ECLI:NL:RBGEL:2026:6899

ECLI:NL:RBGEL:2026:6899

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer ARN 26/3942
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening over de afwijzing van een handhavingsverzoek dat ziet op de sloop van gebouwen rondom een voormalige fabrieksschoorsteen. Het verzoek wordt afgewezen omdat verzoeker met de schorsing van het besluit niet kan bereiken dat het college alsnog handhavend gaat optreden. Feitelijk strekt het verzoek er dan ook toe dat het college, vooruitlopend op de uitkomst van de bezwaarprocedure, bij wijze van voorlopige voorziening wordt opgedragen om handhavend op te treden. Een dergelijke voorlopige voorziening strekt in dit geval te ver.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3942

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

(gemachtigden: mr. B. Jurgens en [gemachtigde 2] ).

Als derde-partij neemt aan het geding deel Ontwikkelingscombinatie BPD-Nikkels uit Amersfoort (gemachtigde: [gemachtigde 3] ).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening te treffen en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening af. Omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van een overtreding is het college niet bevoegd om handhavend op te treden. Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden dan ook terecht afgewezen. Het besluit zal daarom naar verwachting in bezwaar in stand blijven.

Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 23 juni 2026 verzocht om handhavend op te treden tegen de, volgens verzoeker, gevaarlijke situatie met betrekking tot de sloopactiviteiten aan de Spoorstraat 27C en 29C in Apeldoorn, omdat de schoorsteen door sloopactiviteiten op het perceel instabiel kan worden en dit tot gevaar kan leiden.

Het college heeft in besluit van 23 juli 2026 het verzoek om handhaving afgewezen omdat er volgens het college geen sprake is van een overtreding van enig wettelijk voorschrift. In het besluit staat dat de afwijzing is gebaseerd op een inspectie van inspecteurs van de afdeling Veiligheid van de gemeente Apeldoorn ter plaatse. Naar aanleiding van deze inspectie en naar aanleiding van gesprekken met verschillende deskundigen, is door het college vastgesteld dat geen sprake is van een overtreding. Dat betekent dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De door verzoeker verzochte ordemaatregel is door de voorzieningenrechter afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij is [gemachtigde 3] verschenen.

Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen afgesproken dat op maandag 24 augustus 2026, verzoeker, zijn gemachtigde, een toezichthouder van het college en iemand van sloopbedrijf Lagemaat ter plaatse zouden gaan kijken naar de schoorsteen op het perceel. Daarbij is afgesproken dat de toezichthouder uitleg zou geven bij zijn bevindingen. Namens Lagemaat zou ook een toelichting gegeven kunnen worden over de manier van slopen.

Daarnaast is afgesproken dat het college uiterlijk op vrijdag 28 augustus 2026 de constateringen van de toezichthouder, die ten grondslag zijn gelegd aan het besluit van 23 juli 2026, zou aanleveren bij verzoeker. Uit die rapportage zou moet blijken welke constateringen er zijn gedaan door de toezichthouder en met wie er is gesproken. Hiermee moet het besluit beter controleerbaar worden.

Verzoeker heeft ingestemd met de voorgaande afspraken. Daarnaast heeft verzoeker toegezegd dat als de constateringen van de toezichthouder controleerbaar zijn, hij voornemens is zijn verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.

De rechtbank heeft verzoeker verzocht om uiterlijk 1 september 2026 aan te geven of hij het verzoek om een voorlopige voorziening intrekt.

Verzoeker heeft op 1 september 2026 aangegeven dat hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening handhaaft.

Partijen hebben desgevraagd niet verzocht om een nadere zitting. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

3. Verzoeker woont in de nabijheid van de percelen Spoorstraat 27C en 29C in Apeldoorn. Dat is het terrein van de voormalige Nettenfabriek. De op deze percelen aanwezige gebouwen worden gesloopt. De op het terrein aanwezige fabrieksschoorsteen wordt niet gesloopt en na afloop van de sloopwerkzaamheden gerestaureerd. Volgens verzoeker staat door de sloopwerkzaamheden de fabrieksschoorsteen (deels) op instorten. Daardoor dreigt volgens verzoeker direct gevaar voor de omgeving en onherstelbaar verlies van dit historisch erfgoed. Verzoeker heeft daarom op 23 juni 2026 een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Het college heeft het verzoek van verzoeker in het besluit van 23 juli 2026 afgewezen.

Inhoud verzoek

4. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om de volgende maatregelen te nemen:

Volgens verzoeker bevat het besluit van 23 juli 2026 ten onrechte geen kenbare toetsing aan de specifieke zorgplicht (artikel 7.4 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), geen vaststelling van de veiligheidsafstand (artikel 7.15 Bbl) en geen opgestelde risicomatrix (artikel 7.5a t/m 7.5c Bbl j° artikel 5.54 en 5.55 Omgevingsregeling).

Is sprake van een spoedeisend belang?

5. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij niet alleen vreest voor het mogelijk volledig bezwijken van de schoorsteen, maar ook vreest voor vallende stenen of metalen onderdelen, toenemende scheurvorming, beschadiging van top en metselwerk, zettingen, funderingsschade en verlies van monumentale waarden.

Verzoeker wijst daarbij op de toestand van het metselwerk en het voegwerk, de toestand van de top en bovenzijde, de rond de top aangebrachte doek of kous, losgeraakte en naderhand vastgezette metalen ringen en eerder naar beneden gekomen onderdelen, de niet aantoonbaar functionerende bliksembeveiliging, trillingen door sloopwerkzaamheden, werkzaamheden en het verwijderen van funderingen nabij de schoorsteen, het ontbreken van een kenbaar berekende veiligheidszone, het ontbreken van een controleerbaar monitoringsplan met grens- en stopwaarden en het ontbreken van controleerbaar en concreet toezicht.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval sprake is van een spoedeisend belang. De sloop kan gevolgen hebben en de enige mogelijkheid voor verzoeker om de sloop rondom de fabrieksschoorsteen tegen te gaan, is door de voorzieningenrechter te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Heeft het college het handhavingsverzoek terecht afgewezen?

6. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen omdat inspecteurs van de afdeling Veiligheid van de gemeente Apeldoorn een inspectie op de betreffende locatie hebben uitgevoerd. In het besluit staat in reactie op hetgeen verzoeker in het handhavingsverzoek heeft aangevoerd:

“Ad 1 De inspecteurs hebben geconstateerd dat de betreffende schoorsteen bouwkundig en

constructief veilig genoeg is om, in afwachting van de daadwerkelijke werkzaamheden aan

deze schoorsteen, geen aanvullende actie te ondernemen;

Ad 2 De bovenkant van de schoorsteen is voorzien van een soort doek om het afvallen van stenen,

loszittende voegen en eventueel ander loszittend materiaal te voorkomen. Er heeft een

beoordeling plaatsgevonden van de nog uit te voeren werkzaamheden aan de vastgezette

metalen ringen en het metselwerk;

Ad 3 Op de schoorsteen zal een geheel nieuwe bliksemafleider/-installatie worden aangebracht. Er zullen in de tussentijd geen tijdelijke maatregelen worden getroffen;

Ad 4 Tijdens de sloop- en herstelwerkzaamheden zal duidelijk zijn welke veiligheidsafstand of veiligheidszone rond de schoorsteen geldt;

Ad 5 De beschermingsmaatregelen voor de schoorsteen zijn concreet vastgelegd;

Ad 6 Tijdens de werkzaamheden zal eventuele schade aan de schoorsteen worden gemonitord;

Ad 7 De uitvoerende partij is deskundig op het gebied van schoorsteenbouw (en onderhoud). Zij zijn bekend met de geldende veiligheidsmaatregelen;

Ad 8 Inspecteurs en andere deskundigen van de gemeente Apeldoorn zullen erop toezien dat de betreffende werkzaamheden op een goede en veilige manier worden uitgevoerd.

Eén van de inspecteurs heeft in een eerder stadium al contact opgenomen met het sloopbedrijf. Hij heeft aan een medewerker van dit bedrijf gevraagd of de uitvoerder op de hoogte is van de situatie met betrekking tot de schoorsteen (en ook van de overige sloopwerkzaamheden). Uit het gesprek bleek dat ook het sloopbedrijf op de hoogte is van de situatie met betrekking tot de schoorsteen en de staat hiervan. Alle maatregelen zullen worden genomen om deze monumentale schoorsteen, en de omliggende bebouwing, tijdens de sloopwerkzaamheden te beschermen.”

Daarnaast is tijdens de zitting door de derde-partij aangegeven dat er trillingssensoren worden aangebracht waarmee de omstandigheden tijdens de sloopwerkzaamheden nauwlettend in de gaten worden gehouden. Als deze sensoren een overschrijding registreren van de grenswaarde zullen de werkzaamheden worden stilgelegd en zal worden uitgezocht waardoor de trillingen worden veroorzaakt en zo nodig maatregelen worden genomen om dit te voorkomen.

De voorzieningenrechter zet voorop dat het college met het besluit van 23 juli 2026 heeft geweigerd handhavend op te treden. Dat betekent dat verzoeker met de schorsing van dat besluit niet kan bereiken dat het college alsnog handhavend gaat optreden. Feitelijk strekt het verzoek er dan ook toe dat het college, vooruitlopend op de uitkomst van de bezwaarprocedure, bij wijze van voorlopige voorziening wordt opgedragen om handhavend op te treden. Een dergelijke voorlopige voorziening strekt heel ver. Voor het treffen van een dergelijk verstrekkende voorlopige voorziening bestaat dan ook slechts aanleiding in zeer uitzonderlijke situaties.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. Na de aanhouding van de procedure heeft de toezichthouder van de afdeling Veiligheid in dienst van de gemeente Apeldoorn alsnog een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt met daarin zijn bevindingen zoals die aan het besluit van 23 juli 2026 ten grondslag zijn gelegd.

In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit van 23 juli 2026 geen stand zou kunnen houden in de bezwaarprocedure. Gelet op de motivering van het college in het besluit en het daaronder liggende proces-verbaal van bevindingen is voorshands niet vast komen te staan dat sprake is van een overtreding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

De voorzieningenrechter is niet in de

gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.H. Dijkman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand