ECLI:NL:RBGEL:2026:7088

ECLI:NL:RBGEL:2026:7088

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer ARN 26/4402
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Voorlopige voorziening, laissez passer, draagmoeder

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers

de Minister van Buitenlandse Zaken, de minister

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/4402

(gemachtigde: mr. O. Sener),

en

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 28 augustus 2026, waarin is besloten de aanvraag voor een Nederlands reisdocument niet in behandeling te nemen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan.

De voorzieningenrechter zal, op verzoek van beide partijen, de zaak met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op de stukken en zonder mondelinge behandeling afdoen.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en draagt de minister op om het minderjarige kind [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2026 te [geboorteplaats] , Georgië, binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een laissez passer te verstrekken op grond waarvan hij Nederland mag inreizen en tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 28 juli 2026 hebben verzoekers zich gewend tot de Nederlandse ambassade in Tbilisi met het verzoek om afgifte van een Nederlands paspoort, nooddocument dan wel een laissez passer voor [minderjarige] om samen met hem naar Nederland te kunnen uitreizen.

Bij bestreden besluit van 28 augustus 2026 heeft de minister besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen.

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verzoekers wonen samen en staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen

van de gemeente [woonplaats] . Zij zijn op [datum] 2024 in [woonplaats] met elkaar gehuwd. Verzoeker bezit de Nederlandse nationaliteit en verzoekster is

in het bezit van de Zweedse nationaliteit.

Op 15 oktober 2025 hebben verzoekers met [persoon] (hierna: de

draagmoeder) een draagmoederschapscontract gesloten. De draagmoeder is geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] , Rusland, heeft de Georgische nationaliteit en is ongehuwd.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat een eicel van verzoekster is bevrucht met het sperma van verzoeker en dat hieruit een embryo is gemaakt. Op 21 oktober 2025 is het embryo in de draagmoeder geplaatst.

De draagmoeder heeft aan verzoeker toestemming verleend om

de ongeboren vrucht te erkennen. Op 20 mei 2026 heeft verzoeker ten overstaan

van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] de

ongeboren vrucht erkend waarvan de draagmoeder op dat moment zwanger was.

Uit de geboorteakte blijkt dat [minderjarige] op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] , Georgië, is geboren. Op de geboorteakte staan verzoekers als zijn ouders vermeld.

Op 28 juli 2026 heeft een DNA-test plaatsgevonden bij verzoekers en [minderjarige] . Verzoekers hebben een DNA-rapport, gedateerd 14 augustus 2026, overgelegd. Uit dat

DNA-rapport blijkt dat het voor meer dan 99,9 % zeker is dat verzoekers de biologische

ouders zijn van [minderjarige] .

De draagmoeder heeft middels een notariële akte verklaard dat zij zwanger is geworden middels IVF, dat zij geen biologische relatie heeft met [minderjarige] , dat zij afstand doet van alle rechten met betrekking tot [minderjarige] en dat zij instemt met DNA-verwantschapsonderzoek.

Met het bestreden besluit van 28 augustus 2026 heeft de minister besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat de identiteit en Nederlandse nationaliteit van [minderjarige] niet kunnen worden vastgesteld. Verzoekster staat op de geboorteakte als moeder vermeld, maar volgens Nederlands recht is de draagmoeder de juridische moeder. Volgens de minister is de geboorteakte daarom inhoudelijk onjuist. Volgens de minister zal eerst de Nederlandse civiele rechter zich moeten buigen over de draagmoederschap constructie voordat een Nederlands reisdocument kan worden afgegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er een spoedeisend belang?

4. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers voldoende hebben onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers verblijven met hun minderjarige dochter en [minderjarige] in een vreemd land (Georgië), zonder sociaal netwerk en hulp van vrienden of familie.

Zij willen zo spoedig mogelijk terugkeren naar hun vertrouwde omgeving. Daarnaast moeten de ouders vanwege werkverplichtingen op korte termijn terugkeren naar Nederland.

Wettelijk kader

5. Iedere Nederlander heeft volgens artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet (Ppw),

binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien

jaren en voor alle landen. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de

leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt volgens het tweede lid, recht op een nationaal

paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Aan degenen die volgens de Paspoortwet recht heeft op een nationaal paspoort wordt volgens artikel 16 van de Ppw een nooddocument verstrekt indien hij op het moment van vertrek niet in het bezit blijkt van een geldig of voor de reis bruikbaar reisdocument en hij aantoont zwaarwegende belangen te hebben bij de reis.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Ppw, verschaft de in artikel 26 bedoelde

autoriteit zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en

indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel. Ingevolge het

tweede lid kan de aanvrager worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde

onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.

Uit artikel 36, vierde en vijfde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland

2001 (Pub) volgt dat de aanvrager aan wie niet eerder een Nederlands reisdocument is

verstrekt, bij zijn aanvraag andere identiteitsdocumenten overlegt die voorzien zijn van zijn

foto en handtekening. Indien hij dergelijke documenten niet kan overleggen, is artikel 2.1,

tweede lid, van het besluit van overeenkomstige toepassing.

In de aanvraag wordt vermeld dat de identiteit van de aanvrager is vastgesteld en met welke

documenten of andere bewijsstukken de identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden.

Een aanvraag waarbij niet voldaan is aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en

met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt op grond van artikel 52 van

de Pub niet in behandeling genomen.

Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, wel een belangenafweging

6. Vanwege de mate van spoed ( [minderjarige] kan zonder reisdocument niet met verzoekers

afreizen naar Nederland) voert het te ver om de rechtmatigheid van het bestreden besluit

volledig te beoordelen in het kader van deze procedure. De voorzieningenrechter volstaat

daarom met een belangenafweging. In die belangenafweging weegt de voorzieningenrechter

de belangen die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen die

pleiten tegen het treffen daarvan tegen elkaar af.

7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de wetgever terecht een groot belang

hecht aan het bevorderen van het behoud van het vertrouwen in de Nederlandse

reisdocumenten, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als

een bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit. Het verstrekken van

Nederlandse reisdocumenten aan personen van wie de nationaliteit niet boven alle twijfel is

verheven, ondergraaft het vertrouwen in dergelijke reisdocumenten per definitie. De wet- en

regelgeving laat de minister daarom geen ruimte om bij de aanvraag om een paspoort

persoonlijke belangen te laten meewegen. Gezien het voorgaande acht de

voorzieningenrechter het treffen van een voorlopige voorziening in deze zaak, hangende de

bezwaarprocedure, voor zover deze ziet op het verstrekken van een Nederlands paspoort,

een te verstrekkende voorziening.

De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om, gelet op de artikelen 3 van het

IVRK en 8 van het EVRM, op humanitaire gronden de minister op te dragen ten behoeve

van [minderjarige] een laissez passer te verstrekken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als

volgt.

Verzoekers verblijven op dit moment met hun minderjarige dochter en [minderjarige] in Georgië. Verzoekers willen zo spoedig mogelijk terugkeren naar hun vertrouwde omgeving en zullen ook in verband met hun werk op korte termijn moeten terugkeren naar Nederland. Inmiddels is door DNA-onderzoek vast komen te staan dat verzoekers de biologische ouders zijn van [minderjarige] . De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat [minderjarige] in de toekomst de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen (voor zover hij niet reeds de Nederlandse nationaliteit heeft). Ook zullen bij de rechtbank op zeer korte termijn de benodigde procedures gestart worden om de geboortegegevens van [minderjarige] en de familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige] en verzoekers vast te stellen. Verder is nog van belang dat de Raad voor de Kinderbescherming positief heeft geadviseerd over de opname van [minderjarige] in het gezin van verzoekers. Daarnaast heeft de draagmoeder haar rechten ten aanzien van [minderjarige] opgegeven. Er is niemand in Georgië die voor [minderjarige] kan zorgen als verzoekers Georgië zouden moeten verlaten. Gelet op deze omstandigheden en het belang van [minderjarige] dat hij door beide verzoekers wordt verzorgd en opgevoed in Nederland, is het nodig dat [minderjarige] op korte termijn met verzoekers naar Nederland komt. Hierdoor worden zowel verzoekers alsook [minderjarige] in staat gesteld hun family life in

Nederland te kunnen uitoefenen. De voorzieningenrechter zal de minister daarom opdragen om een laissez passer te verstrekken.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt de minister op om [minderjarige] , zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een laissez passer te verstrekken op grond waarvan hij Nederland kan inreizen.

9. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- draagt de minister op om [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2026 te [geboorteplaats] , Georgië, zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een laissez passer te verstrekken op grond waarvan hij Nederland kan inreizen;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand