ECLI:NL:RBGEL:2026:716

ECLI:NL:RBGEL:2026:716

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 136712.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

veroordeling voor een poging zware mishandeling door zijn vriendin te wurgen. Geen sprake van een poging tot doodslag, omdat niet kan worden vastgesteld met welke kracht en duur veroordeelde de keel van zijn vriendin heeft dichtgeknepen. Een verwurging levert niet zonder meer een poging tot doodslag op. Omdat het een feit van algemene bekendheid is dat de hals/keel een kwetsbaar deel van het lichaam is bestond wel de aanmerkelijke kans op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Veroordeelde heeft deze kans bewust aanvaard door zo te handelen. Vrijspraak van mishandeling. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 120 uren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.136712.25

Datum uitspraak : 28 januari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1988 in [geboorteplaats] (Sri Lanka), wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

raadsman: mr. J.W.J. Hopmans, advocaat in Horssen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, haar keel/hals heeft dichtgeknepen/dichtgehouden en/of een verwurging bij haar heeft aangelegd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen haar keel/hals heeft dichtgeknepen/dichtgehouden en/of een verwurging bij haar heeft aangelegd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats] zijn levensgezel/vriendin [slachtoffer] heeft mishandeld door haar keel/hals dicht te drukken/te houden en/of haar tegen haar (linker)been/of tegen haar lichaam te schoppen en/of te slaan en/of in haar (linker)been te bijten.

2.hij in of omstreeks de periode van 24 april 2025 tot en met 4 mei 2025 te [plaats] aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een brandwond/litteken op haar linkerarm, heeft toegebracht door de vlam van een aansteker tegen die arm te houden en/of een hete/warme aansteker tegen die arm te drukken/houden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 april 2025 tot en met 4 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vriendin [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen de vlam van een aansteker tegen die arm heeft gehouden en/of een hete/warme aansteker tegen die arm te heeft gedrukt/gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 april 2025 tot en met 4 mei 2025 te [plaats] zijn levensgezel/vriendin [slachtoffer] heeft mishandeld door de vlam van een aansteker tegen die arm te houden en/of een hete/warme aansteker tegen die arm te drukken/houden;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden bewust aanvaard door zijn handelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Verdachte had geen opzet op de dood. Bovendien kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zelf de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en ook niet dat hij bij haar een verwurging heeft aangelegd. Immers bracht [slachtoffer] zelf de hand van verdachte naar haar keel en zij kneep er vervolgens in. Verdachte heeft dit dus niet zelf gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 4 mei 2025 ruzie kreeg met zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Zij waren op dat moment in zijn woning in [plaats] en zij waren beiden dronken. [slachtoffer] heeft diezelfde dag verklaard dat zij gedurende deze ruzie op enig moment op het bed is beland en dat verdachte toen bovenop haar zat. Zij werd gewurgd door de handen van verdachte. Zij viel op dat moment weg, voelde trillingen in haar lichaam en verloor het bewustzijn. [slachtoffer] werd wakker omdat zij moest overgeven. Op het moment dat zij moest overgeven stopte verdachte met wurgen.

Op 4 mei 2025 omstreeks 04.00 uur heeft verdachte contact met de chatbot van de politie. In dit gesprek is onder meer het volgende getypt:

[naam] [2025-05-04 04:10:09.5267155]: Goeienacht, wat kan ik voor je doen?

Burger (de rechtbank begrijpt: verdachte) [04:10:42]: Hi mijn vriendin en ik hebben elkaar net voor de zoveelste keer door alcohol aangevallen

Verdachte [04:10:53]: Ik denk dat het goed is dat er iemand komt

(…)

Verdachte [04:11:19]: Ongeacht wat zij zegt en de concequenties zijn voor mij als dit verder gaat dan gaat het fout

Verdachte [04:11:26]: Ik heb bijstand nodig

[naam] [04:11:26]: Zijn jullie gewond?

Verdachte [04:11:38]: Zij eerlijk gezegd meer dan ik

Verdachte [04:12:19]: en ik heb haar net gewurfd

Verdachte [04:12:23]: maar ben gestopt

Verdachte [04:12:27]: Nee

Verdachte [04:12:32]: Nu geen ruzie

[naam] [04:12:37]: gewurfd?

Verdachte [04:12:47]: Maar ik ben ten einde raad

Verdachte [04:12:50]: Gewurgd.

Tegen de verbalisanten die ter plaatse komen na de melding van verdachte zegt hij dat hij zijn vriendin bij haar keel heeft gegrepen en haar heeft gewurgd met beide handen. Hij heeft dit gedaan tot hij zijn vriendin hoorde kokhalzen en daarna is hij gestopt. Toen hij haar hielp met overgeven besefte hij dat wat hij had gedaan echt niet kon en dat ze hulp nodig hadden. Hij zegt verder dat hij eerlijk is in wat hij heeft gedaan en dat hij gewoon vertelt wat er is gebeurd. Een van de verbalisanten die ter plaatse is gekomen ziet bij [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) meerdere rode striemen in haar hals.

Gelet op al het voorgaande, in het bijzonder het chatgesprek dat verdachte direct na het feit met de politie had en zijn verklaring die hij tegenover de verbalisanten ter plaatse heeft afgelegd kort na het incident, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij [slachtoffer] een verwurging heeft aangelegd door met twee handen haar keel dicht te knijpen. Ook [slachtoffer] verklaart dit direct nadat de politie ter plaatse komt en enkele uren daarna wanneer zij opnieuw met de politie spreekt. De rechtbank gaat uit van de verklaringen zoals verdachte en [slachtoffer] die direct c.q. kort na het incident, los van elkaar gelijkluidend en gedetailleerd hebben afgelegd. De rechtbank acht de latere verklaring van verdachte en die van [slachtoffer] (zoals door de raadsman van verdachte ter zitting aan de rechtbank overgelegd), dat [slachtoffer] de hand van verdachte zelf op haar keel zou hebben gelegd en vervolgens zelf die hand om de keel zou hebben dichtgeknepen, niet aannemelijk.

Dat verdachte en [slachtoffer] ten tijde van het afleggen van hun verklaringen in de nacht van 4 mei 2025 veel gedronken hadden (zoals ook volgt uit de uitslag van het voorlopig ademonderzoek van verdachte), doet naar het oordeel van de rechtbank om dezelfde redenen als hiervoor genoemd niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. Bovendien is het letsel op het linker bovenbeen van [slachtoffer] , opgelopen in diezelfde nacht kort voorafgaand aan de verwurging, passend bij het letsel zoals door haar direct na het voorval aan de politie beschreven (een bijtwond).

Poging doodslag (primair)

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld, of poging doodslag kan worden bewezen, en zo niet, of het subsidiair of meer subsidiair tenlastegelegde (wel) bewezen is.

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is onder meer vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat dit gevolg – de dood – zou intreden en verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij door het dichtknijpen van haar keel door verdachte even buiten bewustzijn is geweest en dat verdachte stopte op het moment dat zij moest overgeven. De rechtbank overweegt dat uit de handeling van het dichtknijpen van de keel niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond.

Daarvoor is nodig dat komt vast te staan met welke kracht dat dichtknijpen is gegaan, en hoe lang dat heeft geduurd.

De rechtbank overweegt dat in het dossier enkel een door forensisch arts opgemaakte geneeskundige letselbeschrijving aanwezig is, waaruit blijkt dat bij [slachtoffer] diverse krasletsels in haar hals had die bestonden uit oppervlakkige huidbeschadigingen en huidonderbrekingen met korstvorming (krassen). Aan de rechterzijde van de hals is verder een bloeduitstorting waargenomen. Die kan volgens de deskundige ontstaan als gevolg van een uitwendig inwerkende, mechanisch botsende dan wel samendrukkende kracht met of door een stomp (deel van een) voorwerp of als gevolg van een botsing met een oppervlak.

Dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, staat daarmee genoegzaam vast. De letselbeschrijving geeft echter geen inzicht in de kracht en de duur van de door verdachte aangelegde verwurging bij [slachtoffer] . Ook de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] zijn hierover onvoldoende specifiek. Het ontbreken van deze nadere informatie, maakt dat de rechtbank niet vast kan stellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Nu verdachte ontkent dat hij opzet had op de dood van [slachtoffer] , kan daarom de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet worden bewezen.

De rechtbank zal verdachte dan ook daarvan vrijspreken.

Poging zware mishandeling (subsidiair)

Voor bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte het opzet had om de ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast moet dit opzet zich hebben geopenbaard in een begin van uitvoering van een handeling.

Op grond van de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte, in het bijzonder het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] , kan wel het bewijs worden geleverd voor de, subsidiair tenlastegelegde, poging tot zware mishandeling. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat in keel en hals zich kwetsbare en vitale organen bevinden zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader. Het moet ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij met het met beide handen dichtknijpen van de hals en/of de keel van [slachtoffer] de aanmerkelijke kans in het leven riep dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Door dat te doen valt af te leiden dat hij welbewust die aanmerkelijke kans op de koop heeft toegenomen. Daarmee valt voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te bewijzen. Het begin van uitvoering van dat opzet bestaat uit het aanleggen van een verwurging en het dus dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] .

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair onder 2 tenlastegelegde.

Ten aanzien van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft de officier van justitie gesteld dat deze wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de verklaring van [slachtoffer] en de letselbeschrijving. Daartoe is aangevoerd dat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte de aansteker tegen haar arm heeft gehouden. Het letsel dat zij op haar arm heeft past ook bij deze verklaring.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

Op het moment dat de politie ter plaatse komt in de woning van verdachte in de nacht van 4 mei 2025, vragen de verbalisanten aan [slachtoffer] of zij nog ergens anders op haar lichaam letsel heeft. Zij toont dan een brandwondje op haar rechterarm en verklaart dat deze is veroorzaakt doordat verdachte een week eerder een brandende aansteker tegen haar arm hield. Van dit letsel wordt door de verbalisant een foto gemaakt.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer] en de foto die de verbalisant heeft gemaakt de enige stukken in het procesdossier zijn waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte een aansteker tegen [slachtoffer] haar arm zou hebben aangedrukt. In zowel de letselbeschrijving als in het forensisch onderzoek wordt niet over deze verwonding gerept. Verdachte heeft hierover (consistent) verklaard dat hij één week voor zijn aanhouding op 4 mei aan het stoeien was met [slachtoffer] en dat zijn aansteker per ongeluk tegen haar arm aan kwam, waardoor het letsel aan haar arm is ontstaan.

Gelet op de beperkte informatie die in het dossier zit ten aanzien van het brandwondje, kan de rechtbank niet vaststellen of dit letsel bij [slachtoffer] opzettelijk is veroorzaakt door verdachte, of dat er per ongeluk een vlam tegen de arm van aangeefster is gekomen tijdens het stoeien, zoals verdachte heeft verklaard. Het voordeel van die twijfel moet aan verdachte worden gegund, zodat niet kan worden bewezenverklaard dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van letsel aan [slachtoffer] zoals tenlastegelegd onder 2. Daarom zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken in alle ten laste gelegde varianten.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen haar keel/hals heeft dichtgeknepen/dichtgehouden en/of een verwurging bij haar heeft aangelegd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, subsidiair:

poging tot zware mishandeling

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van een bewezenverklaring van een poging tot doodslag en een mishandeling, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat voor wat betreft het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met het advies van de reclassering.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Dat is een zeer ernstig feit. [slachtoffer] en verdachte mogen van geluk spreken dat het bij een poging is gebleven. Het is invoelbaar en het blijkt ook uit haar verklaringen, dat [slachtoffer] heel bang is geweest tijdens de verwurging. Die verwurging vond plaats in de woning van verdachte waar [slachtoffer] ook woonde- het was dus ook haar woning, en bij uitstek de plek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen. De onvoorspelbaarheid die uit het gedrag van verdachte spreekt, onder meer door de intensiteit waarmee verdachte reageerde op wat een “ordinaire” dronkemansruzie lijkt te zijn geweest, maakt zijn handelen des te beangstigender en de vrees voor herhaling groot. De zakelijkheid waarmee hij bij de politie verklaarde en de ogenschijnlijke nonchalance waarmee verdachte tijdens de zitting voorbijging aan de gevoelens van het slachtoffer, nog meer.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 december 2025. Daarin komt naar voren dat sprake was van een destructieve relatie tussen verdachte en [slachtoffer] , die momenteel is beëindigd. Verdachte woont nog in zijn eigen huurwoning en ontvangt een uitkering. Gedurende zijn schorsing heeft hij goed meegewerkt in de begeleiding van de reclassering en dit geldt ook voor de begeleiding bij Veilig Thuis en het buurtteam. Er lijkt sprake te zijn van emotieregulatieproblematiek, maar dit is niet door een deskundige vastgesteld. De reclassering adviseert het reclasseringstoezicht te continueren middels het opleggen van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank acht een poging zware mishandeling bewezen, anders dan de officier van justitie die poging doodslag te bewijzen vindt. Dat maakt dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan geëist. Zij kijkt daarbij naar de ernst van het bewezenverklaarde feit, naar wat rechters voor dergelijke feiten gemiddeld opleggen en naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Na weging van al die factoren acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden. Omdat sprake is van een ernstig feit en de rechtbank verdachte ervan wil doordringen niet opnieuw de fout in te gaan, zal de rechtbank daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen met een proeftijd van drie jaar. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Naast al het voorgaande legt de rechtbank, gelet op het destructieve karakter van de relatie die verdachte met [slachtoffer] had en het recidivegevaar dat die relatie met zich brengt, een contactverbod aan verdachte op met het slachtoffer. Ondanks het feit dat de reclassering inschat dat de kans op herhaling lijkt te zijn afgenomen nu de relatie is beëindigd, maakt de gang van zaken tijdens deze relatie (waaronder het feit dat de relatie na het Tijdelijk Huisverbod van verdachte doorgang bleef vinden) dat de rechtbank de kans op herhaling nog steeds aanwezig acht. Zij zal aan verdachte dan ook een contactverbod met [slachtoffer] opleggen voor de duur van de proeftijd.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op emotieregulatie;

- verdachte gedurende de proeftijd, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

 legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

 heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Tegelaar
  • mr. T.M.A. Arts

Griffier

  • mr. E.W.A. Nabbe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?