RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/3383 en 26/3889
en
(gemachtigde: mr. L. Kuipers-Kikkert).
1. Deze uitspraak gaat over de maandelijkse verrekening van inkomsten met de Participatiewet uitkering van eiseres. Bij beslissing op bezwaar is haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarnaast verricht eiseres werkzaamheden waarvoor zij inkomsten ontvangt. Haar inkomsten worden verrekend met haar uitkering.
Op 23 juni 2026 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie over de maand mei 2026.
Bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2026 is het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Het college heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en online de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Eiseres betoogt dat er onrechtmatige kortingen plaatsvinden op haar uitkering zonder voorafgaand schriftelijk besluit, dat haar uitkering door de stapeling van forfaitaire kortingen onder het wettelijke bestaansminimum zakt en dat er sprake is van een onrechtmatige structurele werkwijze rondom haar vier-wekenloon. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt onder meer naar de uitkeringsspecificatie van mei 2026. Zij is het niet eens met deze inhouding.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een belanghebbende kan bezwaar en beroep (rechtsmiddel) instellen tegen een besluit. Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt wat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Uit de uitkeringsspecificatie van mei 2026 blijkt dat er sprake is van een maandelijkse inhouding van 5% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm in verband met teveel ontvangen bijstand. Aan deze maandelijkse inhouding ligt een besluit van 4 maart 2026 ten grondslag. Eiseres heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar heeft haar bezwaar later ingetrokken. Tegen dit besluit staat geen rechtsmiddel meer open. Het besluit is daardoor onherroepelijk geworden en het college mag van de juistheid van dit besluit uitgaan. De inhouding op de uitkeringsspecificatie van mei 2026 betreft enkel de uitvoering van voormeld besluit en brengt geen nieuw rechtsgevolg met zich mee. De uitkeringsspecificatie van mei 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat eiseres met de maandelijkse inhouding onder de beslagvrije voet kwam, maakt dit niet anders. Op zitting heeft het college aangegeven te bekijken wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot de systematiek van de verrekening zodat eiseres maandelijks niet onder de beslagvrije voet zakt. Nu er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.