uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet
(gemachtigde: mr. G.M. Hissink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker is lid van de Commissie Omgevingskwaliteit [plaats]. Op 28 maart 2024 heeft het college verzoeker bericht dat het besluit van de raad van 26 oktober 2023 om hem te benoemen als burgerlid voor de eerste termijn voor de Commissie niet wordt geëffectueerd door een aanstellingsbesluit. Verzoeker is daardoor feitelijk geschorst op grond van artikel 5, vijfde lid, van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie, Commissie Omgevingskwaliteit [plaats].3. Op 5 november 2025 heeft verzoeker het college verzocht om zijn schorsing als lid van de Commissie Omgevingskwaliteit [plaats] met onmiddellijke ingang in te trekken. Op dit verzoek is nog niet beslist.4. Omdat besluitvorming op zijn verzoek van 5 november 2025 uitbleef heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit verder voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) ‘connexiteit’. Het formele connexiteitsvereiste houdt in dat er naast het verzoek om een voorlopige voorziening ook sprake zijn van een bezwaar- of beroepszaak.
6. Bij uitspraak van 16 januari 2026 heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen beroepsprocedure meer loopt. Daarom voldoet het verzoek om voorlopige voorziening niet meer aan het formele connexiteitsvereiste.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: