RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3864
(gemachtigde: mr. A. Ok),
en
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 16 juli 2026 waarbij de aanvraag voor leerlingenvervoer ten behoeve van het minderjarige kind van verzoekers, [minderjarige] , is afgewezen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college aangepast leerlingenvervoer ten behoeve van [minderjarige] verstrekt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. [minderjarige] gaat naar de islamitische basisschool [naam school] in [plaats] . Op 21 april 2026 hebben verzoekers een (nieuwe) aanvraag ingediend voor aangepast taxivervoer voor het schooljaar 2026-2027.
Bij bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3. Op grond van artikel 19 van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Zevenaar 2024 (hierna: de Verordening) verstrekt het college een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als:
a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 17 of 18 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;
b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 17 of 18 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per (brom/snor)fiets;
c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 18 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of
d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.
Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Zevenaar 2024 (hierna: Beleidsregels) kunnen de ouders worden vrijgesteld van begeleiding en kan aangepast vervoer worden toegekend als het begeleiden van de leerling in het vervoer door ouders of anderen onmogelijk is, of tot ernstige benadeling van het gezin leidt.
Gelijkheidsbeginsel
4. Verzoekers voeren aan dat het college met het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij stellen dat enkele kinderen uit hun buurt naar dezelfde school als [minderjarige] gaan en dat aan deze kinderen aangepast leerlingenvervoer (taxivervoer) is toegekend. Voor zover verzoekers weten hebben de ouders van deze kinderen geen vervoersontwikkelplan, geen medische verklaring, geen netwerkverklaring en geen werkgeversverklaring, hoeven over te leggen. Deze stukken zijn wel bij verzoekers opgevraagd en het ontbreken van deze stukken was voor het college aanleiding om de aanvraag af te wijzen. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom in het geval van [minderjarige] aanzienlijk zwaardere eisen worden gesteld. Daarnaast is de reistijd voor [minderjarige] , anders dan bij de andere kinderen, niet conform de geldende Verordening en Beleidsregels vastgesteld. Ook beoordeelt het college in het geval van een van de andere kinderen dat de afstand te groot is om te fietsen en dat een openbaar vervoerverbinding ontbreekt, terwijl in het geval van [minderjarige] wordt gesteld dat hij wel naar het treinstation kan fietsen. Het bestreden besluit is op deze punten onvoldoende gemotiveerd.
5. Het college betwist dat er sprake is van een gelijke situatie. De situatie van de kinderen is anders dan die van [minderjarige] ; één kind kan niet zelfstandig reizen omdat zij dan gedesoriënteerd raakt, bij twee kinderen is er sprake van een alleenstaande ouder en bij één kind zijn de ouders wegens medische redenen en werk niet in staat om het kind te brengen en te halen. Bij deze kinderen is geen vervoersontwikkelplan opgesteld omdat de noodzaak hiervan ontbrak. Anders dan bij [minderjarige] was bij die kinderen de individuele situatie duidelijk, is meegewerkt door de ouder(s) en kon het recht op een vervoersvoorziening worden vastgesteld. Omdat verzoekers de gevraagde verklaringen niet verstrekken en niet meewerken aan een vervoersontwikkelplan, is niet duidelijk of er sprake is van ernstige benadeling van het gezin en is niet vast te stellen of er recht bestaat op aangepast leerlingenvervoer. Tot slot weerspreekt het college dat de reistijd voor [minderjarige] niet is vastgesteld conform de Verordening en de Beleidsregels.
6. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van een feitelijk en rechtens vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelswijze. Het is aan verzoekers om het beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen.
Op zitting hebben verzoekers toegelicht dat de situatie van [minderjarige] overeenkomt met de situatie van [naam ] ., aan wie wel aangepast leerlingenvervoer is toegekend. Het college heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht rapporten overgelegd van de afgelopen drie jaren inzake [naam ] . alsmede het besluit van 24 maart 2026 waarin aan [naam ] . leerlingenvervoer is toegekend voor het schooljaar 2026/2027. [naam ] ., bijna twee jaar ouder dan [minderjarige] , woont in dezelfde wijk als [minderjarige] en gaat naar dezelfde school als [minderjarige] . Niet gebleken is dat [naam ] . gezondheidsproblemen of beperkingen heeft. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gemeente Zevenaar tot de conclusie is gekomen dat [naam ] . nog niet zelfstandig genoeg is om zelf naar [plaats] te reizen, de afstand voor [naam ] . te groot is om te fietsen, dat het ontbreekt aan passend openbaar vervoer en dat de ouders en het netwerk geen oplossing kunnen bieden. Daarbij lijkt de gemeente uit te zijn gegaan van hetgeen de ouders in de aanvraag hebben vermeld. Uit de overgelegde rapportages blijkt niet dat de stellingen van de ouders zijn onderbouwd met netwerk-, werkgevers- en medische verklaringen. Ook lijkt er geen vervoersontwikkelplan te zijn opgesteld. Op basis van deze stukken is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen verschil te zien tussen de situatie van [naam ] . en dat van [minderjarige] . Ook heeft het college niet duidelijk kunnen maken waarom in het geval van [naam ] . geen aanvullende stukken zijn opgevraagd en in het geval van [minderjarige] wel. De voorzieningenrechter is daarom voorlopig van oordeel dat het beroep van verzoekers op het gelijkheidsbeginsel lijkt te slagen en zal daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college aangepast leerlingenvervoer ten behoeve van [minderjarige] verstrekt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht van € 200 moet vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun reis- en verletkosten van € 53,42.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het college aangepast leerlingenvervoer ten behoeve van [minderjarige] verstrekt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van reis- en verletkosten van totaal € 53,42 aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: