beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/440898 / ES RK 24-390 en C/05/454301 / FA RK 25-2412
Datum uitspraak: 30 januari 2026
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling
in de zaak van
[naam vrouw] (nader te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.J.M. van Gent in Zaltbommel ,
tegen
[naam man] (nader te noemen: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.C.M. Groenestijn in Almere.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 september 2024;
het betekeningsexploot van 20 september 2024;
het verweerschrift met zelfstandig verzoeken met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2025;
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, tevens aanvullend verzoek met bijlagen, ingediend door mr. Van Gent op 29 april 2025;
het verweerschrift op het aanvullende verzoek met bijlagen, ingediend door mr. Groenestijn op 24 juni 2025;
de akte wijziging verzoeken met bijlagen, ingediend door mr. Groenestijn op 5 december 2025;
de journaalberichten met bijlage(n) van mr. Van Gent van 8, 9 en 11 december 2025.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 18 december 2025 met gesloten deuren. Daarbij waren beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] 2019 in [plaats 1] .
Partijen zijn de ouders van:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 13 december 2024 heeft de rechtbank (samengevat) de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw toevertrouwd, een zorgregeling vastgesteld en bepaald dat de man vanaf 1 januari 2025 een bedrag aan kinderalimentatie van € 300 per kind per maand en vanaf 1 maart 2025 een bedrag van € 234 per kind per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
3. De verzoeken en verweren
De vrouw verzoekt de rechtbank (na wijziging, aanvulling en intrekking) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):
tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
te bepalen dat de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen zal bijdragen met € 297 per kind per maand met ingang van 1 maart 2025;
te bepalen dat de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal bijdragen met € 590 bruto per maand, met ingang van 1 maart 2025;
de zorg over de kinderen tijdens de vakanties en feestdagen te verdelen volgens haar voorstel;
de wijze van verdeling van de beperte huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen en te bepalen dat aan de vrouw een bedrag toekomt van € 64.852,09.
De man verzoekt de rechtbank (na wijziging, aanvulling en intrekking) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):
het echtscheidingsverzoek van de vrouw toe te wijzen en de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen; bij wege van zelfstandige verzoeken:
de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;
te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 79 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van de beschikking;
te bepalen dat de kinderen tot aan het moment dat de man naar de omgeving van [plaats 1] verhuist eenmaal per veertien dagen vanaf woensdag uit de BSO tot maandagochtend naar school bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen van de BSO haalt en ze op maandagochtend naar school brengt en dat de kinderen, zodra de man is verhuisd naar de omgeving van [plaats 1] , de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven, met als wisselmoment de vrijdag;
de zorg over de kinderen tijdens de vakanties en feestdagen te verdelen volgens zijn voorstel;
de wijze van verdeling te gelasten of vast te stellen volgens zijn voorstel;
de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man en concludeert tot afwijzing.
De beoordeling
Ontvankelijkheid
In de wet staat dat ouders pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben vastgelegd over hun minderjarige kinderen. In dat ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken zijn opgenomen over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en hoe zij de kosten zullen delen.
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over het ontbreken van het ouderschapsplan. Het is daarbij duidelijk geworden dat het de ouders - ondanks een mediationtraject - niet gelukt is samen tot afspraken te komen over de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding in behandeling neemt. Van deze ouders kan op dit moment gelet op hun verslechterde communicatie en de gedane pogingen in redelijkheid niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken.
Echtscheiding
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit. De vrouw verzoekt dit en stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De man voert hiertegen geen verweer.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Partijen zijn het er over eens dat de kinderen bij de vrouw hoofdverblijfplaats hebben. De rechtbank zal dit bepalen.
De ouders zijn het eens over de reguliere zorgregeling die tussen hen geldt zolang de man (nog) niet is verhuisd naar de omgeving van [plaats 1] . Deze houdt in dat de kinderen eenmaal per veertien dagen vanaf woensdag uit de BSO tot maandagochtend naar school bij de man zijn, waarbij de man de kinderen van de BSO haalt en ze op maandagochtend naar school brengt.
De rechtbank overweegt dat deze zorgregeling niet ideaal is voor de kinderen gelet op de reisafstand, maar in de huidige situatie de beste optie is, omdat beide ouders dan zo veel mogelijk een gelijkwaardige rol als ouder hebben.
Partijen verschillen van mening over de reguliere zorgregeling zodra de man verhuist naar de omgeving van [plaats 1] . De vrouw voert aan dat zij in het verleden open stond voor co-ouderschap, maar dat dit nu lastiger is in verband met de verslechterde ouderrelatie. De ouders hebben zich aangemeld bij Familiepraktijk Martine voor een zogeheten SCHIP-traject, waar de ouders zullen gaan werken aan de communicatie en het herstel van vertrouwen. De vrouw wil de invulling van de reguliere zorgregeling meenemen in dit traject en de reguliere zorgregeling tot die tijd laten zoals nu is overeengekomen. Bovendien is het onduidelijk wanneer de man zal gaan verhuizen.
De man maakt zich zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vrouw. Hij stelt dat zij kampt met ernstige persoonlijke problematiek en intensieve hulpverlening ontvangt. Om de kinderen rust, stabiliteit en voorspelbaarheid te kunnen bieden, is het volgens hem noodzakelijk dat hij dichter bij hun school en leefomgeving gaat wonen. Zodra de man erin is geslaagd een passende woning in de omgeving van de school van de kinderen te vinden, is het zijn nadrukkelijke wens om met de vrouw een week-op-week-afregeling overeen te komen, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] afwisselend een week bij de man en een week bij de vrouw verblijven.
De rechtbank overweegt dat de man zijn zorgen niet rechtstreeks met de vrouw heeft gedeeld, maar uitvoerig in de processtukken uiteen heeft gezet. De rechtbank acht dit een gemiste kans, omdat dit de communicatie en het vertrouwen tussen partijen niet ten goede is gekomen. De rechtbank juicht een ouderschapstraject bij Familiepraktijk Martine toe, zodat de ouders hun communicatie kunnen verbeteren en het vertrouwen in elkaar als ouders over en weer zullen kunnen herstellen. De rechtbank complimenteert de ouders dat zij hierin hun verantwoordelijkheid nemen.
De rechtbank zal het verzoek van de man voor een week op-week afregeling zodra hij verhuisd is, afwijzen. De verhuizing van de man is een toekomstige gebeurtenis. Er is nu nog geen concreet zicht op de termijn waarop de man richting [plaats 1] gaat verhuizen. Het voert de rechtbank te ver nu op die mogbelijke situatie vooruit te lopen. Dat wil niet zeggen dat een dergelijke regeling niet goed voor de kinderen zou kunnen werken, maar de rechtbank geeft de ouders mee dat zij de invulling van de reguliere zorgregeling na een verhuizing op dit moment kunnen meenemen in het door hen te volgen ouderschapstraject. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij hiertoe bereid zijn.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen met elkaar overeengekomen dat er slechts één (vastgelegd) belmoment zal zijn tussen de man en de kinderen en wel op de zaterdag in het weekend dat ze bij de vrouw verblijven. Beide ouders gaan er daarbij van uit dat de kinderen vaker mogen bellen als zij dat zelf willen.
De ouders hebben overeenstemming over de verdeling van de schoolvakanties en de feestdagen, met uitzondering van de verdeling van de kerstvakantie. Op zich zijn zij het ermee eens om de kerstvakantie te delen, maar over de kerstdagen verschillen zij van mening. De vrouw wil de kerstdagen los ook verdelen, waarbij de kinderen op eerste kerstdag bij de ouder zijn waar zij gedurende de eerste week van de vakantie zijn. Op tweede kerstdag zijn de kinderen dan bij de ouder waar zij de tweede week van de kerstvakantie zijn.
De man wil alleen de kerstvakantie verdelen (en niet nog eens afzonderlijk de kerstdagen) waarbij de kinderen in de even jaren de eerste week bij de man zijn en in de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen. Zij overweegt daarbij dat de verschillende verzoeken van de ouders de komende twee jaar geen probleem hoeven te zijn, omdat de kerstdagen in het weekend vallen en daarmee kunnen worden verdeeld zoals door beide partijen gewenst. Tot en met 2027 kunnen ze dus één wisselmoment hanteren, bijvoorbeeld op de ochtend van tweede kerstdag. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wens van de man om het aantal wisselmomenten te beperken én het verzoek van de vrouw om de kerstdagen te delen. Na 2027 kan de situatie opnieuw worden bezien. Met name als de man tegen die tijd in [plaats 1] woont, is een extra wisselmoment voor hem wellicht minder bezwaarlijk. De rechtbank geeft aan de ouders mee dat zij dit geschilpunt kunnen meenemen in het door hen te volgen ouderschapstraject.
Voor het overige zal de rechtbank de vakantieregeling vaststellen zoals door partijen verzocht.
Kinderalimentatie en partneralimentatie
De behoefte van de kinderen is belangrijker dan de behoefte van de partner. De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.
De rechtbank zal hierna beslissen over de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
ingangsdatum
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. In dit geval hanteert de rechtbank de dag van deze beschikking als ingangsdatum, omdat tot die tijd de voorlopige voorzieningen van kracht zijn.
behoefte
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst bekeken wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de behoefte van het kind genoemd. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen per 1 januari 2026 € 1.392 bedraagt, dus € 696 per kind per maand.
draagkracht van de ouders
Vervolgens moet worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de draagkracht van de ouders genoemd. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode stelt de rechtbank vast wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Het NBI verminderd met de noodzakelijke lasten leidt tot de draagkrachtruimte. Daarvan is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% x (NBI - 0,3 x NBI - 1.365). Bij een NBI dat lager is dan € 2.200 per maand wordt de draagkracht bepaald op basis van een tabel.
draagkracht van de man
Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van de overlegde salarisspecificatie van september 2025 met een loon voor loonheffing van € 5.864,55 vermeerderd met een FIOD-toelage van € 276,17 per maand. De man ontvangt verder een IKB-budget van € 967,65 per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met de premies ABP, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Gelet op de zorgregeling komt de man in de even jaren (dus dit jaar) ook in aanmerking voor inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de man is dan € 4.738 per maand.
De man is van mening dat in de draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten van € 2.000 per maand. Hij woont in de nieuwbouwwoning die partijen gezamenlijk hebben gekocht. Hij moet dus een last betalen die partijen samen zijn aangegaan. Bovendien is de vrouw het volgens hem hiermee eens, gelet op het feit dat zij in haar alimentatieberekening met deze werkelijke woonlast rekening heeft gehouden.
De vrouw is - bij nader inzien - van mening dat rekening gehouden mag worden met een werkelijke woonlast van maximaal € 1.650 per maand. Volgens haar is het de keuze van de man geweest om in de (dure) nieuwbouwwoning te gaan wonen waarvoor partijen een koop-aannemingsovereenkomst hadden gesloten. Hij had deze overeenkomst vanwege de scheiding van partijen kunnen ontbinden en in hun (goedkopere) woning in [woonplaats] kunnen blijven wonen. De man heeft dit laatste bestreden, althans heeft bestreden dat hem dit bekend was.
De rechtbank overweegt dat de onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget en het forfaitaire bedrag van € 1.365 alle redelijke lasten, inclusief die voor een woning passend bij zijn inkomen, te kunnen voldoen. Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget, kan met die extra lasten rekening worden gehouden als deze lasten niet vermijdbaar zijn en het voortbestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. De onderhoudsplichtige moet dit te stellen en zo nodig bewijzen.
De man heeft verklaard dat hij indertijd niet heeft onderzocht of hij de nieuwbouwwoning van partijen moest afnemen of de overeenkomst had kunnen ontbinden. Verder heeft de man verklaard dat hij van plan is te gaan verhuizen om dichter bij de kinderen te wonen, wat maakt dat de last in elk geval op den duur vermijdbaar zal zijn. De man heeft niet aangetoond dat hij al stappen ondernomen om deze woning te verkopen of wat hij heeft ondernomen om woonruimte dichter bij [plaats 1] te vinden. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat het voortbestaan hem niet kan worden aangerekend. Daarom houdt de rechtbank in beginsel geen rekening met de volledige woonlast. Daar komt bij dat het bedrag van € 2.000 per maand de bruto hypotheekrente is. De man heeft enerzijds belastingvoordeel en anderzijds eigenaarslasten. De hoogte van deze bedragen is niet inzichtelijk gemaakt, waardoor de werkelijke last niet vaststaat. Omdat de vrouw akkoord gaat met een werkelijke woonlast van € 1.650 zal de rechtbank daar in de alimentatieberekening van uitgaan.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 1.206 per maand.
draagkracht van de vrouw
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft op basis van een werkweek van 32 uur en dat zij daarmee € 37.000 per jaar kan verdienen.
De vrouw voert aan dat zij in therapie is in verband met trauma’s uit het verleden. Zij heeft een VERS-training gehad en volgt nu elke week gedurende anderhalf uur therapie. Zij heeft ook wekelijks coachgesprekken en heeft huiswerk. De vrouw heeft een VMBO-diploma en maakt nu [functie] . Bij haar huidige werkgever kan zij niet meer uren maken. In 2024 heeft zij veel (over)uren gemaakt, dat was een druk jaar. In 2025 is dat minder.
De rechtbank zal voor de kinderalimentatie rekening houden met het daadwerkelijk door de vrouw verdiende inkomen, inclusief overuren. Zij dicht de vrouw op dit moment geen extra verdiencapaciteit toe vanwege de therapieën die zij volgt en de uren die daarmee gemoeid zijn. Op het moment dat deze zijn afgerond, zou haar verdiencapaciteit opnieuw kunnen worden beoordeeld. In het kader van deze procedure kan daar niet op vooruit worden gelopen. Een extra verdiencapaciteit van de vrouw, die zij feitelijk niet inzet, zou namelijk kunnen betekenen dat de man minder kinderalimentatie hoeft te betalen dan hij kan. De kinderen zouden daardoor ten onrechte tekortkomen.
Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw rekent de rechtbank op basis van de overlegde salarisspecificaties met een loon van € 1.155,40 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. De rechtbank houdt ook rekening met de premies voor ouderdomspensioen en WGA. Uit de salarisspecificatie van september 2025 blijkt dat de vrouw tot en met september 2025 een vergoeding heeft ontvangen voor overwerk van € 1.709, maar ook dat zij de laatste maanden niet meer heeft overgewerkt. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw in staat moet zijn jaarlijks € 2.000 aan overwerkvergoeding te verdienen. Dat strookt ook met de jaaropgave van 2024. De rechtbank houdt in de berekening verder rekening met het feit dat de vrouw recht heeft op de algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en een kindgebonden budget. Het NBI van de vrouw is dan € 2.100.
Volgens de hiervoor genoemde tabel heeft de vrouw een draagkracht van € 109 per maand.
verdeling van de kosten
De ouders hebben samen niet genoeg draagkracht voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.315 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.392 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 77 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 1.206 per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
zorgkorting
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij deels aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de zorgkorting.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gemiddeld afgerond drie dagen per week bij de man, uitgaand van afgerond vijf dagen per twee weken en de helft van de vakanties. Daarbij past een zorgkorting van 35% van de behoefte, dus € 487 per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet ook kosten voor de kinderen maken die zij eigenlijk niet kan dragen. Daarom moet ieder de helft van het tekort dragen, dus € 38,50 per maand. Dit bedrag komt in mindering op de zorgkorting. Dan resteert een zorgkorting van afgerond € 448 per maand. Dit bedrag mag de man zelf aan de kinderen besteden. Van de totale bijdrage van € 1.206 blijft dan € 758 over, dus € 379 per kind per maand. Dat bedrag moet de man aan kinderalimentatie aan de vrouw betalen.
huwelijksgerelateerde behoefte
Vervolgens komt de rechtbank toe aan het verzoek om partneralimentatie. Ook daarvoor moet eerst bekenen worden welk bedrag de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, haar behoefte. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de huwelijksgerelateerde behoefte genoemd.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de hofnorm. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om - na aftrek van de kosten van de kinderen - daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen in principe de helft van dat inkomen nodig heeft om dezelfde uitgaven te blijven doen. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen. Daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het (resterende) gezinsinkomen is.
Partijen zijn het nagenoeg eens over de hoogte van het netto gezinsinkomen in 2024. De rechtbank sluit aan bij de berekening van de man, die uitkomt op € 5.398. De rechtbank vermindert dit bedrag met de kosten van de kinderen van € 1.392. Er blijft dan € 4.006 over. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat is € 2.404 netto per maand.
behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 2.404) te verdienen. Voor zover zij daar niet toe in staat is, is zij behoeftig.
Partijen hanteren dezelfde argumenten als bij de kinderalimentatie. Bij de berekening van de kinderalimentatie is de rechtbank grotendeels met het standpunt van de vrouw meegegaan. Daarin heeft de rechtbank meegewogen dat de kinderen tekortkomen als de vrouw het inkomen niet heeft. Zij hebben daar zelf geen invloed op. Bij de partneralimentatie speelt dat argument niet zo sterk, omdat wordt aangesloten bij wat de vrouw geacht kan worden te verdienen en wat van haar in het licht van de beëindiging van de relatie in redelijkheid kan worden verlangd. De rechtbank oordeelt voor de bepaling van de behoeftigheid in het kader van de partneralimentatie dat de vrouw in redelijkheid in staat moet worden geacht 24 uur per week te werken en dan voldoende tijd over te houden voor haar therapieën in combinatie met de zorg voor de kinderen. Dat de vrouw hiertoe in staat zou moeten zijn wordt ondersteund door het feit dat zij heeft overgewerkt. De rechtbank beperkt de mogelijkheden van de vrouw op dit moment in redelijkheid wel tot 24 uur per week gelet op de therapieën die zij volgt en de zorg voor de kinderen.
Gezien haar huidige loon bij 16 uur zou de vrouw bij 24 uur per week € 1.733 bruto per maand verdienen, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. De door haar te betalen pensioenpremie zal de rechtbank schatten op € 38 per maand.
Het NBI van de vrouw bedraagt dan 1.830 per maand. Omdat haar behoefte € 2.404 bedraagt heeft zij een aanvullende behoefte van € 574 netto per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld netto bedrag tot € 825 per maand.
draagkracht van de man
Voor de bepaling van de draagrkacht van de man gelden dezelfde uitgangspunten als bij de kinderalimentatie, zij het dat 60% in plaats van 70% van de draagkrachtruimte beschikbaar is. De formule is dus 60% x (NBI - 0,3 x NBI - 1.365).
Het NBI van de man heeft de rechtbank hiervoor al berekend op € 4.738 per maand. Ook hier rekent de rechtbank met een werkelijke woonlast van € 1.650 per maand. Op basis van de formule is er dan een bedrag beschikbaar van € 1.033 per maand. Hierop moet het aandeel van de man in de kosten van de kinderen nog in mindering worden gebracht. Dat is € 1.206 per maand. Daarom resteert geen ruimte voor een bijdrage voor de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
alimentatie vooruitbetalen
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later wordt betaald.
De verdeling
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 5 september 2024 ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) erfenissen en giften uitgezonderd. Verder behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
afwijkende peildatum
De rechtbank constateert dat partijen overeenstemming hebben over de peildatum van de omvang en waardering van de vermogensbestanddelen. De peildatum voor omvang en waardering van de vermogensbestanddelen is 1 juli 2024.
samenstelling van de gemeenschap
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
de woning aan [adres] [plaats 2] ;
de hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden;
de inboedel;
e saldi op de volgende bankrekeningen:
- Openbank [nummer] op naam van de man;
- Openbank [nummer] op naam van de man;
- Openbank [nummer] op naam van de man;
- Openbank [nummer] op naam van de man;
- Openbank [nummer] op naam van de man;
- Openbank [nummer] op naam van de man;
- Rabobank [nummer] op naam van de man;
- Rabobank [nummer] op naam van beide partijen;
- de auto [merk] ;
Tussen partijen is in geschil of de volgende goederen en schulden aanwezig zijn en/of tot de gemeenschap behoren:
de verkoopopbrengst van de onroerende zaak in ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] ;
de afgeloste overbruggingshypotheek afgesloten bij Nationale Nederlanden.
De rechtbank zal die posten hierna eerst bespreken.
In 2013 heeft de man de woning in [woonplaats] gekocht met een hypotheekschuld per 16 januari 2014 van ongeveer € 170.000 (‘hypotheek A’). In 2015 is de vrouw ingetrokken in deze woning. Op [huwelijksdatum] 2019 zijn partijen gehuwd. De woning bleef op grond van artikel 1:94 lid 2 onder a BW privévermogen van de man.
In verband met een verbouwing hebben partijen in 2021 een tweede hypotheek afgesloten van ongeveer € 70.000 (‘hypotheek B’). Op 18 november 2021 is een akte van confirmatie getekend, waarbij de vrouw ook hoofdelijk aansprakelijk werd voor hypotheek A, die op dat moment nog € 140.000 bedroeg.
Op 22 november 2021 is de eigendomsverhouding gewijzigd, waarbij de man 99% behield en 1% aan de vrouw werd geleverd. De overdracht van deze 1% aan de vrouw vond tegen een koopprijs van € 3.000 plaats nadat partijen gehuwd zijn. Partijen hebben toen met elkaar afgesproken dat bij een eventuele verkoop van de woning, de man eerst € 300.000 van de verkoopopbrengst zou krijgen (de toenmalige waarde van de woning) en dat daarna een eventuele resterende overwaarde gelijkelijk (50/50) tussen partijen verdeeld zou worden. Deze afspraak is tussen partijen in 2024 bevestigd.
In november 2024 is de woning in [woonplaats] verkocht aan een derde voor € 445.000. Omdat er ten tijde van de levering van de woning tussen partijen discussie bestond over wie welk deel zou toekomen heeft de notaris afgewikkeld rekening houdend met de formele eigendomsverhoudingen. Aan de man is € 87.228,30 uitbetaald, aan de vrouw € 881,09.
De vrouw is van mening dat de afspraken die partijen hebben gemaakt over de verdeling van de overwaarde van de woning dienen te worden nagekomen. De woning is verkocht voor € 445.000. De eerste € 300.000 komt aan de man toe. Dan resteert een bedrag van € 145.000. Op grond van de gemaakte afspraak hebben beide partijen recht op de helft van dit bedrag, dus € 72.500.
De man erkent dat partijen in 2021 en in 2024 hebben afgesproken dat van de verkoopopbrengst van de woning aan de man eerst € 300.000 toekomt, waarna een eventuele restant overwaarde bij helfte tussen partijen verdeeld zou worden. Hij is echter van mening dat hij niet aan deze afspraak kan worden gehouden. Primair is hij van mening dat de afspraak nietig is, omdat materieel sprake is van huwelijksvoorwaarden. Dergelijke afspraken kunnen alleen bij notariële akte worden vastgelegd. De enige uitzondering is als zo’n afspraak wordt gemaakt in het zicht van de echtscheiding. Dat is hier niet aan de orde. Daarnaast heeft de man deze afspraak bevestigd op een moment dat hij niet volledig was geïnformeerd, zoals over de precieze positie van de overbruggingshypotheek, de latere wijziging in eigendomsverhoudingen en de details omtrent de woning in [plaats 2] . Nadat alle relevante gegevens - waaronder de aard van de overbruggingshypotheek, de akte van confirmatie, de wijziging in de eigendomsverhouding en de aflossing met betrekking tot de woning in [plaats 2] vanuit privégelden - bekend werden, is voor hem duidelijk geworden dat de in eerste instantie overeengekomen berekeningswijze niet langer stand kan houden. De gewijzigde omstandigheden vragen om een nieuwe, volledige en correcte vastlegging van de verdeling.
De man is van mening dat afgewikkeld dient te worden naar de verhouding van de juridische eigendom en het huwelijksvermogensrecht. In dit geval zou dat zijn 99% voor de man en 1% voor de gemeenschap. Hij is van mening dat hij terecht van de notaris € 87.228,30 heeft ontvangen, maar dat de vrouw ten onrechte € 881,09 heeft ontvangen. Partijen hadden ieder de helft moeten ontvangen van laatstgenoemd bedrag. De man is van mening dat de vrouw de helft van dat bedrag aan hem dient te vergoeden.
De rechtbank overweegt als volgt. Wat partijen in 2021 met elkaar hebben afgesproken, is op zich niet in geschil. De rechtbank volgt de man niet in het standpunt dat een dergelijke afspraak alleen bij huwelijksvoorwaarden gemaakt mag worden. De afspraak tussen partijen over de verdeling van de meerwaarde van de woning heeft geen goederenrechtelijk effect en betreft niet de eigendomsverhouding zelf, enkel de verdeling van de opbrengst van de woning bij een eventuele verkoop. De man heeft daarmee beschikt over zijn privégoed en een deel van de waarde daarvan aan de vrouw toegezegd. Dit kan zonder het sluiten van huwelijksvoorwaarden en is materieel geen huwelijksvoorwaarde.
Ook de stelling van de man dat hij niet aan deze afspraak kan worden gehouden omdat hij bij het maken van de afspraak niet over alle informatie beschikte, verwerpt de rechtbank, niet alleen omdat dit in het geheel niet is vast komen te staan, maar ook omdat deze stelling zonder nadere toelichting geen rechtsgrond oplevert om een overeenkomst aan te tasten.
Wat echter wel van belang is, is het feit dat uit de verkoopopbrengst van € 445.000 niet alleen de oorspronkelijke hypotheekschuld (hypotheek A) en de verhoging (hypotheek B) zijn afgelost, maar ook een overbruggingshypotheek die is afgesloten voor de financiering van de gezamenlijke woning in [plaats 2] . De man heeft onbetwist gesteld dat dit een bedrag van € 149.796,62 betreft. Dit was een gezamenlijke schuld van partijen die hen elk voor de helft aanging. Omdat ook de vrouw hiermee van deze schuld is bevrijd, heeft zij op die wijze al € 74.898,31 ontvangen. Dat is zelfs mee dan het bedrag van € 72.500 waarop zij volgens haar eigen stellingen recht had. De vrouw heeft nog € 881,09 ontvangen, maar er is geen grond om aan haar én de helft boven € 300.000 én 1% toe te rekenen. De rechtbank begrijpt de afspraak in het licht van de omstandigheden - met toepassing van de zogeheten Haviltexnorm - zo dat juridisch de vrouw 1% eigenaar zou worden maar dat feitelijk zou worden afgerekend volgens de afspraak. De man vordert slechts de helft van € 881,09 terug. Dat bedrag is toewijsbaar.
de woning in [plaats 2]
Partijen hebben in 2023 een nog te bouwen woning in [plaats 2] gekocht. Oplevering van de woning stond gepland voor december 2024. In de loop van 2024 is de relatie van partijen verbroken. De vrouw verbleef met de kinderen in de woning in [woonplaats] totdat zij in september 2024 haar nieuwe huurwoning betrok.
Partijen zijn het erover eens dat deze woning zal worden verkocht. Zij verschillen van mening over de verdeling van de opbrengst van deze woning.
De man stelt zich op het standpunt dat partijen overeenstemming hebben over de peildatum voor verdeling van deze woning, namelijk 3 december 2024. De woning is toen getaxeerd op € 495.000. De woning zal verkocht worden, maar de meeropbrengst komt naar zijn mening geheel aan hem toe. Hij heeft immers de volledige kosten van verbouwing betaald, waardoor de waarde van de woning is toegenomen naar € 530.000. Daarbij komt ook dat de man in de periode 1 juli 2024 tot en met november 2024 in zijn eentje de hypotheekaflossingen van de woning heeft gedragen. Dit moet worden gecorrigeerd. Hij heeft tot en met november 2024 een bedrag van € 4.182,77 afgelost. Als wordt uitgegaan van 3 december 2024 als datum voor de hypotheekstand hoeft er over de periode daarna niet meer te worden gecorrigeerd.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat na verkoop met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden voldaan. Als er dan een bedrag overblijft (de netto verkoopwinst), moeten partijen die bij helfte delen. Voor de waardering van de woning in [plaats 2] zijn partijen weliswaar een afwijkende peildatum overeengekomen, namelijk 3 december 2024, maar deze afspraak is gemaakt in het licht van de afspraak dat de woning aan de man zou worden toegedeeld. Nu de woning wordt verkocht, dient de gehele verkoopopbrengst te worden verdeeld. De vrouw gaat ermee akkoord dat de waardevermeerdering van het huis die is ontstaan door de verbouwing die de man heeft uitgevoerd en betaald aan hem toekomt. Ook is zij voor de afwikkeling bereid akkoord te gaan met de hypotheekstand per 3 december 2024 van € 389.848,81. De vermindering van de hypotheekschuld na die datum komt volledig aan de man toe. Het gaat de vrouw alleen om de waardevermeerdering als gevolg van de hogere marktwaarde die tussen partijen moet worden verdeeld.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben met elkaar een afspraak gemaakt over een afwijkende peildatum voor de waardering van de woning. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Uit de stellingen van partijen en de stukken volgt dat partijen de woning op 3 december 2024 hebben laten taxeren met het oog op de toedeling van de woning aan de man. De rechtbank acht dit een belangrijk gegeven en dit geeft voldoende steun om het standpunt van de vrouw te volgen. De man heeft niet mogen begrijpen dat als nog vóór de verdeling heeft plaatsgevonden al duidelijk is dat de woning verkocht zal worden de vrouw nog steeds zou instemmen met de getaxeerde waarde.
Wel heeft de man terecht aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de waardevermeerdering van de woning als gevolg van de verbouwing die de man heeft gerealiseerd en betaald. Hij heeft een bedrag van € 18.000 geïnvesteerd.
Dit betekent dat na de levering aan een derde met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening moet worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten moeten worden voldaan. Als er dan een bedrag overblijft (de netto verkoopwinst), komt aan de man een groter bedrag toe dan aan de vrouw. Omdat ook de waardetoename als gevolg van deze extra investering aan de man toekomt op grond van de zogeheten beleggingsleer, krijgt de man als de woning wordt verkocht bij vooruitneming 18.000/495.000 van de (bruto) verkoopprijs. Het restant wordt bij helfte verdeeld waarbij in de berekening van het aandeel van de vrouw voor de hypotheekschuld wordt uitgegaan van de stand op 3 december 2024.
de inboedel en de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel tussen hen feitelijk is verdeeld. Dit geldt ook voor de verdeling van de saldi op de bankrekeningen. Hierover hoeft de rechtbank dus niet meer te beslissen.
de auto
Partijen hebben overeenstemming over de verdeling van de auto. De auto wordt aan de vrouw toegedeeld. Uiterlijk 31 december 2025 zal zij aan de man een bedrag van € 8.500 betalen. Verder zal de auto zo snel als mogelijk op naam van de vrouw worden overgeschreven. De man heeft verzocht de vrouw hiertoe te veroordelen. Omdat de datum van de beschikking na 31 december 2025 is, zal de rechtbank bepalen dat voor zover de vrouw nog niet heeft betaald zij dit binnen een week alsnog dient te doen.
De man heeft vanaf 1 januari 2026 wettelijke rente over het bedrag verzocht. De rechtbank zal dit toewijzen omdat de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd.
verrekenposten en vergoedingsrechten
Partijen hebben over 2024 een te hoge voorlopige teruggaaf ontvangen van de Belastingdienst. Naar de rechtbank begrijpt, hebben zij voor beide woningen hypotheekrenteaftrek berekend. Dit heeft geleid tot een schuld aan de Belastingdienst. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen tot en met juli 2024 in hun onderlinge verhouding elk de helft van de schuld moeten dragen, omdat tot dat moment de teruggaaf op de gezamenlijke rekening is gestort. De vrouw heeft in eerste instantie om meer informatie gevraagd. Hierop heeft de man de aangifte over 2024 overgelegd. Hiermee acht de rechtbank het bestaan van de schuld voldoende onderbouwd. Ook acht de rechtbank het aannemelijk dat de man de schuld heeft voldaan. Omdat deze schuld beide partijen aangaat, en de man meer zijn aandeel heeft voldaan, heeft hij jegens de vrouw recht op vergoeding van een bedrag van € 3.140,96. Voor zover de man heeft gevraagd dit bedrag te vermeerderen met rente, ziet de rechtbank daarvoor geen grondslag.
De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw haar aangifte inkomstenbelasting 2024 moet indienen en een kopie daarvan aan de man moet verstrekken. Omdat de vrouw inmiddels aan dit verzoek heeft voldaan, heeft de man geen belang meer bij dit verzoek. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af. Uit de aanslag blijkt dat de vrouw een teruggave heeft ontvangen over 2024. De man heeft recht op de helft van deze teruggave berekend tot de peildatum 1 juli 2024. Dat is € 47.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem de helft van de door hem betaalde hypotheekaflossingen over de maanden juli tot en met november 2024 vergoedt.
De vrouw voert hiertegen verweer omdat het naar haar mening gaat om kosten van de huishouding.
De rechtbank stelt vast dat partijen als peildatum voor de omvang en waardering van de gemeenschap 1 juli 2024 zijn overeengekomen. De banksaldi zijn per die datum verdeeld. Dat betekent dat de hypotheekaflossingen vanaf dat moment voor rekening van de man zijn gekomen. Bij de verdeling van de woning wordt uitgegaan van de hypotheekstand op 3 december 2024. Hieruit volgt dat de man recht heeft op vergoeding van de helft van de door hem betaalde hypotheekaflossingen over de maanden juli tot en met november 2024. De man heeft onweersproken gesteld dat hij in die periode € 4.182,77 heeft afgelost. De vrouw dient de helft hiervan oftewel € 2.091,38 aan de man te vergoeden.
Resumé
De woning in [plaats 2] wordt verkocht en de opbrengst verdeeld volgens overweging 3.70. Verder dient de vrouw aan de man de volgende bedragen te vergoeden:
€ 440,55 ter zake van de woning in [woonplaats] (overweging 3.62);
€ 3.188,96 ter zake van de belastingaanslagen 2024 (overwegingen 3.74 en 3.75);
€ 2.091,38 ter zake van de hypotheekaflossingen over de maanden juli tot en met november 2024 (overweging 3.77).
In totaal moet de vrouw dus € 5.720,89 aan de man betalen. De rechtbank zal bepalen dat dit uiterlijk bij de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning in [plaats 2] wordt verrekend. Daarnaast wordt de auto aan de vrouw toegedeeld, waarbij de vrouw - voor zover zij dat nog niet heeft gedaan - aan de man binnen een week € 8.500 moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026.
Overige beslissingen
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen blijven gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat de procedure voortvloeit uit het beïndigen van hun relatie.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] 2019 in [plaats 1] ;
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
stelt als zorgregeling vast dat de kinderen eenmaal per veertien dagen bij de man zijn vanaf woensdagmiddag uit de BSO tot maandagochtend naar school, waarbij de man de kinderen van de BSO haalt en ze op maandagochtend naar school brengt;
stelt de volgende verdeling van de vakantie- en feestdagen vast:
in de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie verblijven de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
in de meivakantie verblijven de kinderen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, in de oneven jaren andersom;
in de kerstvakantie verblijven de kinderen in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de oneven jaren andersom;
op Goede Vrijdag en met Pasen verblijven de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
met Hemelvaart en Pinksteren en op Koningsdag verblijven de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
met Sinterklaas verblijven de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
op Vaderdag verblijven de kinderen bij de man, op Moederdag bij de vrouw;
op de verjaardagen van de kinderen verblijven zij in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder, waarbij de andere ouder de gelegenheid wordt geboden het kind te feliciteren;
bepaalt dat de man met ingang van vandaag een bedrag van € 379 per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
gelast de wijze van verdeling van de ontbonden (beperkte) huwelijksgemeenschap als volgt:
de woning in [plaats 2] wordt verkocht aan een derde onder aanwijzing van een door partijen gezamenlijk te kiezen makelaar;
na de verkoop en levering aan een derde zal met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en zullen de aan de verkoop verbonden kosten worden voldaan, waarna aan de man een vergoeding toekomt ter grootte van 18.000 / 495.000 deel van de verkoopprijs, en waarna de resterende netto verkoopwinst tussen partijen wordt verdeeld, waarbij voor de berekening van het aandeel van de vrouw wordt uitgegaan van de hypotheekstand op 3 december 2024;
de vrouw dient aan de man € 5.720,89 te vergoeden, uiterlijk op het moment van de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning in [plaats 2] ;
de auto [merk] wordt aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting van beide partijen mee te werken aan een zo spoedig mogelijke tenaamstelling op naam van de vrouw, en onder de verplichting van de vrouw - voor zover zij dit bedrag niet al heeft betaald - aan de man € 8.500 te betalen binnen een week na vandaag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2026 tot de dag der voldoening;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van D.S. Sweerman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
Bijlage 1: berekening van het NBI van de man
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
70.375
49b
Overige bruto arbeidsinkomsten
€
3.314
49c
Individueel keuze budget (IKB/PKB)
€
11.612
Bruto inkomsten
€
85.301
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
€
5.406
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
€
102
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
79.793
59
Inkomsten
€
79.793
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
79.793
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
79.793
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.900
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
€
14.852
- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer
€
676
95
Inkomensheffing box 1
€
29.428
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
79.793
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
29.428
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
6.491
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
22.937
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
56.856
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
0
jaar
Arbeidskorting
€
3.459
jaar
Combinatiekorting
€
3.032
jaar
120
Besteedbaar inkomen
€
56.856
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
56.856
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
4.738
Bijlage 2: berekening van het NBI van de vrouw
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
13.865
44
Vakantietoeslag
€
1.109
46a
Inkomsten uit overwerk waarover geen vakantietoeslag wordt berekend
€
2.000
Bruto inkomsten
€
16.974
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
€
303
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
16.671
59
Inkomsten
€
16.671
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
16.671
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
16.671
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
5.959
95
Inkomensheffing box 1
€
5.959
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
16.671
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
5.959
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
6.766
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
16.671
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
3.115
jaar
Arbeidskorting
€
2.456
jaar
Combinatiekorting
€
1.195
jaar
Bij: Kindgebonden budget
€
8.576
Af: Netto premie (WGA/WHK)
€
44
120
Besteedbaar inkomen
€
25.203
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
25.203
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.100
Bijlage 3: berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
20.796
44
Vakantietoeslag
€
1.664
Bruto inkomsten
€
22.460
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
€
456
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
22.004
59
Inkomsten
€
22.004
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
22.004
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
22.004
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
7.866
95
Inkomensheffing box 1
€
7.866
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
22.004
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
7.866
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
9.030
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
22.004
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
3.115
jaar
Arbeidskorting
€
4.109
jaar
Combinatiekorting
€
1.806
jaar
Bij: Kindgebonden budget
€
8.576
Af: Netto premie (WGA/WHK)
€
48
120
Besteedbaar inkomen
€
30.532
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
30.532
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.544
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
€
8.576
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
21.956
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
1.830
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
€
2.404
#
Indexeren
nee
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
€
2.404
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
€
1.830
Af: Post 119a kindgebonden budget
-
€
715
Restant:
€
-715
Kosten kinderen uit eigen inkomen
€
0
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
€
1.830
Netto aanvullende behoefte
€
574
Bruto aanvullende behoefte
€
825