangt.
Wat het voorgaande betekent voor de onderwerpen waarop het verhoor mag zien
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het verzoek zal worden toegewezen voor zover het strekt tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor met het oog op een (of meer) procedure(s) bij de burgerlijke rechter inzake de vordering tot terugbetaling van de Yuching Loan en de door de opeising van die lening eventueel door Yuching geleden schade. Voor het overige zal het verzoek worden afgewezen.
Dit betekent dat het verhoor alleen betrekking zal mogen hebben op feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de Yuching Loan procedure en eventuele andere procedures over de opeising van de Yuching Loan (en de als gevolg daarvan eventueel geleden schade). Van de in het hiervoor onder 4.4. opgenomen schema genoemde onderwerpen is dat naar het de rechtbank voorkomt alleen het onderwerp “Het recente handelen van Nexperia jegens Yuching” en daarbinnen alleen het deelonderwerp “volledige terugbetaling van de lening onder IFA”. Ook buiten deze indicatieve (voorbeeld)omschrijving zal Yuching uiteraard de vragen mogen stellen die voor het toegestane onderwerp van het verhoor relevant zijn, zoals bijvoorbeeld vragen die relevant zijn voor de uitleg van de bepalingen van de IFA. De overige door Yuching genoemde thema’s als hiervoor opgenomen onder 4.4. zullen geen onderwerp mogen zijn van het verhoor, voor zover voor het toegestane onderwerp van het verhoor niet relevant.
Hoger beroep wordt niet toegestaan
De rechtbank ziet geen aanleiding om met de gebruikmaking van haar door artikel 200 lid 2 Rv verleende bevoegdheid hoger beroep open te stellen tegen deze beslissing, zoals door Yuching tijdens de mondelinge behandeling is verzocht.
Beslissing op de proceskosten
Alleen Yuching heeft om een proceskostenveroordeling verzocht. In het feit dat het verzoek alleen wat betreft de Yuching Loan (en onder een voorwaarde) wordt toegewezen en dat de rechter in de Yuching Loan procedure (en een eventuele aparte procedure over de tegenvordering van Yuching met betrekking tot het opeisen van de Yuching loan) de kosten van deze procedure in zijn beslissing omtrent de proceskosten in die procedure(s) zal kunnen betrekken, ziet de rechtbank aanleiding om geen proceskostenveroordeling uit te spreken.
Het verdere verloop van de procedure
Nadat het verslag van de uitkomst van het OK-onderzoek is gedeponeerd dient Yuching daarvan mededeling te doen aan de door de rechtbank benoemde rechter-commissaris en de verhinderdata van haarzelf, Nexperia en de getuigen en hun advocaten toe te zenden aan de handelsrekestengriffie van de rechtbank, waarna datum en tijdstip van het getuigenverhoor zullen worden bepaald.
De rechtbank wijst Yuching en verweerders erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten in totaal per getuige zal reserveren. Als Yuching, Nexperia, [verweerder 1] en/of [verweerder 2] voorzien zijn dat meer tijd noodzakelijk is, moeten zij dit – tegelijk met of aanstonds na het indienen van de verhinderdata door Yuching – gemotiveerd aan de griffier laten weten, zodat hier bij het plannen van het verhoor rekening mee kan worden gehouden. Ook indien de belanghebbenden en/of de getuigen voorzien dat zij zich tijdens de verhoren door een tolk willen laten bijstaan dienen zij dat tegelijk met of aanstonds na het indienen van de verhinderdata door Yuching aan de griffier te laten weten met het oog op de voor het verhoor benodigde tijd.
De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.
6. De beslissing
De rechtbank
beveelt een voorlopig getuigenverhoor over hetgeen hiervoor onder 5.47. is vermeld,
benoemt mr. E. Boerwinkel tot rechter-commissaris,
bepaalt dat het voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
bepaalt dat het voorlopig getuigenverhoor zal aanvangen op een nader te bepalen datum nadat Yuching de rechter-commissaris bij brief heeft medegedeeld dat het verslag van de uitkomst van het door de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 11 februari 2026 in de zaak met rekestnummer 200.359.769/01 OK bevolen onderzoek op de voet van artikel 2:353 BW ter griffie van het gerechtshof is nedergelegd,
bepaalt dat Yuching (gelijktijdig met het onder 6.4 bedoelde bericht) schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel – een inschatting moet geven van de tijd die in ieder geval met het verhoor gemoeid zal zijn en de getuigen en de verhinderdagen van haarzelf, verweerders en hun advocaten in de daarop volgende vier maanden moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
stelt vast dat Yuching niet gehouden is Nexperia, [verweerder 1] en [verweerder 2] op de voet van artikel 198 lid 2 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden, aangezien de advocaten van die belanghebbenden van de griffier reeds een afschrift van deze beschikking zullen ontvangen,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op
2 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!