RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/3909 en 26/3910
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over het beëindigen van de Ziektewetuitkering van eiser per 20 maart 2026. Bij beslissing op bezwaar is het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering in stand gelaten. Eiser heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiser was werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per week. Hij heeft zich op 10 december 2025 bij zijn werkgever ziek gemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Zijn dienstverband is geëindigd per 14 december 2025. Eiser ontving een Ziektewetuitkering.
Bij besluit van 19 maart 2026 is de Ziektewetuitkering van eiser beëindigd per 20 maart 2026, omdat hij vanaf die datum weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 3 augustus 2026 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De Raad heeft op het beroep en het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Raad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Eiser betoogt dat zijn Ziektewetuitkering ten onrechte is beëindigd. Hij heeft medische klachten waardoor hij niet in staat is om zijn werk als productiemedewerker uit te voeren. Hij stelt dat er sprake is van een onzorgvuldige medische beoordeling en gebrek aan dossierkennis. De verzekeringsarts is volledig voorbijgegaan aan de feitelijke medische beperkingen en de voortdurende medische behandeling van eiser in Polen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts een verkeerde conclusie getrokken ten aanzien van de belastbaarheid van eiser en stelt de Raad ten onrechte dat er geen (nieuwe) medische gegevens door eiser zijn ingebracht. Tot slot betoogt eiser dat hij aanzienlijke reiskosten heeft moeten maken omdat hij voor het gesprek met de verzekeringsarts vanuit Polen moest afreizen naar Nederland, maar dat de Raad deze niet wil vergoeden.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medische onderzoek van de verzekeringsarts onzorgvuldig is. Eiser heeft de medische gegevens van zijn diagnose en behandeling in Polen met de verzekeringsarts gedeeld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de verzekeringsarts de medische gegevens heeft laten vertalen en dossierstudie heeft verricht. Op basis hiervan is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat eiser weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker. Eiser heeft verder geen andere informatie verstrekt die leidt tot een andere conclusie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de verzekeringsarts deze conclusie inzichtelijk gemotiveerd en heeft de Raad het bestreden besluit hierop mogen baseren. Het betoog van eiser slaagt niet.
5. De grond van eiser ten aanzien van de gemaakte reiskosten valt buiten de omvang van dit geding, maar ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat eiser niet heeft aangetoond dat hij vóór het gesprek met de verzekeringsarts heeft doorgegeven dat hij in Polen woont en dat hij voor dit gesprek aanzienlijke reiskosten zou moeten maken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.