ECLI:NL:RBGEL:2026:7217

ECLI:NL:RBGEL:2026:7217

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer 26-005843
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Klaagschrift beslag (552a Sv). Beroep op 'goede trouw' ex artikel 3:86 BW. De rechtbank vindt dat klager wél voldoende onderzoek heeft gedaan naar het voertuig, maar níét voldoende onderzoek heeft gedaan naar de verkoper. Klager is dus niet 'te goeder trouw' en is niet de rechtmatige eigenaar van het voertuig. Het beklag is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

raadkamernummer : 26-005843

datum : 24 juni 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende aan de [adres 1] in ( [postcode 1] ) [woonplaats] ,

correspondentieadres: [adres 2] in ( [postcode 2] ) [plaats] (kantoor raadsvrouw),

raadsvrouw: mr. M. Burgers, advocaat in Arnhem,

hierna te noemen: klager.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat op 1 februari 2026 onder de zoon van klager, [betrokkene 1] , een personenauto, type [merk] , met Duits kenteken [kenteken] in beslag is genomen.

Procedure

Het klaagschrift is op 20 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De raadsvrouw heeft vervolgens op 29 mei 2026 een aanvulling op het klaagschrift ingediend.

Op 9 juni 2026 heeft de belanghebbende, [belanghebbende] , per e-mail enkele schriftelijke (Duitstalige) stukken ingediend en verzocht om teruggave van het voertuig.

De rechtbank heeft op 10 juni 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft klager, de raadsvrouw en de officier van justitie op zitting gehoord.

De belanghebbende, [belanghebbende] , is, zoals vooraf per e-mail aangekondigd, niet in raadkamer verschenen.

De rechtbank heeft als getuigen in raadkamer gehoord de heer [betrokkene 1] , zoon van klager, en de heer [betrokkene 2] , schoonzoon van klager.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp. Door klager is aangevoerd dat hij de redelijkerwijs rechthebbende op het voertuig is, aangezien hij deze middels een schriftelijke koopovereenkomst te goeder trouw heeft gekocht van een particulier in Duitsland. Klager heeft de identiteit van de verkoper, het chassisnummer, het VIN en de kilometerstand van het voertuig gecontroleerd en twee autosleutels ontvangen. Bij de koop heeft hij zich laten bijstaan door zijn schoonzoon en zijn zoon, waarvan de laatste ervaring heeft in de autobranche. Zijn zoon heeft rondom de koop de gegevens in de systemen van [merk] gecontroleerd. Klager heeft dus voldaan aan zijn onderzoeksplicht en mocht ervan uitgaan dat de auto rechtsgeldig in zijn bezit is gekomen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager. Klager heeft weliswaar in voldoende mate voldaan aan zijn onderzoeksplicht ten aanzien van het voertuig, maar niet ten aanzien van de verkoper. De auto stond op naam van de vader van de persoon met wie de koopovereenkomst is gesloten, maar de identiteit van de vader is onvoldoende vastgesteld. Bovendien is gedurende de koopprocedure met personen met ogenschijnlijk verschillende namen en nationaliteiten gecorrespondeerd, waardoor er alarmbellen hadden moeten gaan rinkelen bij klager. Klager is niet te kwader trouw, waardoor hij niet zal worden vervolgd voor heling, maar heeft zijn onderzoeksplicht niet voldoende uitgeoefend om juridisch als te goeder trouw te gelden. Het voertuig moet dan ook worden geretourneerd aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken eigenaar, in dit geval [belanghebbende] .

Beoordeling

Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten

van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Vervolgens rijst de vraag of de auto

aan klager dient te worden teruggeven. Hoofdregel is immers dat een voorwerp moet worden

teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. Dat is slechts anders indien

een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

In dit geval is beslagene de zoon van klager, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Hij had het voertuig fysiek in bezit toen de politie het in beslag nam. Zowel in zijn getuigenverklaring bij de politie als in zijn getuigenverklaring ter zitting heeft hij echter aangegeven dat de auto aan zijn vader – dus aan klager – toebehoort. De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat beslagene in ieder geval niet de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon is.

De vraag die resteert is of klager, dan wel [belanghebbende] als redelijkerwijs rechthebbende op het voertuig aan te merken is.

Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting door klager en de getuigen is verklaard, stelt de rechtbank het volgende vast, hetgeen overigens door geen van de partijen wordt weersproken.

Het betreffende voertuig, de [merk] , is sinds 14 november 2025 onderwerp van een leen-, dan wel een leaseovereenkomst tussen [belanghebbende] en een persoon genaamd [naam 1] . [belanghebbende] heeft op 21 januari 2026 de kredietovereenkomst met [naam 1] beëindigd omdat hij de verplichtingen inzake termijnbetalingen niet heeft voldaan. [belanghebbende] heeft het voertuig echter niet teruggekregen.

Klager heeft gereageerd op een advertentie op de Duitse website [website], een Duitse variant van Marktplaats. In de advertentie werd een personenauto, te weten een [merk] , aangeboden voor een bedrag van € 18.000,-. Klager heeft de hulp ingeroepen van zijn zoon, [betrokkene 1] , die bekend is in de autobranche en kennis heeft van waar men op moet letten bij de aankoop van een voertuig. De zoon van klager heeft via WhatsApp contact gelegd met de verkoper en afspraken gemaakt over de koop.

Op 17 januari 2026 is klager met zijn schoonzoon, [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), die beter Duits spreekt dan hij en dus makkelijker zou kunnen communiceren met de verkoper, naar Dresden gereden om het voertuig te kopen. Ter plekke heeft [betrokkene 2] gesproken met de verkoper. Die beschikte over de kentekenbewijzen en twee sleutels van de [merk] . Tevens is [betrokkene 1] gebeld om telefonisch bijstand te leveren bij de controle van de gegevens. [betrokkene 1] kon aan de hand van de gegevens van het voertuig in de digitale systemen van [merk] het Voertuig Identificatie Nummer (VIN) en het type auto controleren, en die kwamen overeen. In Duitsland bestaat geen landelijk systeem zoals dat van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) waar te controleren is of een voertuig als gestolen gesignaleerd staat. Na het controleren van de gegevens van het voertuig en het verifiëren van de identiteit van de verkoper is een handgeschreven schriftelijke koopovereenkomst opgesteld, die door klager en de verkoper is getekend. Klager heeft het voertuig vervolgens meegenomen naar Nederland.

Enige tijd na de koop kon [betrokkene 1] ineens niet meer bij de gegevens van het voertuig in de digitale systemen van [merk] . Dit was volgens hem ongeveer één dag vóór de dag van inbeslagname en nádat het voertuig was aangemeld bij de RDW. Op 1 februari 2026 heeft de RDW bij de politie gemeld dat het voertuig in het buitenland als ‘gestolen’ stond gesignaleerd en heeft de politie na enig onderzoek het voertuig in de autospuiterij van [betrokkene 1] aangetroffen. Het voertuig is toen in beslag genomen.

Klager stelt dat hij de rechtmatige eigenaar is geworden omdat hij de auto te goeder trouw heeft verkregen.

Voorop staat dat de beklagrechter niet treedt in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar bij de beantwoording van de vraag of een klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.

Artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek regelt de algemene vereisten voor overdracht van goederen. Om een rechtsovergang van het goed van de vervreemder naar de verkrijger te bewerkstelligen, moet volgens die bepaling sprake zijn van (i) een levering, (ii) die gebaseerd is op een geldige titel en (iii) die verricht is door iemand die bevoegd was over het goed te beschikken. Als er aan het onder iii genoemde vereiste van beschikkingsbevoegdheid niet is voldaan, bijvoorbeeld omdat het goed van diefstal afkomstig is, kan daarom in beginsel geen rechtsgeldige overdracht plaatsvinden. In beginsel, want artikel 3:86, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de overdracht van een goed door een beschikkingsonbevoegde vervreemder toch rechtsgeldig is, indien de overdracht (i) anders dan ‘om niet’ is geschied en (ii) de verkrijger te goeder trouw is. Deze bepaling biedt daarmee bescherming aan de verkrijger te goeder trouw, die niet op de hoogte is van de eerdere diefstal en in dat verband ook geen verwijt kan worden gemaakt. Deze uitzondering op artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor de verkrijger te goeder trouw kent vervolgens ook weer een eigen uitzondering, die is neergelegd in artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Die houdt in dat een eigenaar van de roerende zaak die zijn bezit heeft verloren door diefstal deze kan opeisen bij de verkrijger te goeder trouw binnen een termijn van drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal, tenzij er sprake is van zogenaamde consumentenkoop. Van consumentenkoop is sprake als de roerende zaak door een particulier is gekocht in – kort en simpel gezegd – een reguliere winkel of een regulier bedrijf. Als hieraan is voldaan, dan wordt de verkrijger te goeder trouw dus beschermd tegen revindicatie door de bestolen eigenaar.

Aan het vereiste van een levering onder geldige titel is in deze zaak voldaan. Tevens stelt de rechtbank vast dat de verkoper geen beschikkingsbevoegdheid had. In beginsel heeft er dus geen rechtsgeldige overdracht plaatsgevonden. Klager kan zich enkel beroepen op het eerste lid van artikel 3:86 van het Burgerlijk Wetboek indien de overdracht anders dan ‘om niet’ is geschied en hij te goeder trouw was. Dat de overdracht anders dan ‘om niet’ is geschied, staat voor de rechtbank eveneens vast. De resterende vraag is dus of klager te goeder trouw was. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens klager heeft hij aan zijn onderzoeksplicht voldaan ten aanzien van zowel het voertuig als de persoon die het voertuig aan hem verkocht. Door klager is in dit verband gerefereerd aan een eerdere uitspraak van deze rechtbank, waarin sprake was van een klager die niet te goeder trouw is bevonden omdat er bij de controle van het voertuig meerdere aspecten onvoldoende zijn geverifieerd, dan wel tot twijfel hadden moeten leiden. Klager stelt dat hij, anders dan in de aangehaalde uitspraak, alle relevante gegevens van het voertuig heeft gecontroleerd.

De rechtbank is, net als de officier van justitie, van oordeel dat klager ten aanzien van het voertuig voldoende onderzoek heeft verricht om als te goeder trouw te worden aangemerkt. Klager heeft zich bij de verkoop laten bijstaan door zijn Duitssprekende schoonzoon en zijn in de autobranche bekende zoon, om te zorgen dat alle noodzakelijke controles zouden plaatsvinden. Het kenteken op het voertuig kwam overeen met het kenteken op de autopapieren. Dat kenteken stond ook vermeld op de milieusticker die op het voertuig was bevestigd. Er zijn twee autosleutels aan klager overhandigd. [betrokkene 1] heeft vóór en tijdens de overdracht van het voertuig het chassisnummer ingevoerd in het digitale onderhoudssysteem van [merk] en toen de online kilometerstand vergeleken met het onderhoudskaartje onder de motorkap, welke gegevens ook overeenkwamen. Ook de onderhoudshistorie bleek te kloppen. Na de overdracht heeft [betrokkene 1] de digitale systemen van [merk] nogmaals gecontroleerd en ook toen kwamen de gegevens nog overeen. Wegens enkele gebreken aan het voertuig is uiteindelijk als verkooppprijs € 17.700,- overeengekomen, hetgeen niet enorm afwijkt van gebruikte voertuigen van deze categorie. Er is ter plekke een handgeschreven schriftelijke koopovereenkomst opgesteld die door beide partijen is ondertekend. In de koopovereenkomst is de actuele kilometerstand van het voertuig opgenomen, die ook door klager en [betrokkene 2] is gecontroleerd. Het chassisnummer op het kentekenbewijs – in Duitsland bestaat dit uit twee delen, die ook beide aan klager zijn overhandigd – bleek overeen te komen met het chassisnummer op de koopovereenkomst en kwam ook overeen met het chassisnummer in het voertuig, hetgeen door klager en [betrokkene 1] – middels beeldbellen – is gecontroleerd. Het VIN is ook gecontroleerd. Tot slot heeft [betrokkene 2] ter plekke foto’s van het voertuig genomen.

Alles tezamen maakt dit dat klager naar het oordeel van de rechtbank alle relevante gegevens van het voertuig heeft gecontroleerd en er bij die stand van zaken op mocht vertrouwen dat het voertuig in orde was. Dat [betrokkene 1] enige tijd ná de koop ineens niet meer in de digitale systemen van [merk] kon en het voertuig na de aanmelding bij de RDW de signalering ‘gestolen’ kreeg, kan niet aan klager worden tegengeworpen als een omstandigheid die hem bij de koop van het voertuig bekend had moeten zijn.

De rechtbank is echter van oordeel dat klager ten aanzien van de persoon van de verkoper onvoldoende onderzoek heeft verricht om als te goeder trouw te worden aangemerkt. Er zijn hier meerdere aspecten die bij klager tot twijfel of nader onderzoek hadden moeten leiden. Klager heeft gereageerd op een online advertentie van een particulier. Hij heeft verklaard geen kopie van de advertentie te hebben bewaard, dus kan niet worden vastgesteld welke naam of welk account aan de advertentie is gekoppeld. Daarmee is de persoon die het voertuig heeft aangeboden onbekend gebleven en niet meer te traceren. Gelet op het tijdsverloop is de advertentie ook niet meer online beschikbaar.

[betrokkene 1] heeft voorafgaand aan de koop via WhatsApp uitgebreid contact gehad met een account met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Op vrijdag 16 januari 2026 om 22:46 uur heeft [betrokkene 1] op een bericht van dit nummer gereageerd met “Ja”. WhatsApp toont bij directe reacties op een specifiek bericht het telefoonnummer en de bijbehorende naam van de afzender van dat bericht. In dit geval is de naam ‘ [naam 2] ’ aan het telefoonnummer gekoppeld. Voor [betrokkene 1] , en dus voor klager, zou dus voorafgaand aan de koop duidelijk geweest kunnen zijn dat de verkoper met wie zij correspondeerden over het voertuig [naam 2] heette. In het uitgebreide contact dat heeft plaatsgevonden, hebben [betrokkene 1] en ‘ [naam 2] ’ uiteindelijk afgesproken naar Dresden te rijden, een autorit van zeven uren vanuit klagers woonplaats.

Eenmaal in Dresden bleek echter dat zij te maken hadden met een man met de Ierse nationaliteit, genaamd [naam 3] . Dit blijkt uit het identiteitsbewijs van de verkoper, dat door klager en [betrokkene 2] is gefotografeerd ten tijde van de koop. Deze Ierse man verkocht het voertuig aan klager, maar het voertuig stond niet op zijn naam, maar dat van zijn vader, een man met de Spaansklinkende naam [naam 1] (dezelfde persoon als de persoon op de overeenkomst met [belanghebbende] , maar dit was toen niet bekend bij klager). De officier van justitie heeft in dit verband opgemerkt dat het in Spaanse families gebruikelijk is dat een kind de achternaam van zowel zijn vader als zijn moeder overneemt, dus dat het voor klager vreemd had moeten voorkomen dat [naam 3] de zoon zou zijn van [naam 1] . Ook het verschil in nationaliteit had een alarmbel moeten doen rinkelen, of in ieder geval aanleiding moeten geven tot nader onderzoek, met name ook omdat geen van beiden de naam ‘ [naam 2] ’ hadden dan wel gebruikten. Klager en [betrokkene 2] hebben de identiteit van [naam 3] gecontroleerd en op hun verzoek is ook middels beeldbellen contact gelegd met een persoon die aangaf diens vader, [naam 1] , te zijn. Volgens klager is ook de identiteit van die persoon gecontroleerd, maar hier is geen schriftelijk bewijs van. De vader zou een identiteitsbewijs aan zijn zoon (de verkoper) hebben gestuurd, maar klager en [betrokkene 2] hebben verzuimd hiervan een foto te maken. Voor de rechtbank is dus niet vast te stellen of dit daadwerkelijk is gebeurd. Daarmee is op voorhand niet vast te stellen en dus voorshands niet aannemelijk dat er contact is geweest met [naam 1] , maar is ook voorshands niet aannemelijk dat [naam 1] de verkoper en vader van [naam 3] is.

Op de papieren van [naam 1] zagen klager en [betrokkene 2] naar eigen zeggen de naam van een woonplaats, te weten Elsdorf. Dit blijkt een dorp ten westen van Keulen te zijn, dus op behoorlijke afstand van Dresden. Klager had zich hier af moeten vragen waarom de verkoop plaatsvond in Dresden, als het voertuig kennelijk op naam stond van iemand die in een plaats woonde die veel dichter bij Nederland ligt. Het verhaal van [naam 3] , dat er sprake was van een verhuizing die nog moest worden doorgevoerd in de officiële documenten, is geenszins gecontroleerd.

Op het Duitse kentekenbewijs dat vervolgens aan klager is overhandigd staat echter niet de naam ‘ [naam 1] ’ of ‘ [naam 3] ’, maar de naam ‘ [naam 2] ’. Deze naam kan dan weer worden gekoppeld aan de persoon achter het WhatsApp-gesprek, maar onduidelijk is waarom deze [naam 2] dan niet zelf de verkoop afhandelde. De woonplaats van deze [naam 2] blijkt Mannheim te zijn, wat wederom op een behoorlijke afstand van Dresden ligt en die ook maar liefst drie uur korter rijden vanaf [woonplaats] is.

Tot slot bevindt zich in het dossier een factuur van 24 december 2025 met daarop de naam ‘ [naam 4] ’ en een adres in Spanje. Klager, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] stellen niet bekend te zijn met dit document. Voor de rechtbank is niet onomstotelijk vast te stellen dat klager ten tijde van de koop bekend was met deze naam, maar het draagt wel bij aan de onduidelijkheid die bestaat over de werkelijke naam van de eigenaar en verkoper van het voertuig.

Bij al deze verschillende namen en woonplaatsen had bij klager twijfel moeten ontstaan over de betrouwbaarheid van de verkoper en de legitimiteit van de gehele transactie. Hoewel voorstelbaar is dat klager weinig zin had om onverrichter zake terug te keren vanuit Dresden (als gezegd een rit van maar liefst zeven uur), heeft hij naar het oordeel van de rechtbank hier te weinig kritische vragen gesteld en te snel aangenomen dat het allemaal wel in orde zou zijn.

De combinatie van het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat klager, anders dan door hem en zijn raadsvrouw is betoogd, onvoldoende heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. De tegenstrijdigheden met betrekking tot de persoon van de verkoper en de verschillende namen en adressen op de documenten hadden moeten leiden tot aanvullend onderzoek. Daarmee concludeert de rechtbank dat klager weliswaar is opgelicht, maar in juridische zin niet te goeder trouw was bij de koop van de auto. Hij kan zich in deze procedure dan ook niet beroepen op de uitzondering van artikel 3:86, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en er is dus geen sprake van een rechtsgeldige overdracht.

Het gevolg hiervan is dat klager niet kan worden aangemerkt als de redelijkerwijs aan te merken rechthebbende van het voertuig. Dit vormt een beletsel om het voertuig aan hem te retourneren.

Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot teruggave van het voertuig aan [belanghebbende] , nu deze als redelijkerwijs rechthebbende aan te merken is. Aangezien [belanghebbende] geen klaagschrift heeft ingediend, is er voor de rechtbank geen ruimte om hier verder een oordeel over te geven of teruggave te gelasten. Aangezien er (vermoedelijk) geen strafzaak zal volgen uit dit onderzoek, is het aan het Openbaar Ministerie om dit beslag verder af te handelen.

De rechtbank begrijpt dat deze beslissing voor klager een behoorlijke (financiële) klap zal zijn. Klager heeft aangegeven met zijn vrouw lang te hebben gespaard voor een auto en is met deze beslissing zowel een bedrag van bijna € 18.000,- als het voertuig kwijt, terwijl hij in zijn ogen te goeder trouw heeft gehandeld. Zoals opgemerkt door de officier van justitie is er absoluut geen sprake van dat klager hier te kwader trouw heeft gehandeld en is hij in wezen ook slachtoffer van oplichting door de verkoper. De rechtbank is niet ongevoelig voor de gevolgen van deze beslissing voor klager, maar hecht er waarde aan op te merken dat de juridische drempel voor ‘te goeder trouw handelen’ hoog is en anders is dan wat men in het dagelijks spraakgebruik als ‘te goeder trouw’ zou kenmerken. Klager heeft heel veel zaken goed gecontroleerd, met name ten aanzien van het voertuig, maar heeft ten aanzien van de identiteit van de verkoper te veel steken laten vallen. Voor klager zal dit een harde les zijn in de mogelijke gevolgen van het kopen van een voertuig van een voor hem onbekende particulier in het buitenland en deze situatie zal mogelijk zijn vertrouwen in zijn medemens beschadigen. De rechtbank kan op juridische gronden echter niet anders dan de beslissing nemen zoals hierboven toegelicht.

Het beklag van klager zal, gelet op het bovenstaande, ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. T.F.R. Litan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Y.H.M. Marijs

Griffier

  • mr. T.F.R. Litan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand