ECLI:NL:RBGEL:2026:6984

ECLI:NL:RBGEL:2026:6984

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 05/332163-25, 05/255145-25 en 05/061261-25 (gev. ttz)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, diefstal met geweld en twee bedreigingen tegen ex-partner, belediging ambtenaar in functie, bedreiging verbalisanten en vrijspraak voor niet meewerken aan bloedonderzoek. GVS 12 maanden en oplegging tbs met voorwaarden en 38z-maatregel. Huiselijk geweld. VH wordt geschorst met ingang van opname in kliniek.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummers: 05/332163-25, 05/255145-25 en 05/061261-25 (gev. ttz)

Datum uitspraak : 3 september 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Onder parketnummer: 05/332163-25

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging/tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 5 december 2025 te Tiel, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurwond en/of litteken in het gezicht, heeft toegebracht door

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 december 2025 te Tiel, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of heeft geschopt, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen bij de hals en/of de keel heeft vastgepakt en/of heeft vastgegrepen en/of (vervolgens) de hals en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of heeft dichtgedrukt, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of heeft gestompt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 december 2025 te Tiel, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen bij de hals en/of de keel vast te pakken en/of vast te grijpen en/of (vervolgens) de hals en/of de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dicht te drukken, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen;

feit 2

hij op of omstreeks 5 december 2025 te Tiel, althans in Nederland, één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- een ketting, althans een sieraad, (met kracht) van de hals en/of de nek, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te trekken, en/of

- een ring, althans een sieraad, (met kracht) van de vinger, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te trekken, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen bij de hals en/of de keel vast te pakken en/of vast te grijpen en/of (vervolgens) de hals en/of de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dicht te drukken, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen;

feit 3

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Duiven, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] ,

via een video en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- aan die [slachtoffer] een video te versturen en/of

- in de video die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: “Ja papa zit in een psychose toch. Luister vieze vuile hoerenwijf. Jij gaat vanavond mijn spullen geven anders snij ik je door je vieze vuile Indiase vieze kanker koelijoeri strot heen. Ja vieze geneukte kanker termijer. Je bent mijn kinderen niet waard jij. ja goed in je oren knopen hoerenkind.”, althans woorden van gelijkende dreigende aard of strekking.

Onder parketnummer: 05/255145-25

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Duiven [aangever 1] (Brigadier politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [aangever 2] (Hoofdagent politie Eenheid Oost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door opzettelijk dreigend met zijn, verdachtes, hand in zijn jaszak te graaien/grijpen/stoppen en/of een schietbeweging te maken en/of (daarbij) die [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Duiven opzettelijk een (politie)ambtenaar, te weten [aangever 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,

in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "je bent een pijpslet en een kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

feit 3

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door (een) ambtena(a)r(en), te weten, [aangever 1] (Brigadier politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [aangever 2] (Hoofdagent politie Eenheid Oost-Nederland), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of

bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtena(a)r(en) hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.

Onder parketnummer: 05/061261-25

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 24 februari 2025 te Duiven

[slachtoffer] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onder parketnummer: 05/332163-25

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Feit 1 en 2

In de nacht van 4 op 5 december 2025 verbleven aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) en verdachte in een hotel in Tiel. Verdachte en aangeefster kregen ruzie, waarna aangeefster de politie belde. Hierna is het volgende letsel bij aangeefster geconstateerd: onderhuidse bloeduitstortingen op het ooglid boven het rechteroog, onder het linkeroog, op de rechterwang, rechtsboven op de rug, op de voorzijde van het rechterbovenbeen en op de binnenzijde van het linkerbovenbeen. Er was een bloeduitstorting in het oogwit van het linkeroog. Er was een (gelijmde) scheurwond van de huid op de linkerwang. Op de MRI-scan werden onderhuidse zwellingen bij de linkerwang en aan de achterzijde van de rechterschouder gezien. Ook werd een zwelling (aan de buitenzijde van de schedel) van het linkerdeel van het achterhoofd aangetroffen.

Feit 3

Op de tablet van [persoon] , de dochter van verdachte en aangeefster, is een filmpje aangetroffen door een medewerker van de Jeugdbescherming Gelderland waarop verdachte zichzelf filmt waarbij hij zijn dochter op schoot heeft. Dit filmpje is doorgezonden naar de politie. Op dit filmpje zegt verdachte: “Ja papa zit in een psychose toch. Luister vieze vuile hoerenwijf. Jij gaat vanavond mijn spullen geven anders snij ik je door je vieze vuile Indiase vieze kanker koelijoeri strot heen. Ja vieze geneukte kanker termijer. Je bent mijn kinderen niet waard jij. ja goed in je oren knopen hoerenkind.”

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, daarnaast aan de diefstal met geweld en de bedreiging van zijn ex-partner zoals ten laste gelegd onder respectievelijk feit 2 en 3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken voor het primair en subsidiair onder feit 1 ten laste gelegde. Er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel omdat volgens de forensisch-medische letselrapportage van het LOEF de scheurwond binnen enkele weken zou genezen. Daarnaast worden restverschijnselen niet verwacht. Er is geen sprake van meerdere littekens en het litteken in het gezicht van aangeefster is niet meer duidelijk zichtbaar.

De raadsman heeft over het subsidiair tenlastegelegde aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster bij haar keel/hals heeft vastgepakt en deze vervolgens heeft dichtgeknepen. Aangeefster meldt niet bij de 112-melding dat zij is gewurgd en uit het onderzoek van LOEF blijkt ook geen onmiskenbaar letsel in haar hals. Daarnaast is het aannemelijk dat verdachte geen schoenen droeg. Omdat niet is gebleken dat verdachte gericht heeft geschopt op kwetsbare delen van het hoofd of lichaam, kan geen sprake zijn van een poging tot zware mishandeling.

De raadsman vindt dat de rechtbank verdachte ook moet vrijspreken van de als feit 2 tenlastegelegde diefstal met geweld. De ketting was enkel uitgeleend aan aangeefster en verdachte had bij zijn aanhouding de ring in zijn broekzak om die terug te geven aan aangeefster. Daaruit blijkt dat verdachte niet het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening. Verder is het gebruikte geweld niet gepleegd met het specifieke doel om de ketting en ring van aangeefster te stelen.

Tot slot heeft de raadsman over de bedreiging zoals tenlastegelegd onder feit 3 aangevoerd dat het aannemelijk is dat de bedreiging zich niet richtte tegen aangeefster. Daarbij wijst de raadsman op de door verdachte gebruikte bewoordingen die lijken te duiden op iemand van Indiase afkomst, terwijl aangeefster van Egyptische afkomst is. Verder kan niet worden vastgesteld dat het filmpje daadwerkelijk is verstuurd. Ook was het nummer waarmee het filmpje zou zijn verstuurd niet in gebruik bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte heeft niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster op de hoogte zou raken van het filmpje. Verdachte had niet de opzet om aangeefster te bedreigen, ook niet in voorwaardelijke vorm. Daarom dient voor dit feit vrijspraak te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Feiten 1 en 2

Aangeefster heeft verklaard dat toen zij samen met verdachte op de hotelkamer was, hij naar haar toe kwam lopen en de ketting van haar nek trok. Zij zag dat verdachte de ketting kapot had getrokken. Verdachte dreef haar daarna in een hoekje van de hotelkamer waarna hij de ring van haar vinger aftrok. De ketting en de ring had zij een week daarvoor gekregen van verdachte. De ring was een slangenring met diamantjes en de ketting was een gouden schakelketting. Ze heeft verklaard dat de ring goudkleurig was, 18 karaats, de vorm heeft van een slang, het lijkt of deze slang om de vinger zit gewikkeld en dat de ring meerdere kleine diamantjes bevat.

Aangeefster heeft verder verklaard dat zij daarna hurkte om zichzelf te beschermen. Verdachte trapte haar in het gezicht. Zij voelde enorm veel pijn aan haar wang, oog en achterhoofd. Aangeefster werd meermaals door verdachte tegen haar hoofd getrapt. Verder verklaarde aangeefster dat verdachte met zijn handen naar haar keel bewoog en haar keel dichtkneep. Zij kon niets anders dan rustig blijven en zich laten slaan. [verdachte] gebruikte allebei de handen en voeten, hij was meer aan het trappen. Aanvullend heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar keel gedurende ongeveer zes seconden heeft dicht geknepen en dat zij toen geen lucht kreeg.

Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft verklaard dat hij in de kamer naast hem ruzie hoorde, waarbij hij een mannen- en vrouwenstem hoorde. Hij hoorde geschreeuw en hoorde een vrouw gillen. Hij zag op de gang een vrouw die uit de hotelkamer naast zijn hotelkamer kwam. De vrouw zat onder het bloed. De vrouw zei tegen [getuige 1] dat zij in elkaar geslagen was. [getuige 1] heeft tot slot verklaard dat de vrouw helemaal overstuur was.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die ter plaatse in het hotel kwamen, hebben verklaard dat zij zagen dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangeefster) hevig geëmotioneerd was. Verbalisant [verbalisant 1] zag bij [slachtoffer] het volgende letsel:

- blauwe verkleuring onder het linkeroog;

- forse zwelling onder het linkeroog;- forse zwelling links op het achterhoofd;- kleine snee links onder het oog;- krassen links op de wang;- krassen rechts op de wang.

Verder hoorde verbalisant [verbalisant 1] [slachtoffer] zeggen dat zij meerdere trappen op het hoofd heeft gehad. Ook vertelde [slachtoffer] dat zij was gewurgd en geen lucht meer kreeg. Zij gaf meerdere malen aan dat verdachte dit had gedaan.

Verbalisant [verbalisant 1] hoorde van [slachtoffer] dat het verdachte was die een ring van haar hand had getrokken. De ring zou verdachte hebben meegenomen. Ook zou verdachte een ketting van haar hals hebben getrokken.

Verbalisant [verbalisant 1] is met [slachtoffer] naar de hotelkamer gegaan. Hij zag dat hier een ruzie had plaatsgevonden. Hij zag op het dekbed een rode vlek zitten en hoorde dat [slachtoffer] zei dat dat haar bloed was. Hij zag dat er strak tegen het bed een grijskleurige fauteuil stond die normaliter op een andere plek in de hotelkamer staat. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat er tussen de fauteuil en de muur een ruimte was ontstaan. Hij hoorde dat [slachtoffer] zei dat zij in die ontstane hoek is mishandeld door [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 1] zag op een grijskleurige fauteuil op de bovenkant van de rugleuning een soortgelijke rode vlek zitten. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de verklaring van [slachtoffer] werd bevestigd door wat hij aantrof in de hotelkamer.

Bij verdachte werden na aanhouding bij zijn vervoersfouillering een gouden ring in zijn jaszak aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat dit een goudkleurige ring was, met een slang die de vinger omringt als decoratie en met meerdere kleine diamantjes en herkende die vanuit de aangifte. Verbalisant [verbalisant 3] heeft tijdens de insluitingsfouillering van verdachte op het cellencomplex te Nijmegen een goudkleurige ketting aangetroffen in de linker jaszak van de verdachte. Hij zag dat de sluiting van de ketting kapot was. Verbalisant [verbalisant 1] heeft van verbalisant [verbalisant 3] gehoord dat verdachte rode knokkels had ten tijde van zijn aanhouding.

Op een geluidsopname van de meldkamer ambulance is te horen dat een vrouwenstem tegen de meldkamer zegt dat zij zich in een hotel in Tiel bevindt, dat zij is geslagen door verdachte en dat zij bloedt en pijn heeft. Daarna zegt de vrouwenstem dat ze getrapt is op haar hoofd. Vervolgens zegt iemand dat hij meneer [getuige 1] is en dat de vrouw er behoorlijk gehavend uitziet.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte haar op 5 december 2025 rond 00:30 had gebeld en dat zij hem toen op zijn verzoek van het Van der Valk hotel heeft opgehaald en dat hij haar heeft verteld dat hij de ketting van [slachtoffer] had afgepakt die hij haar had gegeven. Zij heeft later verklaard dat hij ook heeft gezegd dat hij de ring had afgepakt, uit boosheid.

Verdachte heeft verklaard dat hij de sieraden had teruggepakt die hij voor [slachtoffer] had gekocht en aan haar had gegeven. Verder heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster een klap op haar wang heeft gegeven.

Feit 3

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 26 april 2025 om 02.51 uur een filmpje had ontvangen. Aangeefster ziet verdachte op het filmpje en hoort dat hij zegt haar strot door te zullen snijden en dat zij haar kinderen niet waard is. Op het filmpje heeft verdachte haar dochter op schoot. Aangeefster heeft verklaard dat zij zich bedreigd voelde en nachten lang wakker heeft gelegen. Ze was doodsbang om aangifte te doen.

Verdachte herkent zichzelf op het filmpje. De opmerking ‘oh papa zit in een psychose’ is sarcastisch, omdat aangeefster dat heeft verteld. Op de vraag over welke spullen het gaat antwoordt verdachte: “ Kan van alles geweest zijn. Alles in Duiven is van mij. [slachtoffer] heeft alleen twee tassen kleding en meer heeft ze niet”. Verdachte heeft verklaard dat, ten tijde van het maken van het filmpje, zijn spullen door aangeefster werden verkocht om drugs van te kopen.

Overweging van de rechtbank

Feit 1 en feit 2

De rechtbank overweegt dat aangeefster bij de politie en later bij de rechter-commissaris consistent, gedetailleerd en authentiek heeft verklaard. Dat maakt haar aangifte betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Haar verklaringen vinden ook steun in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft bekend dat hij haar heeft geslagen. Uit de melding bij de meldkamer ambulance blijkt dat aangeefster toen meteen heeft gezegd dat zij geslagen is en op haar hoofd is getrapt en dat zij veel pijn heeft. De na het incident bij aangeefster door de politie geconstateerde, en later forensisch-medisch beschreven, letsels sluiten aan bij haar verklaringen. Daarnaast vinden haar verklaringen steun in de verklaring van [getuige 1] en in de bevindingen van de politie. De politie ziet ter plaatse ook dat een fauteuil op een andere dan de gebruikelijke plek staat waardoor er een ruimte is ontstaan, een bevinding die aansluit bij de verklaring van aangeefster dat zij in een hoek werd gedreven en daar in elkaar is geslagen en getrapt.

Als politie ter plaatse komt zegt aangeefster meteen dat zij mishandeld is, dat zij meermalen tegen het hoofd geschopt is, dat verdachte haar gewurgd heeft en dat zij toen geen lucht kon krijgen en dat hij de ring van haar vinger aftrok en de ketting van haar nek trok, waardoor deze kapot ging. De ketting blijkt gebroken bij de sluiting en wordt net als de ring bij de aanhouding, bij verdachte aangetroffen. Verder heeft getuige [getuige 2] verklaard dat verdachte toen ze hem ophaalde van het hotel tegen haar heeft gezegd dat hij de sieraden van aangeefster heeft ‘afgepakt’. Verdachte heeft ook bij de politie verklaard dat hij de sieraden voor aangeefster had gekocht en aan haar had gegeven, welke hij op de bewuste avond heeft teruggepakt. Deze sieraden zijn bij verdachte aangetroffen en komen overeen met de omschrijving die aangeefster van deze sieraden heeft gegeven. Op alle wezenlijke onderdelen van zowel feit 1 als 2 is er in de bewijsmiddelen dus steun voor de verklaring van aangeefster.

Verdachte verklaart en stelt dat aangeefster (grotendeels) heeft gelogen over de gebeurtenissen op 5 december 2025, dat hij haar slechts eenmaal, met de vlakke hand, op haar wang heeft geslagen en ontkent dat hij de sieraden met geweld van aangeefster heeft afgepakt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte met zijn verklaring ten aanzien van feit 1 bevestigt dát hij aangeefster heeft geslagen, wat haar verklaring op dat punt in ieder geval ondersteunt.

Voor het overige passeert de rechtbank deze verklaring nu deze wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Niet alleen door de consistente verklaring van aangeefster, ook al in de alarmmelding en bij het eerste politie contact, maar ook door het vastgestelde letsel, aan beide zijden van haar gezicht, waaronder een gelijmde scheurwond en een bult op haar achterhoofd, volgt dat het letsel niet uit een enkele klap met de vlakke hand kan zijn ontstaan.

Dat hij de sieraden rechtmatig en zonder geweld zou hebben meegenomen, wordt voorts – naast de verklaring van aangeefster - weerlegd door de schade aan het slot van de ketting en door zijn uitlating tegen [getuige 2] , dat hij de sieraden uit boosheid had afgepakt. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het dossier geen enkele concrete aanwijzing bevat die steun geeft aan de versie die verdachte heeft van wat er is gebeurd.

De rechtbank acht de gang van zaken zoals weergegeven door aangeefster daarmee wettig en overtuigend bewezen en stelt op basis van het voorgaande vast dat op 5 december 2025 verdachte in een hotelkamer in Tiel een goudkleurige ketting van de nek van aangeefster heeft afgetrokken waardoor deze kapot ging, waarna hij een goudkleurige en met een slang gedecoreerde ring van haar vinger aftrok.

Nadat verdachte de sieraden van aangeefster had afgepakt, is hij verdergegaan met geweld. Aangeefster zat gehurkt op de grond waarna verdachte haar meerdere malen op haar hoofd heeft getrapt. Ook heeft verdachte aangeefster geslagen.

De rechtbank gaat, zoals hiervoor toegelicht, uit van de aangifte en overweegt daarbij dat niet voor elk afzonderlijk onderdeel daarvan een tweede bewijsmiddel vereist is. De rechtbank acht gelet daarop ook bewezen dat verdachte aangeefster op de bewuste avond bij haar keel heeft gegrepen en haar keel heeft enig moment heeft dichtgedrukt.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of het door verdachte gepleegde geweld een zware mishandeling van aangeefster oplevert, een poging daartoe dan wel een ‘eenvoudige’ mishandeling, zoals onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en of verdachte zich die avond schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld.

Vrijspraak van zware mishandeling (feit 1 primair)

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel moet gekeken moet worden naar algemene gezichtspunten zoals genoemd in de jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Hierbij wordt betrokken of er sprake is van restschade, waaronder een litteken. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam (blijvend) ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

Uit het forensisch medisch letselrapportage van het LOEF blijkt dat het letsel van aangeefster binnen enkele weken zal genezen en dat er geen restverschijnselen worden verwacht. In het dossier bevindt zich een foto van de wang van aangeefster waarop een litteken te zien is. Deze foto is gemaakt op 17 juni 2026, ruim een half jaar nadat zij deze verwonding heeft opgelopen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het litteken van aangeefster, hoewel zich dat op haar wang bevindt, dusdanig ontsierend is dat dit als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Op basis van de beschikbare foto’s lijkt het te gaan om één, relatief beperkt, litteken. Het is ook niet gebleken dat aangeefster van dit litteken (langdurige) pijnklachten heeft gehad.

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel en de rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair)

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte vol opzet had om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar wel dat sprake van voorwaardelijk opzet daartoe.

Op het moment dat aangeefster werd getrapt zat zij in een hoek, gehurkt op de grond. Aangeefster had meerdere letsels en bulten op haar hoofd waaronder een onderhuidse bloeduitstortingen op haar rechterwang, op het ooglid boven het rechteroog en onder haar linkeroog, zij had een scheurwond van de huid op de linkerwang een bloeduitstorting in het oogwit van haar linkeroog.

Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte op het hoofd en in het gezicht op of in de nabijheid van de ogen van aangeefster heeft getrapt. De kans was naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk dat aangeefster daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hoofd, meer specifiek de ogen, zijn extreem kwetsbare lichaamsdelen. Het meermaals trappen op of nabij de ogen, ook al wordt er getrapt met blote voeten, kan naar algemene ervaringsregels tot het gevolg hebben dat men blind wordt of andere, ernstige schade aan de ogen oploopt.

Het dichtknijpen van de keel roept, mede afhankelijk van de duur, ook de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven: ook de keel is een kwetsbaar lichaamsdeel en essentieel voor de zuurstoftoevoer naar onder meer de hersenen.

Uit het feit dat verdachte aangeefster op deze wijze tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl zij zich gehurkt in een hoek bevond, en haar ook heeft geslagen en haar keel heeft dichtgeknepen, leidt de rechtbank af dat hij grof geweld tegen haar heeft gebruikt en willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Het onder feit 2 ten laste gelegde

Het is vast komen te staan dat verdachte op 5 december 2025 in een hotelkamer in Tiel bij aangeefster een gouden ketting van haar hals kapot heeft getrokken en een gouden ring van haar vinger heeft afgetrokken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met deze geweldshandelingen het oogmerk had het bezit van de sieraden van aangeefster te verzekeren.

Hoewel daarnaast meerdere andere geweldshandelingen zijn bewezen, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verdachte met de geweldshandelingen het oogmerk had om de diefstal voor te bereiden of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken. De rechtbank zal verdachte daarom van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.

Het onder feit 3 ten laste gelegde

Het staat vast dat verdachte met zijn dochter op schoot een filmpje heeft opgenomen met de tekst zoals opgenomen in de tenlastelegging. Dat de woorden uiterst dreigend zijn staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Verdachte heeft niet ontkend het filmpje te hebben gemaakt. Hij ontkent echter wel dat dit filmpje bedoeld was voor aangeefster. De rechtbank acht dit verhaal van verdachte niet aannemelijk. Uit de bewoordingen blijkt dat verdachte allereerst zegt dat pappa in een psychose zit, waarna wordt aangegeven dat de persoon tegen wie hij spreekt zijn kinderen niet waard is. Ook wordt aangeven dat diegene de spullen van verdachte terug moet geven. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat aangeefster zijn spullen verkocht voor drugs. Ook is zij de moeder van zijn kinderen. Voorts heeft verdachte verklaard dat de opmerking over zijn psychose sarcastisch was, omdat aangeefster heeft verteld dat verdachte in een psychose zou zitten. Het kan derhalve niet anders dan dat deze bewoordingen waren gericht tot aangeefster.

Aangeefster heeft verklaard zij het filmpje op 26 april 2025 heeft ontvangen van verdachte. Dat aangeefster thans niet meer weet hoe het filmpje precies naar haar is toegezonden, via WhatsApp dan wel via I-Message en dat zij daar wisselend over heeft verklaard, doet niets af aan haar betrouwbaarheid over het toen kennisnemen van de bedreigingen.

De bedreiging is opgenomen op video waar geen uitgeschreven tekst bij zichtbaar was. Er is aldus geen sprake van een schriftelijke bedreiging die onder een bepaalde voorwaarde geschiedt. Het bepaalde in artikel 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht is daarom niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Onder parketnummer: 05/255145-25

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van twee verbalisanten en de belediging van twee ambtenaren in functie. Daarnaast kan wettig en overtuigd worden bewezen dat verdachte heeft geweigerd te voldoen aan een bevel van de politie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging omdat de bewoordingen ‘Ik maak je kapot’ onder die omstandigheden niet de redelijke vrees bij de agenten heeft laten ontstaan dat zij door toedoen van verdachte om het leven zouden komen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verder heeft de raadsman bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde belediging van een ambtenaar in functie omdat aangeefster niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening was. Door verdachte een duw te geven heeft zij niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en in strijd met de geweldsinstructie van de politie gehandeld. De raadsman heeft tot slot geen opmerkingen gemaakt over het tenlastegelegde onder feit 3.

Beoordeling door de rechtbank

Verbalisant [aangever 1] (verder ook: [aangever 1] ), werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland en [aangever 2] (verder ook: [aangever 2] ), werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, hebben geverbaliseerd dat zij naar [adres] te Duiven gingen voor een melding. Het adres was bekend bij verbalisanten. Verdachte zorgde voor meerdere meldingen in hun gebied. Ter plaatse zagen verbalisanten verdachte in de voortuin van de woning waarna hij dwingend zei dat de verbalisanten zijn sloten moesten vervangen omdat hij daar ingeschreven stond. Verbalisanten antwoordden dat zijn komst niet gewenst was, hij daar niet ingeschreven stond en hij moest vertrekken. Vervolgens liep verdachte op [aangever 1] af. Dit kwam dreigend op haar over waarna zij direct een afhoudduw heeft gegeven aan verdachte. Verdachte landde hierdoor op zijn billen in de tuin. Vervolgens stond verdachte op en riep dat [aangever 1] een pijpslet en een kankerhoer was. [aangever 1] voelde zich in haar goede naam en eer aangetast.

Verbalisant [aangever 2] vorderde verdachte de wijk te verlaten. Hij zag dat verdachte een stukje wegliep en zich toen omdraaide. Verbalisanten hoorden dat verdachte toen in hun richting riep: ‘ik maak jullie kapot’. [aangever 2] zag dat verdachte tijdens dit roepen met zijn hand naar de binnenkant van zijn jas greep. Hij haalde zijn hand uit zijn jas en maakte een schietende beweging.

Verbalisant [aangever 1] heeft aangifte gedaan van belediging en bedreiging. In haar aangifte verklaart zij dat ook zij zag dat verdachte met zijn linkerhand in zijn jas greep, richting zijn binnenzak. De afstand tussen verdachte en [aangever 1] was 10 tot 12 meter. Zij hoorde hem zeggen dat hij hen kapot ging maken. [aangever 1] zag dat hij hen aankeek. Gelet op zijn dronkentoestand en de staat waarin hij verkeerde vond [aangever 1] verdachte onberekenbaar. Gelet op eerdere meldingen, waaronder dat verdachte op de woning van zijn moeder had geschoten en een kogel bij zijn ex-partner heeft gepost, dacht [aangever 1] dat verdachte haar en haar collega onder vuur zou nemen. Zij was bang en vreesde dat verdachte op haar zou schieten en dat zij of haar collega dan doodgeschoten zouden worden. Zij zag vervolgens dat verdachte zijn lege hand uit zijn jaszak haalde en een schietende beweging naar hen maakte. Verdachte richtte de hand naar [aangever 1] en haar collega, met zijn hand in die positie dat het een vuurwapen leek.

Verbalisant [aangever 2] heeft aanvullend verklaard dat hij zag dat verdachte op zijn collega [aangever 1] afkwam, waarna zij verdachte een duw gaf. Verbalisant [aangever 2] heeft hem 100 keer weggestuurd. Hij heeft verder verklaard dat hij hoorde dat verdachte verbalisant [aangever 1] heeft beledigd. Tot slot heeft verbalisant [aangever 2] verklaard dat verdachte 20 keer gevorderd is om de straat te verlaten zodat er rust terug in de wijk zou komen.

Het onder feit 1 ten laste gelegde

Uit het proces-verbaal van bevindingen, de aangifte van verbalisant [aangever 1] en de aanvullende verklaring van verbalisant [aangever 2] , blijkt wettig en overtuigend dat verdachte zich op 28 september 2025 ophield bij het huis van zijn ex-partner in Duiven. Hij werd door verbalisanten [aangever 1] en [aangever 2] meerdere malen gevorderd om de straat te verlaten. Toen verdachte wegliep heeft hij zich omgedraaid waarna hij zijn hand in zijn zak heeft gestopt, zei dat hij de verbalisanten kapot ging maken, heeft zijn hand uit zijn jaszak gehaald en heeft een schietbeweging met zijn hand gemaakt.

De lezing van verdachte, die kort inhoudt dat hij geen beledigende taal heeft gebruikt, dat hij eerder al met een wapenstok is geslagen en dat de verbalisanten hem mishandeld zouden hebben, is naar het oordeel van de rechtbank onaannemelijk en wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, processen-verbaal en verklaringen/aangifte van de twee verbalisanten. De processen-verbaal van de verbalisanten zijn op ambtsbelofte opgemaakt en de verklaringen ondersteunen elkaar. Verdachte heeft geen nadere onderbouwing noch redenen gegeven om aan de lezing van de verbalisanten te twijfelen.

Verbalisant [aangever 1] heeft verklaard dat zij gelet op eerdere meldingen over verdachte bang was en vreesde dat verdachte haar of haar collega zou neerschieten. Hoewel verbalisant [aangever 2] niet heeft verklaard dat hij deze vrees deelde, is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van dien aard was en onder zulke omstandigheden is gedaan dat deze in het algemeen de vrees kon opwekken dat verdachte de verbalisanten zou proberen te doden. Verdachte heeft niet allen tegen de verbalisanten gezegd ‘ik maak jullie kapot’ maar heeft hierbij een beweging gemaakt waarbij het leek alsof hij iets pakte uit zijn jaszak, waarna hij met zijn lege hand een schietende beweging maakte in de richting van die verbalisanten. Onder de gegeven omstandigheden, de kennis bij verbalisanten over de (vermeende) eerdere incidenten met een vuurwapen en de context waarbinnen de woorden ‘ik maak jullie kapot’ zijn geuit, heeft dit bij de verbalisanten de redelijke vrees doen ontstaan dat verdachte deze bedreigingen zou uitvoeren.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van de verbalisanten.

Het onder feit 2 ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat verdachte de woorden ‘Je bent een pijpslet en een kankerhoer’ tegen verbalisant [aangever 1] heeft gezegd op 28 september 2025. De verklaring van verbalisant [aangever 1] wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verbalisant [aangever 2] dat verdachte verbalisant [aangever 1] aan het uitschelden was. Deze bewoordingen kunnen zonder meer als beledigend worden opgevat, waardoor het vaststaat dat [aangever 1] zich in haar eer en goede naam aangetast voelde.

De raadsman heeft aangevoerd dat [aangever 1] niet in haar rechtmatige uitoefening van haar bediening was omdat zij verdachte een duw gaf waardoor zij niet voldeed aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en handelde in strijd met de geweldsinstructie van de politie. De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de dwingende toon waarmee de verbalisanten ter plaatse werden aangesproken waarna verdachte op versnelde pas dreigend op de verbalisant af kwam, is een duw om verdachte af te weren niet in strijd met de geweldsinstructie van de politie. Haar handelen was verder proportioneel omdat zij slechts een afwerende duw gaf en voldeed aan de eis van subsidiariteit omdat zij op dat moment het lichtste middel inzette dat zij tot haar beschikking had om de aanval van verdachte af te weren.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belediging van verbalisant [aangever 1] in haar rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde

Ten laste is gelegd dat verdachte niet voldaan heeft aan een vordering van verbalisanten [aangever 1] en verbalisant [aangever 2] om conform artikel 55d Wetboek van Strafvordering mee te werken aan een bloedonderzoek.

In artikel 55d Wetboek van Strafvordering is geregeld dat opsporingsambtenaren bij een verdachte kunnen vorderen dat verdachte medewerking verleent aan: a) een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van alcohol; of b) een onderzoek van speeksel of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van andere middelen als bedoeld in het vierde lid dan alcohol. In artikel 55e Wetboek van Strafvordering is geregeld dat een officier van justitie, dan wel een hulpofficier van justitie, kan vorderen aan de verdachte medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.

Uit het dossier blijkt dat verdachte door [aangever 1] en [aangever 2] is onderworpen aan zowel een voorlopig ademonderzoek als een onderzoek aan zijn speeksel. Beide onderzoeken zijn onderzoeken zoals bedoeld in artikel 55d Wetboek van Strafvordering. Dat hij geweigerd heeft daaraan te voldoen blijkt niet uit het dossier. Integendeel: hij heeft daaraan kennelijk meegewerkt.

Vervolgens is verdachte, op grond van artikel 55e Wetboek van Strafvordering, door de hulpofficier van justitie (en dus niet door [aangever 1] en [aangever 2] ) gevorderd mee te werken aan een bloedonderzoek. Aan die vordering heeft verdachte kennelijk geweigerd zijn medewerking te verlenen. Echter, dat is verdachte dat niet ten laste gelegd.

Het vorenstaande leidt tot vrijspraak.

Onder parketnummer: 05/061261-25

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van zijn ex-partner.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrij wordt gesproken wegens het gebrek aan voldoende wettig bewijs. Het dossier bevat geen, althans onvoldoende, aanvullende in de context ingebedde elementen die de verklaring van aangeefster, dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen woorden door de brievenbus schreeuwde, op relevante punten ondersteunen. De steun is te algemeen, waardoor niet is voldaan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 23 februari 2025 om 13.00 uur voor haar voordeur stond aan het adres [adres] te Duiven. Aangeefster hoorde verdachte schreeuwen door de brievenbus. Zij herkende hem aan zijn stem. Verdachte schreeuwde dat hij aangeefster dood wilde maken. Na een aantal minuten ging verdachte weer weg. Om 15.00 uur kwam verdachte terug en schreeuwde wederom door de brievenbus dat hij aangeefster dood wilde maken. Verdachte vertrok weer en is rond 03.00 uur teruggekomen. Hij schreeuwde dat hij aangeefster dood wilde maken waarna zij direct 112 heeft gebeld. Zij heeft verklaard dat zij bang was en stond te trillen. Aanvullend heeft aangeefster verklaard dat verdachte dreigde met de woorden ‘ik maak je dood’.

Verbalisanten waren omstreeks 03.11 uur ter plaatse bij de woning van aangeefster. Vervolgens is verdachte op de [adres] aangehouden.

Aan de gevel van de woning van aangeefster hangt een camera. Deze camerabeelden zijn door de politie bekeken. De verbalisant beschrijft de camerabeelden, met bestandsnaam “Opname deurbel.mp4” als volgt:(…) Ik zag dat de tijdstempels op de camerabeelden wel overeenkwamen met de werkelijke datum en tijd. (…) Ik zag dat deze camera hing aan de voorgevel van de woning. Ik zag dat de camera zicht had op de voortuin en het pad richting de voordeur. Ik zag dat het donker was. Ik zag linksboven het volgende in beeld staan: 24/02/2025 02:33:03 (…) Ik zag om 02:33:19 uur een persoon het beeld in komen gelopen in de richting van de voordeur van de woning. (…) Ik zag dat de man om 02:33:25 uur met de rug naar de camera en bij de voordeur bleef staan. Ik zag dat de man dit deed tot 02:34:06 uur. Ik zag dat de man in deze tussentijd een paar keer aan het wankelen was. Ik zag hierna dat hij een bukkende beweging naar voren maakte bij de voordeur van de woning. Ik zag dat hij dit deed door zijn bovenlichaam naar voren te bewegen. Ik zag dat hij om 02:34:16 uur weer recht ging staan. Ik zag dat hij vervolgens direct weer dezelfde bukkende beweging maakte naar voren bij de voordeur. Ik zag dat hij weer rechtop kwam staan om 02:34:24 uur. Ik zag dat de man hierna weer wegliep over hetzelfde pad waar hij ook gekomen was en links uit het camerabeeld verdween.Ik zag dat dezelfde man om 02:35:17 uur weer dezelfde weg terug kwam gelopen richting de voordeur. Ik zag dat hij hierna weer stilstond bij de voordeur. Ik zag dat hij om 02:35:28 uur weer dezelfde bukkende beweging maakt bij de voordeur. Ik zag dat hij om 02:35:37 uur weer recht overeind komt staan. Ik zag dat hij weer wat aan het wankelen was. (…)"

Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 en 24 februari 2025 aan de deur is geweest bij aangeefster in Duiven. Hij heeft verder verklaard dat hij langs kwam omdat hij daar gewoon woonde en dat hij gezegd heeft dat zij de deur open moest doen, maar dat hij niet gekomen is om te bedreigen.

Overwegingen van de rechtbank

Gelet op de verklaringen van aangeefster, de verklaring van verdachte en de camerabeelden, stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon op de camerabeelden is. Verdachte heeft in de nacht van 24 februari 2025 meerdere malen een bukkende beweging gemaakt naar de brievenbus bij de voordeur van aangeefster. Dit komt overeen met de verklaringen van aangeefster dat verdachte dreigende woorden door de brievenbus heeft geschreeuwd. Ondanks hetgeen door de verdediging is aangevoerd, wordt de verklaring van aangeefster hiermee wel degelijk op essentiële punten ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Het steunbewijs is hiermee concreet en specifiek. Hierbij wijst de rechtbank met name op de bukkende bewegingen bij de brievenbus, alsmede het bellen door aangeefster van 112, waarna verbalisanten ter plaatse kwamen.

Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer] .

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/33216-25 subsidiair onder feit 1, feit 2 en feit 3, onder parketnummer 05/255145-25 feiten 1 en 2 en onder parketnummer 05/061261-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Onder parketnummer: 05/332163-25

feit 1

hij op of omstreeks 5 december 2025 te Tiel, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of heeft geschopt, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) éénmaal of meerdere malen bij de hals en/of de keel heeft vastgepakt en/of heeft vastgegrepen en/of (vervolgens) de hals en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of heeft dichtgedrukt, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) éénmaal of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of heeft gestompt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

hij op of omstreeks 5 december 2025 te Tiel, althans in Nederland, één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te

eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- een ketting, althans een sieraad, (met kracht) van de hals en/of de nek, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te trekken, en/of

- een ring, althans een sieraad, (met kracht) van de vinger, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te trekken, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen bij de hals en/of de keel vast te pakken en/of vast te grijpen en/of (vervolgens) de hals en/of de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dicht te drukken, en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen;

feit 3

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Duiven, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] ,

via een video en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- aan die [slachtoffer] een video te versturen en/of

- in de video die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: “Ja papa zit in een psychose toch. Luister vieze vuile hoerenwijf. Jij gaat vanavond mijn spullen geven anders snij ik je door je vieze vuile Indiase vieze kanker koelijoeri strot heen. Ja vieze geneukte kanker termijer. Je bent mijn kinderen niet waard jij. ja goed in je oren knopen hoerenkind.”, althans woorden van gelijkende dreigende aard of strekking.

Onder parketnummer: 05/255145-25

feit 1

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Duiven [aangever 1] (Brigadier politie Eenheid Oost-Nederland) en/of [aangever 2] (Hoofdagent politie Eenheid Oost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door opzettelijk dreigend met zijn, verdachtes, hand in zijn jaszak te graaien/grijpen/stoppen en/of een schietbeweging te maken en/of (daarbij) die [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Duiven opzettelijk een (politie)ambtenaar, te weten [aangever 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,

in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "je bent een pijpslet en een kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Onder parketnummer: 05/061261-25

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 24 februari 2025 te Duiven

[slachtoffer] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Onder parketnummer: 05/332163-25

feit 1, subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

feit 2:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Onder parketnummer: 05/255145-25

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Onder parketnummer: 05/061261-25

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden en vordert de oplegging van de tbs maatregel met dwangverpleging. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waarbij verdachte open staat voor opname in een forensische verslavingskliniek. Verder is verdachte niet eerder veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten en de feiten waarvoor hij wel veroordeeld is, zijn niet ernstig. Er is daardoor geen sprake van een patroon van geweldsdelicten. Verdachte heeft verder diverse malen vrijwillig hulp gezocht. In zijn volwassen leven heeft verdachte geen behandeling gehad en is geen sprake geweest van noemenswaardige onttrekkingen aan toezichten.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de adviezen van de psycholoog en de reclassering moeten worden gevolgd en verzocht het advies van de psychiater terzijde te schuiven. De kans dat een tbs met dwangverpleging een averechts effect heeft bij verdachte is groot, waardoor het gevaar op recidive toeneemt in plaats van afneemt.

Tot slot verzoekt de raadsman om, bij de oplegging van de tbs maatregel met voorwaarden, de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met ingang van de datum dat hij terecht kan in een kliniek.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte heeft grof geweld gebruikt tegen zijn ex-partner en haar daarbij, terwijl zij op haar hurken in een hoekje zat meermalen tegen haar hoofd en gezicht getrapt. Daarbij heeft hij met geweld sieraden van haar afgenomen. Verder heeft verdachte zijn ex-partner meerdere malen ernstig bedreigd. Ook heeft verdachte een filmpje gemaakt waarbij hij haar in grove bewoordingen dreigt de strot door te snijden, terwijl tijdens die opnamen hun dochtertje op zijn schoot zit. Dit zijn ernstige feiten in de huiselijke sfeer die een diepe impact hebben op het slachtoffer en mogelijk ook een impact zal hebben op de dochter van verdachte. Uit de vordering van de benadeelde partij is gebleken dat voor het slachtoffer de impact van het geweld door verdachte langdurig is. Zij is lange tijd geconfronteerd geweest met angst, onzekerheid en een verminderd gevoel van veiligheid. Daarbij heeft het slachtoffer een blijvende herinnering aan het geweld overgehouden doordat zij een litteken in haar gezicht heeft. Verdachte lijkt geen enkele verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden. Hij bagatelliseert zijn aandeel in de feiten en legt de schuld bij het slachtoffer neer. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de belediging en bedreiging van politieagenten. Daarmee heeft verdachte niet alleen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor gezagsdragers, ook heeft hij bij hen een gevoel van onveiligheid bezorgd. Dit acht de rechtbank zeer kwalijk.

Strafblad

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 29 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor belediging (van een ambtenaar in functie) en verkeersfeiten, waaronder rijden onder invloed va alcohol en drugs en rijden zonder rijbewijs. Op 6 maart 2026 is verdachte onherroepelijk veroordeeld door de politierechter van rechtbank Gelderland, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is.

Onderzoek door psychiater en psycholoog en reclassering.

Op 29 april 2026 is een Pro Justitia rapport opgemaakt door psychiater N. van de Weg over verdachte. Het rapport bevat de volgende conclusies.

Bij verdachte is sprake van agressieproblemen, beperkte gewetensfunctie en een lange geschiedenis van regelovertredend gedrag. Dit is passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Er is ook sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en mogelijk ook stimulantia. Onder invloed van middelen kan er kortdurend sprake zijn van psychotische symptomen.

Omdat een antisociale persoonlijkheidsstoornis duurzaam aanwezig is, was deze volgens de rapporteur ook aanwezig ten tijde van alle tenlastegelegde feiten. Verder was verdachte bij alle tenlastegelegde feiten onder invloed van alcohol. De persoonlijkheidsstoornis beïnvloedde de gedragskeuzes van verdachte. Er was in ieder geval sprake van een gelijktijdigheidsverband tussen de stoornissen en de tenlastegelegde feiten.

De psychiater is van oordeel dat alleen de ten laste gelegde weigering mee te werken aan een bloedonderzoek niet werd beïnvloed door de stoornis, zodat verdachte daarvoor volledig toerekenbaar zou zijn [de rechtbank merkt op dat hij voor dat feit wordt vrijgesproken].

Door de ontkennende houding van verdachte was de doorwerking van de stoornissen op de overige ten laste gelegde feiten slechts beperkt te onderzoeken. Indien bewezen, ziet de psychiater voor geen van de feiten een “gezond scenario”, waarbij de gediagnosticeerde stoornissen geen rol hebben gespeeld. Op basis van informatie uit het politiedossier ziet de psychiater voldoende aanwijzingen dat emotie- en agressieregulatieproblemen, passend bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis, een rol hebben gespeeld bij de ten laste gelegde feiten. Deze stoornissen lijken een zodanige invloed op het denken en handelen van verdachte te hebben gehad dat hij in verminderde mate in staat was het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien en zijn gedragskeuzes te bepalen. Rapporteur adviseert de rechtbank om die reden verdachte de ten laste gelegde feiten [met uitzondering van de weigering van het bloedonderzoek] in verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op gewelddadige recidive wordt als hoog ingeschat. De belangrijkste factoren vanuit de stoornis zijn het vroege begin en persisteren van de gedragsproblemen, waaronder geweld en overig antisociaal gedrag, het middelengebruik, de gewelddadige opvattingen, waaronder de minachtende houding ten aanzien van autoriteiten en de grote problemen rondom zijn respons op behandeling of toezicht in het verleden. Positief is te noemen dat verdachte enig inzicht heeft in zijn verslavingsproblematiek, maar bagatelliseert wat hiervoor nodig is. Bij verdachte zijn zeer weinig beschermende factoren.

De psychiater adviseert dat verdachte wordt behandeld voor zijn verslavingsproblemen, agressieregulatieproblemen en persoonlijkheidsproblematiek. Dergelijke behandeling kan het beste geïntegreerd plaatsvinden. Het advies is daarom om verdachte te behandelen in een klinische setting met een hoog tot zeer hoog beveiligingsniveau, mede omdat de behandelduur als lang wordt geschat. De psychiater adviseert wegens het hoge risico op recidive en onttrekking een tbs met dwangverpleging. Tbs met voorwaarden kan een alternatief zijn, maar de psychiater heeft echter in verband met de frequente overtreding van voorwaarden in het verleden, de ambivalente motivatie van betrokkene, de gedeeltelijke ontkenning van zijn problematiek en de bedreigingen die hij ook tijdens detentie heeft geuit te weinig vertrouwen in het vermogen van verdachte om zich daadwerkelijk aan voorwaarden te houden.

Op 30 april 2026 is een Pro Justitia rapportage opgemaakt door W. in ’t Hout, klinisch psycholoog, onder supervisie van F.J.R. Jonker, klinisch psycholoog. De psycholoog licht toe dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van alcohol en een traumagerelateerde stoornis. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten en zijn al jaren aanwezig. Zij hebben veel effect op zijn dagelijks handelen, waardoor kan worden aangenomen dat zij een rol hebben gespeeld bij de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. De stoornissen leiden tot forse impulsiviteit en agressie. Verdachte hanteert antisociale opvattingen en slaat weinig acht op de gevolgen van zijn handelen voor anderen. Hij is in staat om zich in te leven in anderen, maar zijn gewetensfunctie is onrijp te noemen, waarbij hij veelal instrumenteel moreel redeneert en de gewetensfunctie tekortschiet. Verdachte redeneert vanuit een egocentrisch standpunt, waarbij hij steeds de impact op anderen bagatelliseert of zijn aandeel erin externaliseert. Daarbij heeft hij grote moeite met het accepteren van autoriteit of begrenzing van zijn gedrag. Zijn alcoholgebruik werkt verder drempelverlagend voor delictgedrag.

Op basis van bovenstaande wordt door de psycholoog geadviseerd het tenlastegelegde, indien bewezen, in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Het risico op recidive wordt door de psycholoog als hoog ingeschat. Er zijn geen, of nauwelijks, beschermende factoren. De enige coping die verdachte hanteert is fors alcoholgebruik en vermijding van het aanpakken van zijn problemen. De kans op geweld wordt als groot gezien. Dit risico is acuut aanwezig wanneer verdachte vrij zou zijn of geen klinische behandeling ondergaat. Gelet op het voorgaande adviseert de psycholoog een klinische behandelsetting op gemiddeld hoog tot hoog beveiligingsniveau met intensieve verblijfsintensiteit. De oplegging van een tbs-kader is passend. Het is van belang dat er dwingende mogelijkheden zijn om verdachte klinisch op te nemen. De psycholoog verwacht dat dit binnen een tbs met voorwaarden voldoende gewaarborgd kan worden. De rapporteur licht toe dat verdachte met zijn volwassen leeftijd en huidige motivatie nog niet eerder klinisch behandeld is. De verwachting is dat verdachte bij een tbs met dwangverpleging moeizamer in therapie zal komen, waarbij de huidige, zij het ambivalente, motivatie van verdachte niet benut kan worden, mede gelet op de lange wachttijden. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt als hoog gezien, maar een omzetting naar tbs met dwangverpleging kan daar uit volgen.

De psychologen hebben ter terechtzitting toegelicht dat het raadzaam is de huidige motivatie van verdachte, waarbij hij inziet dat er meer behandeling nodig is dan alleen de verslavingsproblematiek, te benutten. Het bagatelliseren van zijn problemen, de wisselende motivatie, moeite met autoriteit en het gevoel van onrecht passen binnen het ziektebeeld en wordt vaak gezien in de forensische zorg. Verdachte reageert nu zo heftig gelet op wat er in het verleden met hem is gebeurd. De psychologen verwachten dat dit wordt meegenomen in de behandeling.

De reclassering heeft op 6 augustus 2026 een reclasseringsadvies over verdachte uitgebracht.

De reclassering adviseert het volgende. Er is sprake van een delictpatroon, met name overtreden van de Wegensverkeerswet, waarbij middelengebruik een grote rol lijkt te spelen. Verdachte erkent dat zijn alcoholgebruik problematisch was ten tijde van het tenlastegelegde. De reclassering acht de volgende leefgebieden delictgerelateerd: relatie, gezin en familie, middelengebruik en verslaving, huisvesting en psychosociaal functioneren.

Verdachte geeft aan dat hij open staat voor behandeling van zijn alcoholproblematiek en achterliggende psychische problematiek. In zijn volwassen leven heeft hij niet eerder dergelijke klinische behandeling doorlopen. Zijn kinderen zijn voor verdachte zijn grootste motivatie. Het risico op extreem ernstig c.q. dodelijk geweld wordt door de reclassering als hoog ingeschat. De reclassering adviseert, gelet op de Pro Justitia rapportages, positief over oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert de volgende voorwaarden waarbij de reclassering benadrukt dat het noodzakelijk is dat verdachte vanuit detentie direct wordt overgeplaatst in een kliniek. De voorwaarden:

Verdachte is op 10 juni 2026 naar de [kliniek] te Zutphen toe geleid. De kliniek heeft verdacht geaccepteerd en op de wachtlijst geplaatst. Ter terechtzitting van 20 augustus 2026 heeft de reclassering toegelicht dat de wachttijd -vanaf aanmelding - twee tot vijf maanden bedraagt.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank neemt deze conclusies ten aanzien van de gestelde diagnoses, de doorwerking in het tenlastegelegde en de toerekenbaarheid over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Tbs met voorwaarden

De rechtbank stelt verder vast dat het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is mede gezien de adviezen van de psycholoog en psychiater en hun conclusies over het recidive gevaar van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Hierbij heeft de rechtbank de ernst van het feit en de veelvuldigheid van eerdere veroordelingen betrokken, waarbij uitingen van regelovertredend gedrag en moeite met autoriteit naar voren komt.

Uit beide rapportages blijkt dat er bij verdachte sprake is van meerdere stoornissen waarbij het risico op recidive, met name op geweldsdelicten, als hoog wordt ingeschat. Er zijn geen of nauwelijks beschermende factoren bij verdachte. Gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte wordt een langdurige intensieve klinische behandeling noodzakelijk geacht. De psychologen en de psychiater zijn het eens dat de oplegging van een tbs-kader passend is voor verdachte. Zij verschillen echter van mening over het dwangkader van deze maatregel. Ondanks dat de psychiater heeft toegelicht geen vertrouwen te hebben in de motivatie van verdachte om mee te werken aan voorwaarden, zal de rechtbank het advies van de klinisch psychologen volgen.

Hoewel er bij verdachte sprake is van een wisselende motivatie, wat past bij zijn ziektebeeld, is de rechtbank van oordeel dat deze motivatie waar mogelijk wel benut dient te worden en dat verdachte ook de kans moet krijgen die motivatie in het kader van de behandeling te verstevigen. Een tbs met voorwaarden, waarbij een langdurige klinische behandeling wordt geadviseerd, zal enerzijds tegemoet komen aan het inperken van het hoge recidive risico en risico op onttrekking en anderzijds tegemoet komen aan de motivatie en behandelwens van verdachte. De rechtbank zal daarom de maatregel tbs met voorwaarden opleggen met de voorwaarden zoals geadviseerd in het advies van de reclassering, waarbij ook een contactverbod met de aangeefster wordt opgelegd. De rechtbank verklaart deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar.

Verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard aan de voorwaarden te zullen houden.

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waardoor een tbs met dwangverpleging, na eventuele omzetting, niet in duur is gemaximeerd.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat naast de tbs maatregel een forse gevangenisstraf op zijn plaats is. Er is sprake van meerdere feiten, waaronder ernstige geweldsfeiten en bedreigingen die zijn gepleegd tegen de ex-partner van verdachte. Een forse gevangenisstraf is op zijn plaats. Mede omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, komt de rechtbank op een lagere straf uit dan geëist. De rechtbank heeft er daarbij in strafmatigende zin rekening mee gehouden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank ziet, gelet op de problematiek van verdachte en de adviezen van de deskundigen, meerwaarde in de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht en zal deze dan ook aan verdachte opleggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om op verdachte ook na detentie en de maatregel tbs met voorwaarden toezicht te houden. Aan het einde van de maatregel tbs met voorwaarden wordt bekeken of de toezichthoudende maatregel noodzakelijk is. Op dat moment wordt ook pas door de rechter bepaald welke voorwaarden er worden opgelegd en wat de duur van de maatregel zal zijn.

Aan de voorwaarden voor oplegging van genoemde maatregel is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank ziet belang om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen zodra er plek is in de kliniek. Omdat de rechtbank het wenselijk vindt dat verdachte zo spoedig mogelijk wordt behandeld en er geen plek in de kliniek voor hem onbenut wordt gelaten, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte schorsen zodra hij geplaatst kan worden in de [kliniek] . Aan deze schorsing worden dezelfde voorwaarden verbonden als geadviseerd door de reclassering voor de tbs maatregel.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de mishandeling, beroving en bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 200,00 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De benadeelde partij verzoekt eveneens om oplegging van een contactverbod.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor het deel ten aanzien van de materiële schade dient te worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd en vaststaand. Verder is er voldaan aan de vereisten om immateriële schadevergoeding toe te wijzen. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de immateriële schadevergoeding.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering gelet op de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aanzienlijk moet worden gematigd omdat de ernst van het letsel en het litteken niet in verhouding staan tot de in de vordering genoemde uitspraken. Tot slot heeft benadeelde partij eerder verzocht om juist geen contactverbod op te leggen.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Op basis van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft opgelopen. Het is niet zonder meer duidelijk in welke mate het bloed de kleding en tas van benadeelde heeft beschadigd en waarom zij deze kleding en tas heeft weggegooid. Daarnaast is de hoogte van deze schade niet met nadere stukken onderbouwd. Omdat het aanhouden van deze zaak teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om nadere onderbouwing en zo nodig bewijs te leveren, een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet- ontvankelijk verklaren.

Immateriële schadevergoeding

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen waaronder een litteken in haar gezicht. Op grond van artikel 6:106 sub b BW heeft de benadeelde derhalve recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de door de rechtspraak gehanteerde ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ en de daarin gehanteerde ‘Rotterdamse Schaal’. De rechtbank gaat daarbij uit van letsel dat past bij de in hoofdstuk 9.2 ‘Misvorming van het gezicht’ genoemde categorieën e en d, respectievelijk ‘geringe littekenvorming’ en ‘minder ernstige littekenvorming’ met daarbij een verhoging vanwege de opzet bij het toebrengen van het letsel (aanbeveling 3). Gelet daarop stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.500,00 en kent zij dit bedrag aan de benadeelde partij toe.

Verdachte is vanaf 5 december 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 45, 63, 266, 267, 285, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde van parketnummer 05/332163-25 onder feit 1 primair en van parketnummer 05/255145-25 onder feit 3;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde van parketnummer 05/332163-25 onder feit 1 subsidiair, feiten 2 en 3, van parketnummer 05/255145-25 feiten 1 en 2 en van parketnummer 05/061261-25, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

 verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen.

 verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

 verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

 verdachte werkt mee aan huisbezoeken;

 verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

 verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

 verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht.

verdachte kan voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt. Deze time-out duurt totdat de reclassering of betrokkene deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

verdachte laat zich voor de duur of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door de [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematieken/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

verdachte laat zich behandelen door IrisZorg/ Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

verdachte verblijft, voor de duur van de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afloop van de klinische opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek of de alcoholmeter. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen/ Budgetbeheer. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;

verdachte heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1996, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;

 geeft de reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

 beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven bij de oplegging van de tbs met voorwaarden genoemde voorwaarden, met ingang van de datum dat verdachte geplaatst wordt in de [kliniek] ;

 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;

De beslissing op de civiele vordering:

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;

mr. A. Tegelaar is buiten staat dit vonnis mede tpe ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand