RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/440123 / HA ZA 24-436
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.G.A. van Rappard,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C.J. van Dijk.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in het incident en in de hoofdzaak van 18 december 2024
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte tot vermeerdering van eis in conventie, ingekomen op 22 oktober 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 november 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn in 2006 een samenwerking aangegaan voor de ontwikkeling van het nieuwbouwproject De Veense Poort in Veenendaal op grond die daartoe reeds eerder door [gedaagde] was aangekocht. Partijen hebben daartoe de vennootschap De Veense Poort Vastgoed B.V. (hierna: DVP) opgericht. Aandeelhouders in DVP zijn [gedaagde] en [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), ieder voor 50%. De gezamenlijk bevoegde bestuurders van DVP zijn namens [eiser] de heer [persoon 1] en namens [gedaagde] voorheen wijlen de heer [persoon 2] en thans de heer [persoon 3] (hierna respectievelijk [persoon 2] en [persoon 3] ). De aandelen van [bedrijf 1] zijn verkregen door [bedrijf 2] B.V., een vennootschap die in 2021 is opgegaan in [eiser] .
Partijen hebben de tussen hen gemaakte afspraken vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst van 3 juli 2006 (hierna: de SOK). Daarin is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
a) [gedaagde] B.V. en [eiser] gaan een samenwerking aan voor de ontwikkeling van het project “Veense Poort” te Veenendaal. [gedaagde] B.V. ontwikkelt en [eiser] zal zorgdragen voor de financiering, participeert in het risico met [gedaagde] B.V. en koopt vervolgens een deel van de te realiseren woningen.
(...)
c) De Veense Poort B.V. zal het traject van de projectontwikkeling uitbesteden aan [gedaagde] B.V. en laten uitvoeren met als doelstelling een verantwoord maximaal aantal woningen en een zo aantrekkelijk mogelijk financieel resultaat. (...)
(...)
e) Indien [gedaagde] B.V. en [eiser] mochten besluiten niet tot verdere ontwikkeling en realisatie van het project over te gaan eindigt deze overeenkomst per de datum waarop partijen een hiertoe strekkend gezamenlijk besluit nemen. Alsdan wordt het projectresultaat vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst tot aan de datum van voormeld besluit door partijen op basis van 50% [gedaagde] B.V. en 50% [eiser] gedeeld respectievelijk gedragen. (...)
Indien één der partijen mocht besluiten niet tot realisatie van het Project over te willen gaan en de andere partij wel, is de partij die niet tot realisatie over wenst te gaan gehouden zijn aandeel in De Veense Poort B.V. tegen boekwaarde over te dragen aan de andere partij.
(...)
Voorts zijn partijen gerechtigd deze overeenkomst tussentijds te beëindigen door opzegging in geval van – alle relevante factoren in acht genomen – wezenlijk verzuim van de andere partij, nadat deze partij bij aangetekende brief met handtekening retour in gebreke is gesteld en deze partij het verzuim vervolgens niet binnen 30 dagen heeft opgeheven. Van wezenlijk verzuim kan pas sprake zijn indien de niet nakoming van de betreffende verplichting in ernstige mate schadelijk is voor de voortgang en/of haalbaarheid van de ontwikkeling en realisatie van het project. (...)
De partij (...) die wezenlijk in verzuim is is jegens de wederpartij aansprakelijk voor alle door de wederpartij geleden en te lijden schade. Indien de wederpartij geen gebruik maakt van het hierna omschreven recht om het project zelfstandig voort te zetten wordt de beëindiging van deze overeenkomst gevolgd door de liquidatie van de B.V. De wederpartij heeft het recht om binnen 30 dagen nadat (...) sprake is van wezenlijk verzuim, te verklaren de ontwikkeling, realisatie en verkoop van het project zelfstandig voort te doen zetten. De in gebreke zijnde partij verstrekt reeds thans voor alsdan volmacht aan de andere partij om al die rechtshandelingen te doen verrichten die nodig zijn ter effectuering van het vorengaande, onder de gehoudenheid van de voortzettende partij daarvoor aan de opgezegde partij een koopsom te voldoen. Deze koopsom is gelijk aan de boekwaarde van het over te nemen aandeel (...) (waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelings- en realisatiewinsten) minus de door de overnemende partij geleden en te lijden schade als gevolg van het zich voordoen van een situatie bedoeld in dit artikel. Indien de voortzettende partij het project niet realiseert op basis van het gezamenlijk ontwikkelde bouwplan maar een nieuw bouwplan ontwikkelt, nemen partijen de helft van de tot het moment van overdracht van het aandeel in de Veense Poort B.V. gedane en uitstaande plankosten voor eigen rekening en worden deze buiten beschouwing gelaten bij vaststelling van voornoemde boekwaarde. De overnemende partij is nimmer eerder enig bedrag uit hoofde van voormelde financiële afwikkeling verschuldigd aan de opgezegde partij voordat hetzij tussen partijen overeenstemming is bereikt omtrent de omvang van de financiële afwikkeling als hierboven bedoeld hetzij deze in eerste aanleg is vastgesteld door de bevoegde rechter.
(...)
p) De marktconforme verkoopwaarde c.q. huurprijs van de woningen zal in samenspraak met de plaatselijke makelaardij worden vastgesteld op het moment van datum start verkoop. (...) Bij de vaststelling van de waarde zal rekening worden gehouden met de kwaliteit van de woningen. (...)
Financiën
(...)
2. Het aandeel van de winst dat partijen toekomt, kan [eiser] geheel of gedeeltelijk aanwenden door woningen uit het project tegen een verlaagde prijs aan te kopen. Uitgangspunt is de waarde zoals vastgesteld onder p), waarbij het verschil ten laste komt van het winstaandeel.
3. [eiser] zal mee participeren in de financiering van het project door leningen te verstrekken aan [gedaagde] B.V. en/of de Veense Poort B.V. Als zekerheid voor de nakoming van deze leningen zal naar genoegen van [eiser] daar waar mogelijk een 1e hypotheek op het gehele project worden gevestigd. Daarnaast zal een pandrecht op het 50% aandeel van [gedaagde] B.V. in De Veense Poort B.V. worden gevestigd.
4. [eiser] zal bij ondertekening van deze samenwerkingsovereenkomst een bedrag ad
€ 200.000,00 renteloos aan [gedaagde] B.V. ter leen verstrekken en direct na de start van het gemeenschappelijke project zal [gedaagde] B.V. een declaratie indienen bij De Veense Poort B.V., zijnde de "instap-fee". Deze € 200.000,00 komt ten laste van het winst aandeel van [eiser] .
5. [eiser] verstrekt bovendien naast de aankoop een lening aan [gedaagde] B.V. van € 260.000,00, onder de bepalingen zoals in de betreffende schuldbekentenis op te nemen.
6. [eiser] verstrekt voorts bovendien een renteloze lening aan [gedaagde] B.V. groot € 75.000,00 wegens de in het verleden in het project geïnvesteerde gelden. Gemeld bedrag wordt verrekend met het winstaandeel van [eiser] in de Veense Poort aangezien [gedaagde] B.V. via haar dochtervennootschap De Veense Poort B.V. een soortgelijk bedrag in het project heeft geïnvesteerd. Voorts verstrekken [gedaagde] B.V. en [eiser] elk telkens 50% van de gelden die nodig zijn voor de voorbereidingskosten die worden gemaakt door de Veense Poort B.V. of door [gedaagde] B.V. in opdracht van de Veense Poort B.V. [gedaagde] B.V. en [eiser] ontvangen hiervoor een rente van 4% per jaar. [eiser] zal hiervoor als zekerheid verkrijgen het pandrecht op alle rechten uit alle overeenkomsten van [gedaagde] B.V. met derden terzake van het project.
(...)
11. Voor de verdere projectontwikkelingswerkzaamheden zal [gedaagde] B.V. totaal
€ 520.000,-- exclusief BTW ten laste brengen van exploitatie Veense Poort B.V. (...)
Bij akte van 19 juli 2006 hebben partijen ten behoeve van [eiser] een eerste recht van hypotheek gevestigd op het gehele project De Veense Poort en bij akte van 13 december 2006 een pandrecht op de aandelen van [gedaagde] in DVP, beide tot zekerheid voor de door [eiser] verstrekte geldleningen. In de akte van verpanding is bepaald dat de pandhouder volmacht verleent aan de pandgever om het stemrecht op de aandelen uit te oefenen en dat deze volmacht door de pandhouder te allen [tijde, rb.] door schriftelijke kennisgeving aan de pandgever en de vennootschap kan worden herroepen.
Partijen zijn overeengekomen de ontwikkeling van het project in drie fasen te laten plaatsvinden. Fase 1 en 2 bestaan uit woningen en appartementen. Fase 3 is opgedeeld in drie subfasen: twee woontorens (3a en 3b), die in de onderste bouwlagen een onlosmakelijk bouwkundig geheel zijn, en twaalf eengezinswoningen (3c).
Kort na de totstandkoming van de SOK is de kredietcrisis uitgebroken en is er lange tijd geen vooruitgang geboekt. In de periode tot 2021 is de uitvoering van fase 1 en 2 door DVP uit handen gegeven aan project- en gebiedsontwikkelaar Timpaan. [eiser] en [gedaagde] voldeden daarbij steeds ieder 50% van de voorbereidingskosten. In 2021 zijn fase 1 en 2 van het project afgerond met een negatief resultaat van € 1.100.000,00.
Medio maart 2021 vonden de voorbereidingen plaats ten aanzien van de realisatie van fase 3 van het project. Partijen hebben nadere afspraken vastgelegd in een Allonge van 22 maart 2021 (hierna: de Allonge). Daarin is het volgende opgenomen:
4. [bedrijf 1] verlengt alle leningen voor fase 3 tot 1 februari 2022 en deze leningen worden afgelost met de opbrengsten welke komen uit de verkoop van de woningen in fase 3.
5. Er is ook nog een rekening courant van € 800k tussen [gedaagde] en DVPVG en De Veense Poort Vastgoed heeft nog ca € 2,5mio lening uit fase 1 en 2, die ongeveer afgelost kan worden met verkoopopbrengst tot en met fase 2.
6. De leningen zijn onderdeel van de samenwerkingsafspraken uit 2006 en de daarna gemaakte aanvullende afspraken. [gedaagde] en [bedrijf 1] willen die afspraken zoveel mogelijk continueren. Hierbij gelden de navolgende uitgangspunten:
- [gedaagde] is bereid haar 50% deel van de voorbereidingskosten van € 1mio tot een maximum van € 500k voor te financieren onder de voorwaarde dat bij verkoop van de appartementen in fase 3 de gefinancierde voorbereidingskosten pro rata worden afgelost aan beide partners. Er kan pas sprake zijn van uitkering van winst, als alle rente en aflossingen op openstaande leningen zijn betaald;
- [bedrijf 1] is akkoord met deze beperking van de inbreng van voorbereidingskosten onder de voorwaarde dat het budget van € 1mio voldoende is voor de voorbereidingskosten tot voorverkoop en de mate van voorverkoop voldoende dekking biedt voor de resterende voorbereidingskosten tot start bouw. Indien € 1mio niet voldoende blijkt te zijn, bijvoorbeeld door een lagere voorverkoop, tijdsvertraging of herontwikkeling, zullen [gedaagde] en [bedrijf 1] conform de SOK verplicht zijn deze extra voorbereidingskosten te dekken door aanvullende inbreng in DVPVG te verzorgen. Indien [gedaagde] dat niet kan of niet wil, stelt lening gever [bedrijf 1] als voorwaarde dat zij het recht uit de SOK – om te kunnen beleggen in appartementen van het project – om kan zetten in een koop van het voor de dekking van de extra voorbereidingskosten noodzakelijk aantal voorverkochte appartementen. (...) De koop is een recht van [bedrijf 1] . (...);
- [bedrijf 1] zal conform de SOK de bouwkosten van de niet verkochte woningen vanaf start bouw financieren tegen een marktconforme rente. (...) Indien een andere financier wil financieren is dat voor [bedrijf 1] ook akkoord. Indien geen financier een offerte wil doen zal de rente 3% bedragen met een looptijd van 1 jaar, [bedrijf 1] zal telkens 3 maanden voor de afloopdatum een voorstel doen voor de nieuwe looptijd en de bijbehorende rente en voorwaarden;
(...)
- Deze lening voor fase 3 met afwijkende voorwaarden ten opzichte van de SOK zal vanaf 1 februari 2021 van jaar tot jaar met telkens een jaar verlengd worden tot oplevering van het gehele project. Elk jaar wordt de lening geëvalueerd op marktconformiteit (...).
In oktober 2021 hebben partijen besloten fase 3a en 3b gelijktijdig te ontwikkelen. In de notulen van het directieoverleg van 26 oktober 2021 is het volgende opgenomen: “Wanneer besteding doelmatig is, zal het 50% aandeel door [gedaagde] van de voorbereidingskosten voor deel 1 (€ 2.2 mio + deel 2 (€ 2.1 mio) = totaal € 4.3 mio (50% = 2.2 mio) door [gedaagde] te financieren zijn.”
Bij e-mailbericht van 15 september 2023 heeft [gedaagde] [eiser] als volgt bericht:
Zoals in de aanvullende afspraken financiering van het project De Veense Poort fase 3 van d.d. 22 maart 2021, afgesproken is onder punt 6., is [gedaagde] bereid geweest om haar 50% deel van de voorbereidingskosten van 1mio tot een maximum van € 500k voor te financieren. Ten tijde van het maken van deze afspraken was het de bedoeling van partijen om eerst de toren - genaamd fase 3B - te ontwikkelen en te verkopen. Daarna zouden we dan verder gaan met toren 3A.
Door omstandigheden en voortschrijdend inzicht hebben partijen uiteindelijk besloten, hiervan af te zien en het geheel gelijktijdig te ontwikkelen. Hierdoor zijn genoemde voorbereidingskosten hoger.
Voorts blijkt het project nu op punten te moeten herontwikkeld, hetgeen ook weer extra voorbereidingskosten met zich meebrengt.
[gedaagde] heeft op moment van schrijven ruim €650k aan voorbereidingskosten in het project geinvesteerd.
Dit is al ruim €150k meer dan dat de polsstok eigenlijk lang is. Wij willen nu dan ook een beroep doen op punt 6. van de genoemde aanvullende afspraken.
In punt 6. is bepaald dat - indien [gedaagde] niet verder kan investeren in de voorbereidingskosten - dat [bedrijf 1] , het recht uit de SOK om te kunnen beleggen in appartementen van het project - om kan zetten in een koop van het voor de dekking van de extra voorbereidingskosten noodzakelijk aantal voorverkochte appartementen.
Ik zie dienaangaande gaarne een voorstel hieromtrent tegemoet van jullie.
Bij e-mailbericht van 13 oktober 2023 heeft [eiser] daarop, voor zover relevant, als volgt gereageerd:
Van het recht om te kunnen beleggen in appartementen van het project willen we in afwachting van de taxatie op 1 november 2023 vooralsnog geen gebruik maken. Dat is in onze afspraken van 22 maart 2021 opgenomen om een eventuele overschrijding van de door [gedaagde] begrote voorbereidingskosten van € 1 miljoen af te dekken. Of wij dat willen doen hangt af van de taxatiewaarde. Als de waarde van de grond en voorbereidingskosten lager is dan de door ons gegeven financiering plus geactiveerde rente en [gedaagde] kan haar 50% aandeel in de voorbereidingskosten niet inbrengen, is [gedaagde] in feite in verzuim. Als wij dan het aandeel van [gedaagde] gaan financieren, financieren wij in feite het verliesaandeel van [gedaagde] . (...)
Bij brief van 6 december 2023 met als onderwerp ‘verlenging hypothecaire leningen met oorspronkelijke hoofdsommen van resp. € 1.900.000, € 372.500, € 200.000 en
€ 50.000’ heeft [eiser] [gedaagde] bericht dat de genoemde leningen per 1 februari 2023 zijn afgelopen en dat [eiser] bereid is onder voorwaarden deze te verlengen. De brief is voor akkoord ondertekend door [persoon 2] namens [gedaagde] . De volgende voorwaarden zijn opgenomen:
- Er is overeenstemming tussen de aandeelhouders van de Veense Poort Vastgoed B.V. over de stand van zaken cq de hoogte van de financiering van de grex-kosten en van de hoogte van de 100% door [eiser] B.V. gefinancierde voorbereidingskosten en de door beide aandeelhouders 50/50 gefinancierde voorbereidingskosten.
(...)
- Een rentetarief van 6,25% vanaf 1 februari 2023. De lening van € 200.000 blijft rentevrij;
- Rentebetaling: per kwartaal (achteraf), eerste werkdag na afloop van het kwartaal (...).
De overige (aanvullende) voorwaarden zoals opgenomen in de verschillende eerdere schuldbekentenissen en verlengingen blijven eveneens ongewijzigd van kracht. In aanvulling daarop en ter verduidelijking zijn de geldleningen geheel en onmiddellijk opeisbaar, indien en zodra [gedaagde] B.V. één of meerdere verplichtingen uit hoofde van vorenbedoelde schuldbekentenissen en/of de samenwerkingsovereenkomst van 3 juli 2006 en de aanvullende afspraken van 22 maart 2021 niet (tijdig) nakomt of overtreedt of anderszins jegens [eiser] B.V. in verzuim is. (...)
Bij e-mailbericht van 22 december 2023 heeft [eiser] [gedaagde] , kort samengevat, bericht dat de prognose is dat de voorbereidingskosten tot aan de start van de bouw circa € 3,1 miljoen zullen bedragen. Om vertraging in het project te voorkomen, biedt [eiser] uit coulance aan, totdat de taxatie bekend is, de lopende voorbereidingskosten met een maximum van € 300.000,00, inclusief het deel van [gedaagde] , voor te financieren. Zij is bereid het aandeel van [gedaagde] , maximaal € 150.000,00, aan [gedaagde] te lenen tot uiterlijk 31 maart 2024 tegen een rente van 6,25% per jaar, waarbij op die datum gezamenlijke overeenstemming moet zijn bereikt over de verdere voortgang en financiering.
Bij brief van 22 januari 2024 heeft [eiser] [gedaagde] over de hypothecaire geldleningen vergelijkbaar bericht als hiervoor onder r.ov. 2.10 is weergegeven, met dien verstande dat de leningen worden verlengd vanaf 1 februari 2024 tot 1 april 2024 en dat het voorgestelde rentetarief vanaf die datum 6,22% bedraagt. Ook onder deze brief staat de handtekening van [persoon 2] namens [gedaagde] .
Bij brief van 22 maart 2024 heeft [eiser] , kort samengevat, aan [gedaagde] bericht dat de looptijden van de verschillende leningen zijn verstreken of binnen afzienbare tijd zullen verstrijken en dat [eiser] als voorwaarde voor verlenging heeft gesteld dat tussen partijen overeenstemming wordt bereikt over, onder meer, de voorbereidingskosten voor fase 3. [eiser] verlangt dan ook uiterlijk 25 maart 2024 een voorstel om tot een oplossing te komen.
Bij e-mailbericht van 27 maart 2024 heeft [gedaagde] [eiser] , kort samengevat, bericht dat [eiser] reeds ten tijde van het besluit om fase 3 gelijktijdig te ontwikkelen op de hoogte was van het feit dat [gedaagde] de voorbereidingskosten boven de € 500k niet zou kunnen inbrengen, terwijl zij alsnog ruim € 650k aan voorbereidingskosten in het project heeft geïnvesteerd. Aangezien [eiser] geen gebruik wil maken van de mogelijkheid van artikel 6 [van de Allonge, rb.] is het uitblijven van overeenstemming [gedaagde] niet aan te rekenen nu zij al op 15 september 2023 heeft aangegeven niet te kunnen meegaan in een hoger bedrag dan 500k. [gedaagde] wenst te overleggen over een oplossing.
Op 9 april 2024 hebben partijen overleg gevoerd. Bij e-mailbericht van 12 april 2024 heeft [eiser] de door haar ingenomen standpunten schriftelijk bevestigd. Kort samengevat stelt zij dat de uitgangspunten bij het tot stand komen van de SOK en de Allonge door de tijd zijn achterhaald zonder dat nieuwe afspraken zijn gemaakt, onder andere doordat de heer [persoon 4] van [eiser] feitelijk al geruime tijd als projectontwikkelaar optreedt, doordat [gedaagde] in afwijking van de afspraken niet 50% van de voorbereidingskosten financiert en doordat meerdere geldleningen zijn verstrekt, deels buiten de oorspronkelijke afspraken om, zonder dat er rente wordt betaald. [eiser] wil, voor zij de overeenkomst met [bedrijf 3] [ [bedrijf 3] B.V., rb.] ondertekent, met [gedaagde] afspraken maken over de samenwerking. Zij doet daartoe een voorstel, inhoudend dat het preferente winstaandeel van 6 ton en de winstverdelingsregeling komen te vervallen en het resultaat van het project 50/50 zal worden afgerekend, dat geen dividend wordt uitgekeerd totdat alle openstaande leningen inclusief rente zijn afgelost, dat de heer [persoon 4] van [eiser] als projectdirecteur wordt aangesteld en [eiser] daarvoor een vergoeding ontvangt en dat [persoon 2] zich terugtrekt als bestuurder en laat vervangen door [persoon 3] Indien partijen niet tijdig tot afspraken komen, zal [eiser] haar volmacht aan [gedaagde] om stemrecht op de aandelen uit te oefenen in de algemene vergadering van aandeelhouders van DVP intrekken en een vergadering uitschrijven om tot het ontslag van [persoon 2] en benoeming van een nieuwe bestuurder te komen. Tevens zal [eiser] dan in overweging nemen om de geldleningen op te eisen en het eerste recht van hypotheek uit te oefenen.
Bij ‘bezwarenbrief ex art. 2:349 BW’ van 16 april 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] , kort samengevat, bezwaar gemaakt tegen de door [eiser] aangekondigde werkwijze en zich op het standpunt gesteld dat er geen juridische grondslag bestaat voor het prijsgeven van het preferente winstaandeel, de overeengekomen winstdelingsregeling en de positie van [persoon 2] door [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is sprake van powerplay en dient [eiser] de afspraken uit de SOK gestand te doen en af te zien van de aangekondigde maatregelen. Bij gebreke van een bevestiging in dat verband acht [gedaagde] zich vrij om de Ondernemingskamer te verzoeken om een onderzoek te gelasten en een onafhankelijk tijdelijk bestuurder en een beheerder van de aandelen te benoemen.
Bij brief van 18 april 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en haar gesommeerd om binnen 48 uur na verzending van de brief schriftelijk te bevestigen dat [gedaagde] aan haar verplichtingen zal voldoen om 50% van de voorbereidingskosten te financieren, waarbij het [eiser] vrij staat om in de tussentijd haar verplichtingen op te schorten en zij zich alle rechten uit hoofde van de overeenkomst tussen partijen voorbehoudt. [eiser] wenst het project Veense Poort in goede samenwerking met [gedaagde] af te ronden en is bereid tot overleg.
De advocaten van partijen hebben vervolgens verder gecorrespondeerd maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Medio mei 2024 heeft [gedaagde] voorgesteld om door een derde financier alle leningen inclusief rente te laten aflossen en de resterende voorbereidingskosten te laten voldoen, in ruil voor het opgeven door [eiser] van haar eerste recht van hypotheek. Een en ander heeft geleid tot een door [gedaagde] aangespannen kort gedingprocedure, waarin zij medewerking vorderde aan rangwisseling van het eerste recht van hypotheek. Bij vonnis van 25 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:6989) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vorderingen van [gedaagde] afgewezen, kort samengevat omdat [gedaagde] niet inzichtelijk heeft gemaakt wie de door haar genoemde nieuwe financier is en welke financieringsvoorwaarden met haar zijn overeengekomen. Zonder die informatie kan niet worden beoordeeld welk belang [eiser] heeft bij het behoud van haar recht van eerste hypotheek, terwijl zij als financier wel verplicht blijft te voorzien in alle financieringsbehoeften van [gedaagde] /DVP. Zonder informatie over de nieuwe financier kan ook niet worden beoordeeld of er een reële kans is dat deze haar eerste recht van hypotheek zal gaan uitoefenen, aldus de voorzieningenrechter.
Krachtens daartoe op 12 juli 2024 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de vennootschap [bedrijf 3] B.V. op een vordering van € 700.000,00 die [gedaagde] op haar heeft.
Bij e-mailbericht van 23 juli 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] de advocaat van [eiser] verzocht het beslag onmiddellijk te doen opheffen aangezien het verzoekschrift geen melding maakt van de eerder door partijen gevoerde kort gedingprocedure, bij gebreke waarvan een kort gedingprocedure tot opheffing zal worden gestart. Zij heeft vervolgens op 8 augustus 2024 een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt.
Bij dagvaarding van 12 augustus 2024 heeft [eiser] de onderhavige (bodem)procedure aanhangig gemaakt.
Bij aangetekende brief van 16 augustus 2024 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld ter zake van het voldoen van de voorbereidingskosten en haar gesommeerd binnen 30 dagen het verzuim te beëindigen door aantoonbaar voldoende middelen ter beschikking te stellen aan DVP, bij gebreke waarvan [eiser] de SOK zal beëindigen en [gedaagde] uit te kopen.
Bij vonnis van 6 september 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:6098) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [gedaagde] tot opheffing van het beslag afgewezen. Kort samengevat heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat, anders dan [gedaagde] betoogde, het niet benoemen van de procedure over de rangwisseling in het beslagrekest geen strijd opleverde met de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv, zodat geen grond bestond voor opheffing van het derdenbeslag. [gedaagde] kon evenmin worden gevolgd in haar stelling dat het beslag onnodig was, nu uit correspondentie en het partijdebat ter zitting bleek dat [gedaagde] niet voornemens was om het beslagen bedrag volledig aan te wenden voor (onder meer) de voorbereidingskosten van fase 3 van DVP.
Bij brief van 18 september 2024 heeft [eiser] de SOK met onmiddellijke ingang opgezegd en, indien deze opzegging niet het daarmee beoogde effect mocht hebben, buitengerechtelijk ontbonden ex artikel 6:265 jo 6:267 BW. Volgens [eiser] is [gedaagde] bij brief van 12 augustus 2024 in gebreke gesteld en is sprake van wezenlijk verzuim aangezien het project al geruime tijd stil ligt vanwege de weigering van [gedaagde] om haar aandeel in de voorbereidingskosten te voldoen. [eiser] bericht [gedaagde] verder dat laatstgenoemde aansprakelijk is voor alle schade van [eiser] , dat [eiser] gebruik zal maken van het recht om het project zelfstandig voort te zetten zodat [gedaagde] verzocht wordt een onderbouwde boekwaarde aan te om tot een financiële afwikkeling tussen partijen te komen. Verder trekt [eiser] door middel van de brief met onmiddellijke ingang de volmacht van [gedaagde] in om het stemrecht op de aandelen van [gedaagde] in DVP uit te oefenen, en sommeert [eiser] [gedaagde] om het totaal uitstaande bedrag aan opeisbare leningen en verschuldigde rente van € 4.733.798,45 uiterlijk op 30 september 2024 aan [eiser] te voldoen.
Op 30 oktober 2024 heeft [gedaagde] in de onderhavige procedure bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, een incidentele vordering ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv. Zij vorderde daarin onder meer dat de rechtbank [eiser] zou verbieden gevolg te geven aan de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen en zou gebieden deze voort te zetten. [eiser] voerde verweer in het incident en verzocht om een mondelinge behandeling in het incident. Bij vonnis in incident van 18 december 2024 heeft de rechtbank, kort samengevat, beslist dat het verzoek van [eiser] om een mondelinge behandeling moet worden toegewezen, waarbij zij aanleiding zag om deze, vanwege de belangrijke mate van samenhang tussen de vorderingen in het incident en de hoofdzaak, gelijktijdig te laten plaatsvinden met de mondelinge behandeling in de hoofdzaak.
3. Het geschil in de hoofdzaak
in conventie
[eiser] vordert in haar dagvaarding dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de uit hoofde van de geldleenovereenkomsten opeisbaar verschuldigde bedragen, per 31 mei 2024 begroot op € 4.641.991,89, te vermeerderen met de daarover vanaf 31 mei 2024 verschuldigde wettelijke rente;
II. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar tekortschiet in haar verplichting ex artikel 6 SOK om voor 50% bij te dragen in de voorbereidingskosten, en dat zij gehouden is om de schade die [eiser] daardoor lijdt en nog zal lijden, te vergoeden zoals nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de nakosten.
Bij akte tot vermeerdering van eis in conventie heeft [eiser] daaraan toegevoegd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
V. voor recht verklaart dat de SOK ten gevolge van de opzegging van 18 september 2024 in verband met het wezenlijk verzuim van [gedaagde] om haar aandeel in de voorbereidingskosten te voldoen is komen te beëindigen;
VI. voor recht verklaart dat [eiser] de aan [gedaagde] verleende volmacht om het stemrecht op de door [gedaagde] aan [eiser] verpande aandelen te kunnen uitoefenen rechtsgeldig heeft herroepen;
VII. voor recht verklaart dat [eiser] gerechtigd is het project overeenkomstig het bepaalde in sub e van de SOK de ontwikkeling en realisatie van het project zelfstandig en voor eigen rekening en risico voort te zetten, tegen betaling van de in dat artikel bedoelde koopsom (zijnde een bedrag gelijk aan de boekwaarde van het over te nemen aandeel zoals in sub e van de SOK omschreven zonder rekening te houden met toekomstige ontwikkelings- en realisatiewinsten);
VIII. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor alle geleden en te lijden schade ten gevolge van het wezenlijk verzuim van [gedaagde] , bestaande uit in ieder geval de schade die is ontstaan door de vertraging die de realisatie van het project als gevolg hiervan heeft opgelopen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
IX. voor recht verklaart dat [eiser] op grond van de in art. sub e van de SOK omschreven volmacht gerechtigd is om tegen betaling van de overeengekomen koopsom (bestaande uit een verrekening van een eerste bedrag van € 1.900.000 en een tweede bedrag van € 600.000 als preferente winstaandeel) al die rechts- en feitelijke handelingen namens [gedaagde] uit te voeren die nodig zijn voor de overdracht van de in 2.5 (van de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] , rb.) omschreven kadastrale percelen aan DVP;
X. voor recht verklaart dat de hiervoor onder 5 [IX., rb.] bedoelde volmacht onherroepelijk is en dat de herroeping van de volmacht van 7 maart 2025 daarom niet het daarmee beoogde effect heeft gehad;
XI. [gedaagde] veroordeelt om op eerste verzoek van [eiser] volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de beëindiging van alle huur- en bruikleenovereenkomsten die betrekking hebben op de hiervoor genoemde kadastrale percelen, onder meer doch niet uitsluitend door alle daarvoor benodigde informatie volledig en naar waarheid aan [eiser] en/of DVP te verstrekken;
XII. voor zover voor de ontwikkeling en realisatie van het project nog feitelijke en/of rechtshandelingen van [gedaagde] nodig zijn, [gedaagde] te veroordelen om daar volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan te verlenen;
XIII. [gedaagde] verbiedt feitelijke en/of rechtshandelingen te verrichten die er op gericht zijn en/of er in kunnen resulteren dat de ontwikkeling van het nieuwbouwproject van DVP verdere vertraging kan oplopen, waaronder onder meer begrepen het benaderen van huurders en/of gebruikers in het ontwikkelgebied en/of de gemeente en/of andere bevoegde instanties en/of stakeholders, waaronder onder meer begrepen [bedrijf 3] , Samen Thuis Vastgoedontwikkeling B.V en Elements Vastgoed B.V., alsmede het doen van negatieve uitingen over het project richting stakeholders, waaronder mede begrepen de gemeente Veenendaal en (potentiële) kopers en/of in (social) media;
XIV. [gedaagde] ten aanzien van de vorderingen onder 7, 8 en 9 (na doornummering XI., XII. en XIII., rb.) veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in verzuim is om binnen een redelijke termijn van tenminste vijf werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van [eiser] daaraan medewerking te verlenen en uitvoering te geven, zulks zonder maximum, althans met een maximum van € 500.000,00 per overtreding.
[eiser] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen, kort samengevat, dat [gedaagde] gehouden is de openstaande bedragen uit hoofde van de geldleningen te voldoen, nu deze al geruime tijd opeisbaar zijn. Verder stelt [eiser] dat zij mocht overgaan tot beëindiging van de SOK in verband met het wezenlijke verzuim van [gedaagde] om haar aandeel in de voorbereidingskosten te voldoen. Zij is dan ook, overeenkomstig het bepaalde in de SOK, gerechtigd om het project zelfstandig en voor eigen rekening en risico voort te zetten en [gedaagde] dient daaraan mee te werken, aldus [eiser] .
[gedaagde] stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat [eiser] niet gerechtigd is de SOK op te zeggen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de opzeggingsgrond zelf gecreëerd, onder meer door beslag te leggen, negeert [eiser] haar rol als financier en probeert zij op onheuse wijze om zonder [gedaagde] het project voort te zetten. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de werkelijke proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, hierna nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert in reconventie dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [eiser] de SOK op 18 september 2024 ten onrechte heeft ontbonden;
voor recht verklaart dat [eiser] gehouden was/is de gezamenlijke ontwikkeling voort te zetten en af te wikkelen conform de in de SOK en Allonge opgenomen voorwaarden en bedingen;
voor recht verklaart dat – gezien de ernst van de tekortkoming en het oogmerk waarmee en de omstandigheden waaronder deze tekortkoming plaatsvond – die tekortkoming jegens [gedaagde] tevens onrechtmatig is;
[eiser] veroordeelt tot vergoeding van door deze tekortkoming c.q. onrechtmatige daad geleden schade, waaronder begrepen de werkelijke kosten van rechtsbijstand, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
[eiser] verbiedt om gevolgen te verbinden aan de opzegging van de SOK;
[eiser] verbiedt om gebruik te maken van de volmacht tot ontvlechting;
[eiser] gebiedt de SOK onverkort na te komen en de ontwikkeling gezamenlijk voort te zetten, te voltooien en af te rekenen conform de SOK en de Allonge;
[eiser] gebiedt om te financieren zoals voorzien in artikel a) van de SOK;
te bepalen dat de veroordelingen e tot en met h gelden tot en met het moment waarop DVP na voltooiing en afrekening van het project wordt ontbonden;
[eiser] ten aanzien van de veroordelingen e tot en met h veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 10.000.000,00;
[eiser] veroordeelt in de werkelijke proceskosten.
[gedaagde] verwijst ter onderbouwing van haar vorderingen naar hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, hierna nader ingegaan.
4. Het geschil in het incident ex artikel 223 Rv
[gedaagde] heeft in haar incidentele conclusie ex artikel 223 Rv gevorderd dat de rechtbank, voor de duur van de procedure:
[eiser] verbiedt gevolg te geven aan haar opzegging van de SOK en de Allonge;
[eiser] gebiedt eventuele reeds door haar getroffen maatregelen tot ontvlechting onverwijld ongedaan te maken;
[eiser] gebiedt de SOK voort te zetten conform de daarin en in de Allonge gemaakte afspraken;
[eiser] gebiedt in haar rol van financier [gedaagde] en/of DVP te financieren op marktconforme condities in een situatie waarin [gedaagde] aangeeft zelf niet te kunnen financieren (al dan niet als gevolg van het door [eiser] gelegde beslag);
[eiser] gebiedt mee te werken aan benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen persoon – bij voorkeur voorkomend op de “lijst van OK functionarissen”, aangehouden bij de Ondernemingskamer – als onafhankelijk bestuurder met doorslaggevende zeggenschap in DVP door op een daartoe binnen 14 dagen na dit vonnis in het incident te houden Algemene vergadering van aandeelhouders te stemmen vóór diens benoeming;
[eiser] gebiedt het op 16 oktober 2024 gelegde derdenbeslag onder [bedrijf 3] B.V. te Cruquius binnen 48 uur na betekening van het vonnis in het incident op te heffen.
[gedaagde] heeft haar incidentele vorderingen onderbouwd door te stellen dat [eiser] , bij gebreke van dergelijke voorzieningen voor de duur van de procedure, zal doorgaan met het ontwikkelen van het project zonder (overleg met) [gedaagde] , waardoor laatstgenoemde zal zijn aangewezen op een vordering tot schadevergoeding zonder dat zij invloed heeft gehad op de ontwikkeling van fase 3.
[eiser] heeft in haar conclusie van antwoord in het incident gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Ingevolge het vonnis in incident van 18 december 2024 heeft de mondelinge behandeling van de incidentele vorderingen gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de vorderingen in de hoofdzaak op 3 november 2025. Ter zitting heeft [gedaagde] bij monde van haar advocaat toegelicht dat, gelet op het tijdsverloop en de stand waarin de procedure zich bevindt, het belang van [gedaagde] bij de incidentele vorderingen is ontvallen, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. Dit standpunt heeft [gedaagde] later ter zitting gewijzigd. Zij trekt de incidentele vorderingen onder a tot en met c in. De vorderingen onder d, e en f wenst zij toe te voegen aan haar vorderingen in reconventie. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal in dit vonnis op het genoemde verzoek beslissen.
5. De beoordeling in de hoofdzaak
in conventie
Partijen zijn in 2006 een samenwerking aangegaan voor de ontwikkeling van het project De Veense Poort. Medio 2023 is tussen partijen op meerdere vlakken een geschil ontstaan, zoals ook blijkt uit de hiervoor weergegeven tussen partijen uitgewisselde correspondentie. De geschilpunten komen, zo stelt de rechtbank vast, in de kern neer op twee vragen, namelijk of de door [eiser] aan [gedaagde] verstrekte geldleningen opeisbaar zijn en of het [eiser] vrijstond de SOK op te zeggen en aan die opzegging verder gevolg te geven. Daarvoor is bepalend of [gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichtingen, met name ten aanzien van het voldoen van de voorbereidingskosten. Ook is van belang of [eiser] de reden voor opzegging zelf heeft gecreëerd, onder meer door onrechtmatig beslag te leggen, zoals [gedaagde] stelt. De rechtbank zal hierna op deze punten inhoudelijk ingaan.
Geldleningen
Vast staat dat [eiser] gedurende de samenwerking tussen partijen verschillende geldbedragen aan [gedaagde] heeft geleend. Voor de in 2006 uitgeleende bedragen van € 1.900.000,00, € 372.500,000, € 200.000,00 en € 50.000,00 bevinden zich in het procesdossier door beide partijen ondertekende schuldbekentenissen, waarin bepalingen zijn opgenomen over looptijd en rente. De looptijd van deze leningen is steeds verlengd en [gedaagde] heeft tot op heden op de leningen niet afgelost, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is.
De vraag is of de vordering op [gedaagde] op enig moment opeisbaar is geworden. [gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer gevoerd dat dit niet het geval is, omdat de leningen pas zouden worden afgelost uit de opbrengst van het project na afronding van fase 3 en daarvan nog geen sprake is. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing naar punt 4 van de Allonge (zie r.ov. 2.6). Naar het oordeel van de rechtbank is deze enkele bepaling echter onvoldoende voor het oordeel dat de leningen nog niet opeisbaar zijn. Uit de weergegeven correspondentie blijkt dat de afspraken tussen partijen gedurende de jaren van samenwerking werden gewijzigd en aangepast aan de praktijk. De bepaling over het aflossen van de lening met de opbrengsten uit de verkoop stond nog niet in de SOK en is kennelijk op enig moment gedurende de voorbereiding van fase 3 in maart 2021 tussen partijen overeengekomen. In artikel 6 van de Allonge is echter ook bepaald dat de leningen steeds van jaar tot jaar verlengd zullen worden en jaarlijks zullen worden geëvalueerd op marktconformiteit. Uit de onder r.ov. 2.10 en 2.12 weergegeven brieven volgt dat [eiser] bij die verlengingen steeds voorwaarden heeft gesteld, waar [gedaagde] mee heeft ingestemd. Zij heeft immers niet betwist dat [persoon 2] de verlengingsbrieven heeft ondertekend en daarmee [gedaagde] heeft gebonden aan de daarin opgenomen voorwaarden. In die brieven is niet meer gesproken over het aflossen van de leningen uit de opbrengsten van fase 3. Ook is daarin overeengekomen dat er per kwartaal rente moet worden betaald, hetgeen eveneens afwijkt van de oorspronkelijke afspraken. Vervolgens heeft [eiser] [gedaagde] bericht (zie r.ov. 2.13) dat de leningen bijna aflopen en dat zij alleen zullen worden verlengd als overeenstemming kan worden bereikt over de voorbereidingskosten. Die overeenstemming is niet bereikt, zo is in dit geding niet in geschil. Daarna zijn de leningen ook niet meer verlengd, zo heeft [gedaagde] niet betwist. Gelet op deze omstandigheden kan de enkele zinsnede in artikel 4 van de Allonge dan ook niet aan opeisbaarheid van de leningen in de weg staan.
Ook echter als zou worden aangenomen dat partijen nog steeds hebben bedoeld dat de leningen uit de opbrengst van fase 3 zouden worden afgelost, geldt het volgende. In de onder r.ov. 2.10 en 2.12 genoemde brieven is steeds als voorwaarde voor verlenging overeengekomen dat de leningen onmiddellijk opeisbaar zouden zijn indien [gedaagde] één of meerdere verplichtingen uit hoofde van de SOK en de Allonge niet zou nakomen. Dit brengt de rechtbank bij het volgende geschilpunt tussen partijen, namelijk of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] nu zij heeft verzuimd haar aandeel in de voorbereidingskosten te voldoen, zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist.
Tekortkoming ten aanzien van voorbereidingskosten
Tussen partijen is niet in geschil dat zij zijn overeengekomen dat ieder van partijen steeds 50% van de benodigde voorbereidingskosten diende te voldoen, zoals is vastgelegd in artikel 6 van de SOK. Partijen hebben daaraan kennelijk bij de bouw van fase 1 en 2 ook uitvoering gegeven zonder dat dit tot geschillen heeft geleid. De discussie tussen partijen over de voorbereidingskosten is ontstaan na het e-mailbericht van [gedaagde] van 15 september 2023 (zie r.ov. 2.8) waarin zij, kort gezegd, heeft meegedeeld niet in staat te zijn meer voorbereidingskosten te betalen dan het bedrag van € 650.000,00 dat zij reeds voor fase 3 had voldaan. [gedaagde] voert in deze procedure aan dat zij daarmee tijdig en gerechtvaardigd heeft meegedeeld geen verdere kosten meer te kunnen betalen. Zij beroept zich op artikel 6 van de Allonge, waarin is vastgelegd dat zij slechts tot een maximaal bedrag van € 500.000,00 aan voorbereidingskosten hoefde te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] echter terecht daartegenin gebracht dat, zoals ook uit de tekst onder het bedoelde artikel 6 blijkt, in 2021 nog een splitsing in fase 3 was voorzien zodat € 1.000.000,00 in totaal een realistisch bedrag was. De bepaling is achterhaald door de beslissing om fase 3 als één geheel te ontwikkelen, waardoor de kosten ook aanzienlijk hoger uitvielen. Het standpunt dat [gedaagde] in deze procedure lijkt in te nemen, dat deze beslissing tot gelijktijdige ontwikkeling een door [eiser] aan [gedaagde] opgelegd eenzijdig besluit is, kan de rechtbank niet volgen. [gedaagde] heeft in haar e-mailbericht van 15 september 2023 zelf geschreven dat “partijen uiteindelijk besloten” hebben om het geheel gelijktijdig te ontwikkelen, waardoor de voorbereidingskosten hoger zijn. Ter zitting heeft [eiser] onweersproken toegelicht dat in overleg met [bedrijf 3] bleek dat het realiseren van slechts één van de twee woontorens, die wel een gedeelde begane grond, parkeergarage en andere voorzieningen zouden krijgen, niet werkbaar was en dat beide aandeelhouders hebben ingestemd met het besluit tot gelijktijdige ontwikkeling. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat in het directieoverleg van 26 oktober 2021 reeds afspraken zijn gemaakt over de financiering bij gelijktijdige ontwikkeling van fase 3, zoals in de notulen van dat overleg (zie r.ov. 2.7) is opgenomen. Daaruit blijkt dat toen is gesproken over een aandeel in de voorbereidingskosten voor [gedaagde] van € 2.200.000,00. [eiser] heeft onweersproken gewezen op meerdere door haar in het geding gebrachte directienotulen, waarin is opgenomen dat iedere partij haar eigen aandeel van 50% weer zou gaan bijdragen. Het standpunt van [gedaagde] , dat de beslissing om fase 3 gelijktijdig te realiseren haar is opgelegd en zij de aanzienlijk hogere kosten niet heeft kunnen voorzien zodat zij om die reden redelijkerwijs niet kan worden gehouden die kosten te voldoen, is onvoldoende onderbouwd.
Bovendien is in artikel 6 van de Allonge, onder het tweede punt, reeds vastgelegd dat [eiser] alleen instemde met de beperking door [gedaagde] tot het bedrag van € 500.000,00 indien het budget van € 1.000.000,00 voldoende zou zijn voor de voorbereidingskosten tot voorverkoop en deze voorverkoop voldoende dekking zou bieden voor de resterende voorbereidingskosten tot start bouw. Indien dat niet voldoende zou zijn, bijvoorbeeld door herontwikkeling, waren partijen conform de SOK verplicht de extra voorbereidingskosten te dekken door aanvullende inbreng in DVP te verzorgen, zo hebben zij vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit artikel niet anders worden gelezen dan dat [gedaagde] niet aan de beperking tot € 500.000,00 mocht vasthouden indien het budget van € 1.000.000,00 niet toereikend zou zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat dat laatste het geval was. [gedaagde] benoemt in haar e-mailbericht van 15 september 2023 zelfs expliciet dat sprake is van hogere voorbereidingskosten door herontwikkeling, één van de in de Allonge genoemde gronden voor de verplichting om aanvullende inbreng te verzorgen. [gedaagde] heeft niet betwist dat het door haar gestorte bedrag van € 650.000,00 niet voldoende was om in 50% van het benodigde budget van fase 3 te voorzien. Dat de door [eiser] in haar e-mailbericht van 22 december 2023 (zie r.ov. 2.11) genoemde prognose van € 3.100.000,00 onjuist zou zijn, is ook niet gebleken. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord weliswaar aangevoerd dat de door [eiser] gepresenteerde voorbereidingskosten exorbitant hoog zouden zijn, maar zij heeft dat niet nader onderbouwd. Bovendien heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt wat het belang van [eiser] zou zijn om buitensporig hoge kosten te presenteren terwijl [eiser] daarvan zelf ook 50% moet voldoen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] , nu zij weigerde om verdere voorbereidingskosten dan € 650.000,00 te voldoen, terwijl dat bedrag onvoldoende was om 50% van het benodigde bedrag te dekken, is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen.
Dat oordeel wordt niet anders doordat [eiser] weigerde om conform de Allonge gebruik te maken van het recht van koop. In het bedoelde artikel 6 van de Allonge is bepaald dat [eiser] het recht om te beleggen in appartementen van het project “om kan zetten” in een recht van koop. Daaruit blijkt niet dat [eiser] daartoe in deze situatie verplicht was. Ook aan het einde van dit subartikel staat immers dat de koop een recht is van [bedrijf 1] . De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in haar e-mailbericht van 13 oktober 2023 (zie r.ov. 2.9) zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij taxatie van het project wilde afwachten om te kunnen beoordelen of de reeds verleende financiering zou voldoen. Indien dat niet het geval was omdat de waarde van de grond en voorbereidingskosten lager zou uitvallen, zou zij immers, zoals zij schrijft, het verliesaandeel van [gedaagde] financieren. Dat [eiser] in haar hoedanigheid als financier verplicht zou zijn om woningen te kopen en zo in het tekort aan voorbereidingskosten aan de zijde van [gedaagde] te voorzien, is onvoldoende onderbouwd en blijkt niet uit de SOK of de Allonge. Het is dan ook niet van belang dat de taxatie nog moest plaatsvinden, nu reeds vast staat dat het bedrag van € 650.000,00 van [gedaagde] in geen geval voldoende zou zijn. Dat de weigering om gebruik te maken van het recht van koop zou maken dat [gedaagde] niet (meer) in verzuim is, is dan ook niet gebleken.
Wezenlijk verzuim
Zoals blijkt uit de onder r.ov. 2.14 tot en met 2.16 weergegeven correspondentie zijn partijen, ondanks overleg en een aanbod van [eiser] in de vorm van een aanvullende geldlening, niet tot overeenstemming gekomen over het voldoen van de voorbereidingskosten. Nu [eiser] bij brief van 18 april 2024 (zie r.ov. 2.17) [gedaagde] in gebreke heeft gesteld en [gedaagde] , zoals zij niet heeft betwist, niet heeft voldaan aan de verplichting om 50% van de voorbereidingskosten te financieren, was [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim. Het verweer van [gedaagde] , dat [eiser] deze situatie zelf in het leven heeft geroepen en heeft aangegrepen als opzeggingsgrond, kan niet slagen. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat zij ervan overtuigd is dat [eiser] , in de periode na totstandkoming van de Allonge, het plan heeft opgevat om [gedaagde] ‘uit het project te werken’ en het project zelf voort te zetten. [eiser] heeft, zo voert [gedaagde] aan, eigen doelen gesteld in maart 2024 en wilde deze ten koste van [gedaagde] bereiken. [gedaagde] wijst ter onderbouwing op de in r.ov. 2.15 weergegeven e-mail van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] haar rol als financier van het project verzuimd door te weigeren de woningen af te nemen en de voorbereidingskosten verder te financieren. De rechtbank overweegt dat deze verwijten het verzuim van [gedaagde] niet wegnemen. [gedaagde] heeft niet aangetoond op grond waarvan [eiser] , ondanks het feit dat [gedaagde] in gebreke bleef de voorbereidingskosten te voldoen, een hoger aandeel van het project had moeten financieren. Het verweer dat [eiser] verplicht was tot koop van de woningen van het project en zo het tekort in de voorbereidingskosten aan te vullen, is hiervoor reeds verworpen. Dat [eiser] in overleg bleef en voorwaarden stelde om alsnog met [gedaagde] tot overeenstemming te komen en het project af te ronden, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen. Daaruit blijkt niet dat [eiser] op oneigenlijke gronden de samenwerking onmogelijk heeft gemaakt om het project zelf te kunnen voortzetten.
Dat [eiser] had moeten instemmen met het voorstel van [gedaagde] om haar eerste recht van hypotheek op te geven ten gunste van een derde partij die als financier zou optreden, is niet voldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter in het kort geding over deze kwestie (zie r.ov. 2.18) heeft geoordeeld dat nu [gedaagde] niet inzichtelijk heeft gemaakt wie deze derde financier is en tegen welke voorwaarden zij de financiering zou willen overnemen, zodat niet kon worden beoordeeld welk belang [eiser] had bij behoud van haar recht van eerste hypotheek. In de onderhavige procedure heeft [eiser] ter zitting onweersproken aangevoerd dat [gedaagde] , ondanks haar standpunt dat het genoemde oordeel van de voorzieningenrechter een verrassingsbeslissing betrof, de gevraagde duidelijkheid nooit heeft verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank kon bij deze stand van zaken niet van [eiser] worden verwacht dat zij zou instemmen met de door [gedaagde] voorgestelde rangwisseling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de voorzieningenrechter.
Ten slotte kan ook het verweer dat [eiser] onrechtmatig beslag heeft gelegd (en dit beslag niet heeft opgeheven) het voorgaande niet anders maken. [gedaagde] voert aan dat [eiser] geen beslag onder [bedrijf 3] had mogen leggen omdat zij in het beslagrekest geen melding heeft gemaakt van de daags daarna dienende kort gedingprocedure over de rangwisseling. Volgens [gedaagde] is de beslissing van de voorzieningenrechter om het beslag niet op te heffen (zie r.ov. 2.23) onbegrijpelijk en in strijd met de landelijk geldende Beslagsyllabus. De rechtbank overweegt dat de voorzieningenrechter in r.ov. 4.5. van haar vonnis heeft overwogen dat, anders dan [gedaagde] stelde, uit de wetsgeschiedenis en literatuur blijkt dat schending van de waarheidsplicht niet zonder meer leidt tot opheffing van het beslag zonder belangenafweging. Indien in kort geding blijkt dat de vordering waarvoor beslag is gelegd voldoende aannemelijk is en een belangenafweging niet met zich brengt dat het beslag moet worden opgeheven, dan behoort de eerdere onvolledige voorlichting door de beslaglegger niet tot opheffing van het beslag te leiden. De voorzieningenrechter heeft vervolgens gemotiveerd overwogen dat in de kort gedingprocedure over de rangwisseling de (omvang van de) vorderingen waarvoor [eiser] beslag heeft gelegd geen onderwerp van inhoudelijk debat is/zijn geweest, zodat het niet noemen van die procedure niet relevant was voor de beoordeling van het beslagrekest. Nu [gedaagde] daar in deze procedure verder niets tegenin heeft gebracht, maakt de rechtbank de overwegingen van de voorzieningenrechter tot de hare en gaat zij verder aan het verweer van [gedaagde] voorbij.
Dat [gedaagde] het benodigde bedrag aan voorbereidingskosten wel wilde voldoen maar [eiser] dit haar door het beslag onmogelijk heeft gemaakt, is onvoldoende onderbouwd. Allereerst staat vast dat [gedaagde] al sinds september 2023 weigerde om verdere voorbereidingskosten te betalen en het beslag pas in juli 2024 is gelegd. [eiser] heeft daarnaast toegelicht dat [gedaagde] , zoals ook de voorzieningenrechter in r.ov. 4.9 van het hiervoor genoemde kort gedingvonnis heeft overwogen, niet voornemens was om het beslagen bedrag volledig aan te wenden voor (onder meer) de voorbereidingskosten van fase 3 van DVP. [gedaagde] heeft in de onderhavige procedure ter zitting verklaard dat zij € 650.000,00 van de beslagen € 700.000,00 wilde storten als bijdrage in de voorbereidingskosten en dat [eiser] dat aanbod heeft geweigerd, maar dat heeft [eiser] weersproken. Zij heeft toegelicht dat zij heeft voorgesteld om het beslag op te heffen en het te ontvangen bedrag van [bedrijf 3] op een gesepareerde rekening te zetten, met als doel zekerheidsstelling. Dit voorstel werd, aldus [eiser] , door [gedaagde] afgewezen omdat zij pas wilde overleggen na opheffing van het beslag. [gedaagde] heeft dat ter zitting niet meer gemotiveerd weersproken. Daarmee heeft [gedaagde] onvoldoende aangetoond dat zij de verschuldigde voorbereidingskosten alsnog wilde voldoen en dat [eiser] ten onrechte het beslag heeft gelegd of niet tot opheffing is overgegaan.
Dat [eiser] [gedaagde] zou hebben belet om het verzuim te zuiveren en daarmee zelf een opzeggingsgrond in het leven heeft geroepen of heeft laten voortbestaan, zoals de rechtbank de stellingen van [gedaagde] begrijpt, is dan ook onvoldoende gebleken. Daarbij weegt de rechtbank mee dat onduidelijk is gebleven welk belang [eiser] daarbij zou hebben. Vast staat dat fase 1 en 2 van het project met verlies zijn afgesloten. [eiser] heeft gemotiveerd toegelicht dat fase 3 naar alle waarschijnlijkheid onvoldoende zal opbrengen om tot een (ruim) positief eindresultaat te komen. [gedaagde] heeft dat betwist en heeft aangevoerd dat het project zeer winstgevend is. Ter onderbouwing heeft zij echter enkel verwezen naar een waardebepaling die zij heeft laten opstellen in 2022. Dit rapport is gedateerd en [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat daarin niet is uitgegaan van het definitieve ontwerp van het project, geen gebruik is gemaakt van referentieobjecten en een onderbouwing van de geschatte waarde ontbreekt. Tegen het meer recente, in 2024, in opdracht van [eiser] opgestelde taxatierapport waaruit een veel lagere waarde blijkt, heeft [gedaagde] slechts aangevoerd dat dit is toegeschreven naar een voor [eiser] bruikbaar resultaat. Zij heeft echter geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat [eiser] de waarde van het project bewust te negatief voorspiegelt. Dat [eiser] (financieel) belang zou hebben om het project zelf voort te zetten ten koste van [gedaagde] is dan ook onvoldoende gebleken.
Conclusie en toewijzing vorderingen in conventie
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van ‘wezenlijk verzuim’ aan de zijde van [gedaagde] zoals bedoeld in sub e van de SOK. [gedaagde] is immers haar verplichting uit de SOK niet nagekomen en is ten aanzien daarvan door [eiser] bij aangetekende brief (zie r.ov. 2.22) in gebreke gesteld. Zij heeft naar aanleiding daarvan het verzuim niet binnen 30 dagen opgeheven. Dat dit in ernstige mate schadelijk was voor de voortgang en/of haalbaarheid van de ontwikkeling en realisatie van het project, zoals de SOK verder vereist, heeft [eiser] gemotiveerd toegelicht. Zij stelt dat de weigering van [gedaagde] om de voorbereidingskosten te voldoen erin heeft geresulteerd dat facturen van verschillende partners in het project niet meer konden worden betaald, waardoor die hun werkzaamheden hebben gestaakt en ook geen aanvang kon worden gemaakt met de voorverkoop. Het project is als gevolg van dit alles ernstig vertraagd, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft dit niet gemotiveerd betwist.
Dat sprake is van wezenlijk verzuim heeft, mede gelet op hetgeen in r.ov. 5.2 en 5.3. is overwogen, allereerst tot gevolg dat de geldleningen opeisbaar zijn. Ter zitting hebben partijen gediscussieerd over de hoogte van het openstaande bedrag inclusief rente. De heer [persoon 5] , die als accountant de zitting heeft bijgewoond en namens [gedaagde] ook het woord heeft gevoerd, heeft toegelicht dat de vordering op [gedaagde] inclusief rente op de datum van de zitting € 5.424.621,00 bedraagt, zoals ook in de pleitnotities van de advocaat van [eiser] is opgenomen. Dat bij overdracht van het vastgoed van [gedaagde] aan DVP een bedrag aan [gedaagde] zal moeten worden voldaan, waarvan de hoogte nog in geschil is, neemt niet weg dat [eiser] de leningen kan opeisen. Dat betekent dat de vordering onder I. in zoverre toewijsbaar is, met dien verstande dat het bedrag van € 5.424.621,00 zal worden opgenomen, te vermeerderen met de daarover vanaf 3 november 2025 verschuldigde wettelijke rente.
Het tweede gevolg van het wezenlijk verzuim van [gedaagde] is dat [eiser] , op grond van sub e van de SOK, gerechtigd was de overeenkomst tussentijds te beëindigen. Dat betekent dat de onder V. gevraagde verklaring voor recht, dat de SOK ten gevolge van de opzegging van 18 september 2024 in verband met het wezenlijk verzuim van [gedaagde] om haar aandeel in de voorbereidingskosten te voldoen is komen te beëindigen, toewijsbaar is. [eiser] heeft de samenwerking tussen partijen op juiste gronden opgezegd bij brief van 18 september 2024 (zie r.ov. 2.24). In die brief heeft [eiser] tevens de aan [gedaagde] verleende volmacht om het stemrecht op de verpande aandelen uit te oefenen herroepen. Deze mogelijkheid is in de pandakte (zie r.ov. 2.3) vastgelegd. Dat betekent dat de verklaring voor recht onder VI. eveneens wordt toegewezen.
Dat geldt, gelet op sub e van de SOK, ook voor de onder VIII. gevraagde verklaring dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor alle geleden en te lijden schade ten gevolge van het wezenlijk verzuim van [gedaagde] , bestaande uit in ieder geval de schade die is ontstaan door de vertraging die de realisatie van het project als gevolg hiervan heeft opgelopen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Zoals in r.ov. 5.12 is overwogen heeft [eiser] voldoende gesteld voor het oordeel dat zij schade heeft geleden. Nu het debat over de hoogte van die schade nog niet (voldoende) is gevoerd, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure. Met toewijzing van de vorderingen onder V. en VIII. is de oorspronkelijk door [eiser] onder II. ingestelde vordering achterhaald, zodat deze bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.
[gedaagde] heeft ter zitting als verweer gevoerd dat de SOK niet voorziet in de mogelijkheid om de overeenkomst zelf voort te zetten bij verzuim van de wederpartij, en dat de partij die opzegt zelf zou moeten vertrekken. De rechtbank kan dit verweer niet volgen. In het vervolg van sub e van de SOK is immers bepaald dat de wederpartij (niet zijnde de partij die in verzuim is) gebruik kan maken van het recht om het project zelfstandig voort te zetten. De vordering onder VI., de verklaring voor recht dat [eiser] gerechtigd is overeenkomstig het bepaalde in sub e van de SOK de ontwikkeling en realisatie van het project zelfstandig en voor eigen rekening en risico voort te zetten, tegen betaling van de in dat artikel bedoelde koopsom (zijnde een bedrag gelijk aan de boekwaarde van het over te nemen aandeel zoals in sub e van de SOK omschreven zonder rekening te houden met toekomstige ontwikkelings- en realisatiewinsten), is dan ook eveneens toewijsbaar.
Partijen hebben correspondentie in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij van standpunt verschillen over het vervolg van sub e van de SOK, waarin is bepaald dat de in gebreke zijnde partij in het geval van voortzetting door de andere partij een volmacht verstrekt aan die andere partij om al die rechtshandelingen te doen verrichten die nodig zijn ter effectuering van het vorengaande, onder de gehoudenheid van de voortzettende partij daarvoor aan de opgezegde partij een koopsom te voldoen. [eiser] heeft toegelicht dat de door haar ingestelde vorderingen onder IX. en X. voortkomen uit het feit dat [gedaagde] de genoemde volmacht heeft willen herroepen. [gedaagde] heeft in haar processtukken of ter zitting geen stellingen gewijd aan haar standpunt met betrekking tot de volmacht. Waaruit zou moeten worden afgeleid dat de in sub e genoemde volmacht kan worden herroepen door de partij die in verzuim is, is dan ook niet duidelijk geworden, zodat de rechtbank verder aan dit standpunt voorbijgaat. Ten aanzien van de onder IX. genoemde te verrekenen bedragen van € 1.900.000,00 en € 600.000,00 hebben partijen ter zitting gediscussieerd. Kennelijk heeft [eiser] zich buiten rechte op het standpunt gesteld dat het preferente winstaandeel van € 600.000,00 niet aan [gedaagde] hoeft te worden voldaan en dat [gedaagde] evenmin een vergoeding voor het projectmanagement (meer) toekomt aangezien [eiser] feitelijk het project grotendeels heeft geleid. Nu zij haar eis echter op dit punt niet heeft gewijzigd, zal de rechtbank verder aan die stellingen voorbijgaan en de vorderingen onder IX. en X. toewijzen.
Ten aanzien van de gevorderde medewerking door [gedaagde] onder de vorderingen XI. tot en met XIII overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde correspondentie blijkt dat partijen, ook na opzegging door [eiser] , niet tot overeenstemming zijn gekomen over de afwikkeling. [eiser] heeft in dat verband gesteld dat [gedaagde] , ook nadat [eiser] heeft verklaard het project zelf te willen voortzetten, is tekortgeschoten in haar verplichting tot medewerking (op grond van sub e van de SOK) aan de benodigde rechtshandelingen. Zij heeft verklaard dat [gedaagde] weigert mee te werken aan overdracht van de bouwgronden, waardoor twee belangrijke leden van het ontwikkelteam niet eerder aan het project willen werken totdat zeker is dat DVP tijdig over alle percelen kan beschikken en alle huurders/gebruikers tijdig tot ontruiming zullen overgaan. Ook [bedrijf 3] heeft aangegeven geen verdere werkzaamheden meer te verrichten voor de calculatie van de bouwkosten totdat duidelijk is door wie en op welke wijze het project wordt voortgezet. De start van de bouw is dan ook nog (steeds) niet ingepland, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft het voorgaande onvoldoende betwist.
Ook ter zitting is gebleken dat zij zich nog onverminderd op het standpunt stelt dat [eiser] geen gevolg mag geven aan beëindiging van de samenwerking tussen partijen en dat zij niet wenst mee te werken aan verdere effectuering daarvan. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] daarmee voldoende belang heeft bij toewijzing van de vorderingen onder XI. tot en met XIII. en de in XIV. gevorderde dwangsom. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook toewijzen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum weergegeven.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van Van der Vorm worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
9.137,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
18.703,22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Ten aanzien van de eis in reconventie heeft de advocaat van [gedaagde] ter zitting meegedeeld dat hij daaraan de incidentele vorderingen onder d, e en f wenst toe te voegen. Hij heeft toegelicht dat aan de overige vorderingen in incident (a, b en c) het belang is komen te ontvallen nu vonnis wordt gewezen in de procedure, of dat in deze vorderingen reeds voorzien is in de reconventie. Ten aanzien van het gebod aan [eiser] om [gedaagde] en/of DVP te financieren, het benoemen van een onafhankelijk bestuurder in DVP en het opheffen van het derdenbeslag onder [bedrijf 3] is dat echter niet het geval, zodat deze moeten worden ingelijfd bij de reconventionele vorderingen, aldus [gedaagde] . [eiser] heeft hiertegen ter zitting bezwaar gemaakt.
De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de advocaat van [gedaagde] dat [gedaagde] de betreffende incidentele vorderingen onder d, e en f niet alleen integraal wenst over te nemen en toe te voegen aan de reconventionele vorderingen, maar deze ook te ontdoen van hun provisionele karakter. Indien de vorderingen nog steeds zouden zijn bedoeld als ‘voor de duur van de procedure’ zouden zij immers in het incident kunnen worden gehandhaafd. Het doorvoeren van een dergelijke inhoudelijke wijziging komt echter neer op een eisvermeerdering ter zitting. Nog daargelaten dat deze eisvermeerdering niet op schrift is gesteld, zoals is vereist, geldt dat een dergelijke inhoudelijke wijziging voor [eiser] niet kenbaar was en zij daarop onvoldoende verweer heeft kunnen voeren. Dat levert strijd op met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] tussen het incidentele vonnis van 18 december 2024 en de mondelinge behandeling van 3 november 2025 ruimschoots in de gelegenheid is geweest om haar eis in reconventie te vermeerderen ten aanzien van deze vorderingen en deze alsnog in te stellen zonder dat dit een voorlopige voorziening zou betreffen. De rechtbank zal de eiswijziging dan ook niet toestaan.
De rechtbank zal de vorderingen in reconventie zoals weergegeven onder r.ov. 3.6 hierna behandelen.
De rechtbank is in r.ov. 5.14 reeds tot het oordeel gekomen dat [eiser] , gelet op het wezenlijke verzuim van [gedaagde] , gerechtigd was de overeenkomst tussen partijen tussentijds te beëindigen. Dat betekent dat de onder a. gevraagde verklaring voor recht, dat [eiser] de SOK ten onrechte heeft ontbonden, niet toewijsbaar is. Daaruit volgt dat [eiser] ook niet gehouden is de gezamenlijke ontwikkeling voort te zetten, zodat de vordering onder b. evenmin kan worden toegewezen. De onder e. tot en met h. gevorderde ge- en verboden bouwen voort op de hiervoor bedoelde (door [gedaagde] gestelde) verplichting van [eiser] om de gezamenlijke ontwikkeling voort te zetten. Nu [eiser] daartoe niet is gehouden, zullen ook deze vorderingen worden afgewezen en het onder i. en j. gevorderde, om te bepalen dat deze veroordelingen gelden tot ontbinding van DVP en om deze te versterken met een dwangsom, eveneens.
Onder c. vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat ‘de tekortkoming’ jegens [gedaagde] tevens onrechtmatig is. Deze tekortkoming heeft zij in het petitum niet verder geduid, maar in haar conclusie van eis in reconventie heeft zij uiteengezet dat [eiser] erop uit is om [gedaagde] te ‘lozen’ als samenwerkingspartner en er zelf met het verwachte aanzienlijke projectresultaat ‘vandoor te gaan’. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] reeds in 2006 daarvoor de voorwaarden geschapen, door middel van het hypotheek- en pandrecht, de overgang van het stemrecht en de volmachten, en wordt nu als ‘trigger’ het gelegde beslag gebruikt zodat [gedaagde] wordt verhinderd bij te dragen in de voorbereidingskosten. De rechtbank heeft echter in r.ov. 5.9 en 5.10 geoordeeld dat niet gebleken is dat [eiser] het beslag ten onrechte heeft gelegd of laten liggen en dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht welk belang [eiser] zou hebben om het project zonder [gedaagde] voort te zetten. Dat [gedaagde] reeds vanaf 2006, kennelijk tegen haar wil, zou zijn betrokken in een vooropgezet plan van [eiser] om het project uiteindelijk zelfstandig af te ronden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank nergens uit. Het gestelde levert dan ook geen tekortkoming of onrechtmatige daad jegens [gedaagde] op, zodat de vorderingen onder c. en d. zullen worden afgewezen. De vordering tot veroordeling in de (werkelijke) proceskosten volgt hetzelfde lot.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op het feit dat de vorderingen in reconventie (grotendeels) voortkomen uit het verweer in conventie, zal het salaris op de helft van het aantal punten worden gewaardeerd. De nakosten worden begroot op het bedrag van € 107,00, nu in conventie ook reeds nakosten zijn toegewezen en het maximaal toe te wijzen bedrag in conventie en reconventie € 296,00 bedraagt. De proceskosten van Van der Vorm worden begroot op:
- salaris advocaat
€
2.315,50
(0,5 punt × € 4.631,00)
- nakosten
€
107,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.422,50
6. De beoordeling in het incident ex artikel 223 Rv
Ten aanzien van de incidentele vorderingen van [gedaagde] geldt het volgende. Een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv strekt ertoe om gedurende de duur van de aanhangige hoofdprocedure voorlopige maatregelen te treffen. Deze vordering dient samen te hangen met de hoofdvordering en eiser dient daarbij voldoende belang te hebben. Bovendien moet van eiser niet kunnen worden gevergd dat hij de uitkomst van de hoofdzaak afwacht. Bij de beoordeling dient de rechtbank de belangen tussen partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin.
Zoals reeds in r.ov. 4.4. is overwogen, heeft [gedaagde] de incidentele vorderingen onder a, b en c ingetrokken. De rechtbank gaat aan die vorderingen dan ook voorbij.
Ten aanzien van de vorderingen onder d., e. en f. geldt dat deze bij gebrek aan belang niet toewijsbaar zijn, nu de procedure met dit vonnis eindigt. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vorderingen op inhoudelijke gronden evenmin toewijsbaar zouden zijn. Het gebod jegens [eiser] om [gedaagde] en/of DVP te financieren in een situatie waarin [gedaagde] aangeeft dat zelf niet te kunnen, vindt geen grond in de overeenkomst tussen partijen, zoals ook in r.ov. 5.6 en 5.7 is overwogen. Het benoemen van een onafhankelijk bestuurder, zoals gevorderd onder e., is niet meer aan de orde. [gedaagde] heeft, blijkens haar conclusie, deze vordering ingesteld met als doel te voorkomen dat [eiser] haar macht in DVP ten koste van [gedaagde] misbruikt en tevens om fricties in de samenwerking te beslechten. Nu de samenwerking tussen partijen eindigt is het voorgaande echter niet meer aan de orde. Ten slotte is van een onrechtmatig (gelegd of gehandhaafd) beslag niet gebleken, zoals reeds hiervoor is overwogen. Ook de vordering onder f. komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 4.631,00 (1 punt × € 4.631,00).
7. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de uit hoofde van de geldleenovereenkomsten opeisbaar verschuldigde bedragen, per 3 november 2025 begroot op € 5.424.621,00, te vermeerderen met de daarover vanaf die datum verschuldigde wettelijke rente,
verklaart voor recht dat de SOK ten gevolge van de opzegging van 18 september 2024 in verband met het wezenlijk verzuim van [gedaagde] om haar aandeel in de voorbereidingskosten te voldoen is komen te beëindigen,
verklaart voor recht dat [eiser] de aan [gedaagde] verleende volmacht om het stemrecht op de door [gedaagde] aan [eiser] verpande aandelen te kunnen uitoefenen rechtsgeldig heeft herroepen,
verklaart voor recht dat [eiser] gerechtigd is overeenkomstig het bepaalde in sub e van de SOK de ontwikkeling en realisatie van het project zelfstandig en voor eigen rekening en risico voort te zetten, tegen betaling van de in dat artikel bedoelde koopsom (zijnde een bedrag gelijk aan de boekwaarde van het over te nemen aandeel zoals in sub e van de SOK omschreven zonder rekening te houden met toekomstige ontwikkelings- en realisatiewinsten),
verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor alle geleden en te lijden schade ten gevolge van het wezenlijk verzuim van [gedaagde] , bestaande uit in ieder geval de schade die is ontstaan door de vertraging die de realisatie van het project als gevolg hiervan heeft opgelopen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
verklaart voor recht dat [eiser] op grond van de in art. sub e van de SOK omschreven volmacht gerechtigd is om tegen betaling van de overeengekomen koopsom (bestaande uit een verrekening van een eerste bedrag van € 1.900.000 en een tweede bedrag van € 600.000 als preferente winstaandeel) al die rechts- en feitelijke handelingen namens [gedaagde] uit te voeren die nodig zijn voor de overdracht van de in 2.5 van de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] omschreven kadastrale percelen aan DVP,
verklaart voor recht dat de hiervoor onder r.ov. 7.6 bedoelde volmacht onherroepelijk is en dat de herroeping van de volmacht van 7 maart 2025 daarom niet het daarmee beoogde effect heeft gehad,
veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van [eiser] volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de beëindiging van alle huur- en bruikleenovereenkomsten die betrekking hebben op de hiervoor genoemde kadastrale percelen, onder meer doch niet uitsluitend door alle daarvoor benodigde informatie volledig en naar waarheid aan [eiser] en/of DVP te verstrekken,
veroordeelt [gedaagde] , voor zover voor de ontwikkeling en realisatie van het project nog feitelijke en/of rechtshandelingen van [gedaagde] nodig zijn, daaraan volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen,
verbiedt [gedaagde] feitelijke en/of rechtshandelingen te verrichten die er op gericht zijn en/of er in kunnen resulteren dat de ontwikkeling van het nieuwbouwproject van DVP verdere vertraging kan oplopen, waaronder onder meer begrepen het benaderen van huurders en/of gebruikers in het ontwikkelgebied en/of de gemeente en/of andere bevoegde instanties en/of stakeholders, waaronder onder meer begrepen [bedrijf 3] , Samen Thuis Vastgoedontwikkeling B.V en Elements Vastgoed B.V., alsmede het doen van negatieve uitingen over het project richting stakeholders, waaronder mede begrepen de gemeente Veenendaal en (potentiële) kopers en/of in (social) media,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij aan het hiervoor onder r.ov. 7.8, 7.9 en 7.10 genoemde niet voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 per overtreding is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 18.703,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.535,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in het incident
wijst de vorderingen, voor zover deze niet zijn ingetrokken, af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [eiser] begroot op € 4.631,00, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op
15 april 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
1521 / 1327