RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/274563-25
Datum uitspraak : 29 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [postcode] , in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. S. Grilk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Westervoort als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de IJsseldijk, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd en/of terwijl tegemoetkomend verkeer (bromfietser) reeds op korte afstand was genaderd,
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- op de weghelft bestemd voor tegengesteld verkeer is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde bromfietser,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Westervoort als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de IJsseldijk, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd en/of terwijl tegemoetkomend verkeer (bromfietser) reeds op korte afstand was genaderd,
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- op de weghelft bestemd voor tegengesteld verkeer is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde bromfietser,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Westervoort als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de IJsseldijk, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht
(3 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 21 februari 2025 omstreeks 06:33 uur vond een ongeval plaats op de IJsseldijk in Westervoort. Daarbij is een personenauto, bestuurd door verdachte, in botsing gekomen met een bromfiets, bestuurd door het slachtoffer [slachtoffer] . De bromfiets en de personenauto zijn frontaal op elkaar gebotst. De botsing heeft plaatsgevonden in de binnenbocht van de IJsseldijk, gezien vanuit de rijrichting van de bestuurder van de personenauto (verdachte). Daaruit volgt dat verdachte aan de linkerzijde van de rijbaan reed. Het zicht van verdachte werd niet belemmerd door hoogteverschil, vaste obstakels, de wegsituatie en/of de inrichting. Aan beide voertuigen zijn geen gebreken geconstateerd die van invloed kunnen zijn geweest op het ongeval. Ook is uit onderzoek gebleken dat de laatste minuut voor de aanrijding verdachte geen gebruik heeft gemaakt van zijn mobiele telefoon.
[slachtoffer] is op de dag van het ongeval geopereerd en op 13 augustus 2025 heeft hij telefonisch zijn letsel beschreven aan de politie. Hij heeft een dwarslaesie opgelopen en zal daardoor nooit meer lopen. De wond in zijn rechterbeen zat op dat moment nog niet dicht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW) waarbij de mate van schuld als aanmerkelijk dient te worden aangemerkt. Verdachte heeft de verkeersvoorschriften overtreden door niet zoveel mogelijk rechts te houden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich verenigd met het standpunt van de officier van justitie. Zij heeft vrijspraak verzocht voor het derde gedachtestreepje, nu dat een gevolg is van het handelen van verdachte en niet het handelen van verdachte zelf betreft.
Beoordeling door de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de bocht veel te krap heeft genomen, waardoor hij met zijn voertuig volledig op de linker weghelft van de IJsseldijk is komen te rijden. Hij heeft zogezegd de binnenbocht genomen. Door deze gedraging van verdachte is een aanrijding ontstaan tussen verdachte en bromfietser [slachtoffer] , die zich op zijn eigen weghelft bevond. [slachtoffer] heeft door de aanrijding ernstig letsel opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de bocht op deze manier te nemen terwijl [slachtoffer] daar reed en de weg voor verdachte dus niet vrij was, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. Het letsel van [slachtoffer] , bestaande uit onder meer een dwarslaesie, is naar gewoon spraakgebruik aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt. De rechtbank veroordeelt verdachte daarom voor het primair ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte niet partieel vrijspreken van het derde gedachtestreepje zoals door de raadsvrouw is verzocht, nu ook dit gedachtestreepje onderdeel uitmaakt van de gedragingen van verdachte.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Westervoort als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de IJsseldijk, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd en/of terwijl tegemoetkomend verkeer (bromfietser) reeds op korte afstand was genaderd,
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- op de weghelft bestemd voor tegengesteld verkeer is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde bromfietser,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht dat wanneer de rechtbank een rijontzegging oplegt, dat geheel voorwaardelijk te doen omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft door zijn rijgedrag een ongeval veroorzaakt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer enorm zijn. Naar het zich laat aanzien zal hij de rest van zijn leven aan een rolstoel gebonden zijn. Tijdens de zitting is duidelijk geworden hoeveel impact dit niet alleen voor het slachtoffer zelf, maar ook voor zijn gezin heeft.
Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt. Bij het veroorzaken van een verkeersongeval met een aanmerkelijke mate van schuld en lichamelijk letsel hoort als oriëntatiepunt 120 uur taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. De rechtbank heeft echter ook rekening te houden met overige omstandigheden. De rechtbank weegt bij de bepaling van de straf mee dat verdachte (inmiddels) werk heeft waarvoor hij zijn rijbewijs nodig heeft.
Alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf van 120 uren opleggen, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen. Daarnaast legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.