RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/045737-26
Datum uitspraak : 29 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. R. Heemskerk, advocaat in 's-Gravenhage.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Huissen, althans in Nederland uit een bedrijfspand gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een groot aantal (pokémon gerelateerde) goederen (zie overzicht op pagina 218 van het dossier) ter waarde van ongeveer 79.345,50 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] B.V. in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Op vrijdag 13 februari 2026, omstreeks 02:31 uur, kwam er een inbraakalarm binnen via een
Particulier Alarmcentrale (PAC) genaamd “ [naam] ”. De locatie van de inbraak betrof een pand aan [adres] te Huissen, Gelderland. De alarmcentrale kon live meekijken met de, in- en om het pand aanwezige, camera’s. De alarmcentrale zag dat er een voertuig voor het pand stond en dat personen zichzelf toegang hadden verschaft tot het bedrijfspand. Deze personen waren bezig om dozen in een auto te gooien. Naar aanleiding van de melding is een eenheid direct naar het bedrijfspand gereden en troffen daar geen personen of voertuigen meer aan. Binnen het pand waren palletstellingen overhoop gehaald en buiten lagen er allemaal Pokémon-kaarten op de grond. De roldeur van het pand werd opengehouden door een container. Naast de container lag een (grote) bijl. De roldeur van de loods was ontwricht. [aangever] heeft namens het bedrijf “ [bedrijf] B.V.”, huurder van het pand, aangifte gedaan van de inbraak. Het bedrijf handelt (enkel) in Pokémon-kaarten. De totale waarde van de weggenomen goederen bedraagt € 79.345,50 inclusief btw.
Op de (door verbalisanten uitgekeken) camerabeelden in en voor het pand is te zien dat omstreeks 02:27:33 uur een bedrijfsbus aan komt rijden, dat deze licht van kleur is, gelijkend op een Renault Traffic, en gevolgd door een personenauto donker van kleur. Verder zijn zes personen te zien die onder het rolluik door komen en (telkens) dozen naar buiten brengen/gooien. De persoon aangeduid als ‘verdachte 2’ draagt een donker blauwe jas met een donker blauwe capuchon, een zwarte broek met een lichte, witte streep op de heup die van de broeksband loopt tot net over de knie. Verder is te zien dat hij donkere schoenen draagt, gelijkend op zwarte sneakers, met een witte zool. Te horen is dat er wordt geroepen: “een halve minuut snel” en “tempo het duurt te lang”. Omstreeks 02:35:06 uur is te zien dat de twee voertuigen wegrijden.
Op 13 februari 2026 omstreeks 2:34 uur kregen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het verzoek van het Operationeel Centrum om naar de locatie van voornoemde inbraak te gaan. Zij reden daartoe over de A15 in de richting van Bemmel. Van het operationeel centrum kregen zij ook te horen dat de verdachten inmiddels waren vertrokken en mogelijk hun kant op kwamen in een wat grotere auto of bus. Toen zij een soort camperbus tegemoet zagen komen, zijn zij achter dit voertuig aangereden. Het betrof een zilvergrijze camperbus voorzien van kenteken [kenteken] . Nadat het voertuig de afslag naar de A325 in de richting van Arnhem had genomen, werd door de verbalisanten het stoptransparant aangezet en werden blauwe optische signalen ingeschakeld.
Vervolgens zagen de verbalisanten dat het voertuig enkele keren de middenberm in reed en slingerde van links naar rechts over de linkerbaan. Zij zagen dat zij een snelheid bereikte van 164 kilometer per uur. Zij zagen dat het voertuig vlak voorbij tankstation Shell begon te remmen, doordat de remlichten aan de achterzijde van het voertuig fel aanwezig waren. Zij zagen dat het voertuig wederom de middenberm in reed en vlak langs de middengeleider reed. Zij zagen aan de linkerzijde van het voertuig een man uit het voertuig springen. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat een man over de middengeleider heen klom en de snelweg over rende in de richting van de bossages. Kort daarop, om 2.45 uur werd de man, die later door de politie is geïdentificeerd als verdachte, aangehouden.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 13 februari 2026 een donkere broek met witte strepen aan had, zoals ‘verdachte 2’ op de camerabeelden droeg. Ook droeg hij werkhandschoenen.
Op (een van) de werkhandschoenen zat een gedeelte van een sticker, wit of zilver met daarop rode belettering. In de loods werden dozen met bestickering aangetroffen. Deze bestickering betrof wit met rode belettering en kwam overeen met het restje sticker op de handschoenen van de verdachte.
In de nektas van verdachte werd een ontgrendelde telefoon aangetroffen. In de applicatie WhatsApp was te zien dat verdachte omstreeks 01:28 uur contact had gehad met een persoon omschreven als [naam] . Er was een aantal keer via WhatsApp gebeld en een bericht gestuurd met daarin de tekst: “ [locatie] ”. Dit is de locatie waar de kentekenplaten [kenteken] zijn gestolen na 7 februari 2026, 17.00 uur en die zijn gebruikt op de camperbus tijdens de inbraak. Ook was in de telefoon te zien dat verdachte op 11 februari 2026 contact had met ene Ed waarbij verdachte stuurde: “De jongens hebben het busje al geregeld, wat is de locatie?”.
De overwegingen van de rechtbank
Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met vijf medeverdachten in de nacht van 13 februari 2026 heeft ingebroken in een bedrijfspand in Huissen, dat daarbij een deur is geforceerd met een bijl om binnen te komen waardoor schade aan de roldeur is ontstaan en dat (pokémon-gerelateerde) goederen zijn weggenomen met een waarde van ongeveer 79.345,50 euro. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering tussen verdachte en zijn mededaders. Zij zijn immers in twee auto’s naar het bedrijfspand gereden en hebben tezamen de goederen uit de loods gehaald. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vooraf geplande/georganiseerde inbraak. Voorafgaand aan de inbraak werden een busje en gestolen kentekenplaten geregeld. Om binnen te kunnen komen hadden ze een bijl bij zich. De verdachten wisten kennelijk dat zij voor de inbraak beperkt de tijd hadden voordat er politie-eenheden werden aangestuurd na het afgaan van het inbraakalarm. Gedurende de inbraak werd namelijk geroepen: “een halve minuut snel” en “tempo het duurt te lang”. Daarnaast droeg de verdachte een capuchon en werkhandschoenen tijdens de inbraak, waarschijnlijk om te voorkomen dat hij later kon worden herkend op camerabeelden dan wel kon worden opgespoord aan de hand van zijn DNA-materiaal.
De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen in die zin dat sprake is van diefstal in vereniging door middel van braak.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Huissen, althans in Nederland uit een bedrijfspand gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een groot aantal (pokémon-gerelateerde) goederen (zie overzicht, beginnend op pagina 218 van het dossier) ter waarde van ongeveer 79.345,50 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] B.V. in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de omstandigheden dat sprake was van een ‘klinische’ inbraak. De goederen zijn in de nacht uit de loods gestolen op het moment dat er geen personeel aanwezig was. Er is geen sprake van geweld. De raadsman heeft verzocht om geen voorwaardelijke straf op te leggen naast een onvoorwaardelijke straf. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de reclassering geen aanleiding ziet om met voorwaarden de risico’s te beperken en dat ook verdachte geen meerwaarde ziet in een stok achter de deur.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met vijf medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal uit een bedrijfspand door middel van braak. De gestolen goederen vertegenwoordigen een omvangrijke waarde (bijna 80 duizend euro). Verdachte en zijn medeverdachten zijn georganiseerd en planmatig te werk gegaan. Enkele dagen voor het delict werd een bus geregeld. De kentekenplaten op de bus waarmee de goederen werden weggenomen, bleken voorafgaand aan het delict gestolen te zijn. Ook hadden de verdachten een bijl bij zich om de roldeur van de loods te forceren. De inbraak vond in minder dan acht minuten plaats. Verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen. Daarnaast heeft hij hinder voor de gedupeerden veroorzaakt. Zij zijn hun bedrijfsvoorraad ter waarde van bijna 80 duizend euro kwijt en de verdachten hebben een enorme puinhoop in het bedrijfspand achtergelaten. Dergelijke feiten kunnen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken of versterken. Verdachte heeft zich van dat alles evenwel niets aangetrokken en heeft slechts gehandeld uit het oogpunt van eigen financieel gewin.
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 30 april 2026 betreffende verdachte volgt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten (vermogenscriminaliteit). Ten tijde van het gepleegde delict liep verdachte in een proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden door het gerecht in Zwitserland voor het plegen van vermogensfeiten. De eerdere (voorwaardelijke) veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de (hoogte van de) straf.
Reclasseringsadvies
In het reclasseringsadvies van 18 december 2025 (uitgebracht in het kader van een andere strafzaak) staat vermeld dat verdachte in de periode van 2020 en 2023 onder toezicht van de reclassering heeft gestaan en dat hij daarna nog is veroordeeld betreffende vermogenscriminaliteit gepleegd in Zwitserland in mei en augustus 2024. De reclassering vindt het zorgelijk te noemen dat ook na reclasseringsbegeleiding en interventies nog sprake is geweest van nieuwe justitiecontacten. Ook staat vermeld dat verdachte geen hulpvragen heeft en geen noodzaak ziet tot reclasseringsbemoeienis of interventies. De reclassering ziet daarvoor eveneens weinig aanknopingspunten (ten tijde van het uitbrengen van het advies).
Ter terechtzitting van 15 juli 2026 heeft verdachte aangegeven geen noodzaak te zien in reclasseringsbemoeienis of interventies. Verdachte heeft aangegeven zijn leven een positieve wending te willen geven, na detentie bij zijn moeder te kunnen wonen en zich daar in te schrijven en werk te gaan zoeken om (legaal) zijn inkomen te verdienen.
Oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Hieruit volgt dat bij een inbraak in een bedrijfspand in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien sprake is van recidive. Daarnaast ziet de rechtbank een aantal strafverzwarende factoren. Zo heeft verdachte het feit in vereniging gepleegd, is sprake van een vooraf goed georganiseerde bedrijfsinbraak, uitgevoerd met een van gestolen kentekenplaten voorziene bedrijfsbus, en zijn er goederen van een aanzienlijke waarde weggenomen. Bovendien neemt verdachte, hoewel op heterdaad aangehouden door de politie, geen verantwoording voor zijn acties en betoont hij geen berouw.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van het feit, het feit dat verdachte in een periode van een aantal jaar meermalen recidiveert in soortgelijke vermogensdelicten en gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke zaken worden opgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Voor een voorwaardelijk deel van de straf is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats, mede gelet op de omstandigheid dat verdachte toen hij het bewezenverklaarde feit pleegde in een proeftijd liep in verband met een veroordeling in 2025 in Zwitserland (tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden voor een soortgelijk feit). Van de beoogde afschrikwekkende werking van een opgelegde voorwaardelijke straf is bij verdachte dan ook onvoldoende gebleken om de rechtbank ertoe te bewegen die strafmodaliteit nogmaals in te zetten.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.