ECLI:NL:RBGEL:2026:7291

ECLI:NL:RBGEL:2026:7291

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 05/084007-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Vrijspraak voor medeplegen poging doodslag/poging zware mishandeling. Veroordeling voor een medeplegen van bedreiging met een vuurwapen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes, meermalen gepleegd. Geen geslaagd beroep op noodweer. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 365 dagen waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Toewijzing van de vordering benadeelde partij. Andere benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/084007-25

Datum uitspraak : 24 september 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. M.H.A. Dibbits, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen

opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool, in de richting van die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] , althans een persoon, op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] , althans die persoon, voorgenomen misdrijf om [aangever 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- telefonisch aan die [medeverdachte] , althans die persoon, door te geven dat hij, verdachte, een probleem had,

- telefonisch tegen die [medeverdachte] , althans die persoon, te zeggen "kom snel naar beneden", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,

- naar een doodlopende straat en/of een tunnel te lopen, terwijl die [aangever 1] en/of onbekend gebleven personen achter hem, verdachte, aanliep(en),

- ( aldaar) tegen die [aangever 1] en/of onbekend gebleven personen te roepen "kom dan, pak mij dan!", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en daarbij een uitnodigende handbeweging te maken en/of

- het (vuur)wapen en/of pistool van die [medeverdachte] , althans die persoon, aan te nemen en de trekker over te halen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, ter hand te nemen,

- voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen te richten en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen te schieten;

2hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem [aangever 2] en/of [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een uitnodigend handgebaar te maken in de richting van die [aangever 2] en/of [aangever 1] ,- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, ter hand te nemen,- voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op die [aangever 2] en/of [aangever 1] te richten en/of- met voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken;

2. De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank zal ambtshalve beoordelen of de dagvaarding die toeziet op het tenlastegelegde onder feit 1, zowel primair, subsidiair en meer subsidiair, voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Een dagvaarding moet een opgave van het tenlastegelegde feit inhouden en die opgave moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, zodat verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 partieel nietig moet worden verklaard, omdat de zinsnede ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’ niet nader is omschreven, waardoor onduidelijk is gebleven welke personen hiermee worden bedoeld, ook bezien tegen de achtergrond en inhoud van het dossier. Onder deze omschrijving kunnen immers zowel buurtbewoners als personen met wie de medeverdachte, [aangever 2] , een conflict in het winkelcentrum had, vallen. De rechtbank zal daarom het deel van de dagvaarding onder feit 1 dat ziet op de zinsnede ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’ nietig verklaren en de dagvaarding voor het overige in stand laten.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de twee feiten worden de feiten gezamenlijk in chronologische volgorde besproken.

Verdachte is op 28 januari 2025 in winkelcentrum Kronenburg in Arnhem in conflict geraakt met twee personen. Daarna voegden zich enkele personen bij de twee personen met wie verdachte een conflict had. Deze groep van inmiddels zeven (7) personen liep door het winkelcentrum achter verdachte aan. Verdachte pakte een mes en hield deze voor zijn lichaam. (feit 2). De groep bleef verdachte achtervolgen. Een persoon uit de groep sloeg met een riem richting verdachte. Verdachte verliet het winkelcentrum en de groep achtervolgde hem. Verdachte liep de wijk in en belde een vriend. Verdachte en medeverdachte hebben elkaar vervolgens getroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de medeverdachte met een vuurwapen op het slachtoffer zou schieten. Daarmee ontbreekt het opzet op het gronddelict. Het meer subsidiaire, de bedreiging, kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen worden.

De officier van justitie heeft eveneens gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle onder feit 1 tenlastegelegde varianten. Er is volgens de raadsvrouw geen sprake van opzet op het gronddelict, noch sprake van opzet op de deelneming daarvan. Subsidiair sluit de raadsvrouw zich aan bij de officier van justitie en stelt zij zich op het standpunt dat slechts gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadvrouw aangevoerd dat niet blijkt dat verdachte zwaaiende of stekende bewegingen met het mes heeft gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op de onderlinge samenhang tussen de twee feiten worden de feiten gezamenlijk in chronologische volgorde besproken.

Ten aanzien van feiten 1 en 2

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij in het winkelcentrum in Kronenburg was. Hij zag dat [aangever 1] (aangever [aangever 1] ) zich op een meter of 2 van de man met wie zij ruzie hadden bevond. [aangever 2] zag dat de man een mes pakte en in zijn handen hield.

[aangever 1] heeft verklaard dat hij samen met andere jongens achter een jongen aan liep door wie zij waren uitgescholden. De jongen liep op hem af, terwijl hij stekende/zwaaiende bewegingen maakte met een mes. Later stond [aangever 1] met (een deel van) de groep buiten het winkelcentrum. De jongen met het mes was er ook. Daarna kwam een ander persoon met een vuurwapen uit een flat. De persoon met het vuurwapen liep op hem af. Er werd toen 3 keer geschoten.

De politie heeft de camerabeelden beschreven die beschikbaar zijn gesteld door het winkelcentrum Kronenburg. NN1 wordt in de beschrijving aangeduid als verdachte.

Op het camerabeelden zagen verbalisanten dat NN1 door het winkelcentrum loopt en dat er enkele meters achter hem een groep zich in dezelfde richting bewoog. Zij zagen dat NN1 zich omdraaide naar de groep en met zijn linkerhand een gebaar maakte alsof hij wilde zeggen kom maar. Zij zagen dat NN1 vervolgens, nadat hij enkele meters de hoek omgerend was, zich omdraaide en ter hoogte van de aldaar gesitueerde Pearl achterwaarts begon te lopen. Zij zagen dat NN1 met beide handen naar zijn schoudertasje ging tijdens het omdraaien. Zij zagen dat één van de mannen uit de groep op NN1 kwam afgerend met een vaart, maar dat hij vervolgens op minder dan een meter afstand stopt en abrupt naar achteren springt. Kennelijk schrok deze persoon van iets. Hierna zagen zij dat de persoon afstand nam van NN1 en zagen wij dat NN1 vervolgens doorliep.

Verbalisanten beschrijven de camerabeelden van de parkeerplaats voor het winkelcentrum als volgt. Zij zagen dat de groep achter NN1 aanliep. In totaal zagen zij zeven personen achter NN1 aanlopen. Zij zagen dat NN1 zich omdraaide en zich wendde tot diverse personen die achter hem aanliepen. Zij zagen dat NN1 een beweging maakte met zijn rechterhand en zijn rechterarm uit leek te steken in de richting van de personen die achter hem aanliepen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden van het winkelcentrum. Hij verklaart dat hij zich heeft verweerd met een mes.

Ook heeft verdachte verklaard dat hij de jongens ook heeft uitgedaagd en dat het de bedoeling was dat de groep achter hem aan zou lopen. Hij dacht: “jullie willen mij pijn doen, dan ik jullie ook”.

Ten aanzien van feit 1

Daarnaast heeft de politie de camerabeelden uit de tuin van de bewoner van [adres] beschreven:

Omstreeks 17:27:56 uur komt er als eerste een persoon linksboven in beeld. Deze persoon draagt een lichte jas en een blauwe spijkerbroek en lijkt iets zilverkleurigs (wat zou kunnen duiden op een mes) in zijn rechterhand vast te houden. De persoon rent en verdwijnt vervolgens rechts uit beeld. Meteen hierop volgen 8 personen alle in het donker gekleed. Deze rennen ook allemaal achter elkaar en rennen dezelfde richting als de persoon met de lichte jas en verdwijnen alle rechts uit beeld omstreeks 17:28:12 uur (…) Omstreeks 17:28:49 uur is te zien dat 7 personen weer terug komen rennen en links uit beeld verdwijnen. (…) Omstreeks 17:29:02 uur komt er een jongen met de lichte jas rechts in beeld. Hij draagt een zwarte band schuin om zijn jas wat kan duiden op een tasje. Heeft een blanke huidskleur en donker haar. Te zien is dat hij meerdere armbewegingen maakt met zijn linkerhand en in de richting kijkt waar zojuist de 7 personen heen gerend zijn. Meteen daarachteraan komt een persoon met een donkere jas met capuchon op aangerend. Hij heeft iets donkerkleurigs vast in beide handen. Zijn beide armen wijzen gestrekt naar voren. Het voorwerp wat hij in zijn handen heeft, houdt hij in het verlengde naar voren, in de richting waar eerder de 7 personen waren heen gerend (…) Meteen hierop is te zien dat de vrouw in de tuin een soort schrikreactie vertoont en vervolgens naar binnen rent. Op de achtergrond is nog steeds de persoon te zien met het donkerkleurig voorwerp in zijn hand. Hij houd het voorwerp vervolgens met zijn rechterhand vast en te zien is hoe hij naar achteren loopt vervolgens omkeert en vervolgens uit beeld verdwijnt.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij twee stemmen hoorde in het hofje achter haar achtertuin. Deze stemmen waren elkaar aan het uitdagen. Zij hoorde hen namelijk zeggen: "kom dan'", "Kom mij pakken dan", "kom mij halen dan". Zij hoorde vervolgens iemand zeggen: "kom, we gaan die kant op!”. Zij zag vervolgens twee jongens versneld lopen. De jongen die een gladde jas droeg schreeuwde iets in de trant van: "kom dan! Pak mij dan, als je durft!" Vervolgens maakte hij een handgebaar dat zij herkende als een "kom maar" gebaar met zijn gehele arm. Zij zag vervolgens zijn rechterarm omhooggaan. Zij zag dat zijn rechterarm helemaal gestrekt naar voren was en een vuurwapen vast had. Vervolgens hoorde zij drie harde knallen en zag lichtflitsen vanaf het vuurwapen komen.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij een jongen zag met een zwart handwapen in zijn hand. Hij zag dat de jongen begon te schieten in de richting van de jongen die stenen aan het gooien was. Hij zag dat hij het wapen doorlaadde. Hij zag dat hij met een hand schoot. Hij hoorde hem 2 of 3 keer schieten in de richting van de jongen. Het viel hem op dat de schoten snel achter elkaar klonken.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als het medeplegen ofwel medeplichtigheid van een poging tot doodslag, dan wel het medeplegen van bedreiging, zoals onder feit 1 respectievelijk primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd.

Vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zelf met een vuurwapen heeft geschoten. Hoewel aangevers (weliswaar wisselend) hebben verklaard dat verdachte het wapen ook in handen heeft gehad, wordt dat niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Laat staan dat kan worden vastgesteld dat hij daarmee ook geschoten zou hebben.

Ten aanzien van het medeplegen dan wel de medeplichtigheid aan het schieten door medeverdachte overweegt de rechtbank dat evenmin kan worden vastgesteld dat bij verdachte de opzet heeft bestaan, al dan niet in voorwaardelijke zin, dat medeverdachte met een vuurwapen op of in de richting van personen zou gaan schieten. Het is niet vast komen te staan dat verdachte aan de medeverdachte (telefonisch) heeft gevraagd om niet alleen een (vuur)wapen mee te nemen, maar dan ook daadwerkelijk daarmee op of in de richting van personen te schieten, op een wijze dat daardoor dodelijk letsel zou kunnen ontstaan. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij de aanmerkelijke kans dat medeverdachte dit zou doen voor lief heeft genomen

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het meer subsidiair tenlastegelegde onder feit 1

Uit de voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de groep vanaf het winkelcentrum bleef lokken c.q. uitdagen om achter hem aan te lopen in de richting van de woning van de medeverdachte. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte in het winkelcentrum telefonisch contact had opgenomen met medeverdachte omdat hij hulp nodig had.

Op het moment dat de groep buiten het winkelcentrum de medeverdachte zag aankomen, renden zij terug in de richting van het winkelcentrum. Verdachte probeerde de groep vervolgens nog terug te roepen en bleef hen uitdagen. Direct daarna schoot de medeverdachte meerdere malen in de richting van [aangever 1] . Verdachte had vanaf het winkelcentrum tot het moment waarop de schoten werden gelost een mes bij zich, dat hij richtte op beide aangevers. Gelet op de gehele context van de gedragingen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het bedreigen van [aangever 1] met de dood en hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het tenlastegelegde onder feit 2

De rechtbank stelt vast dat verdachte, terwijl hij in een druk winkelcentrum was en een groep jongens hem volgde, met een mes heeft gezwaaid. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [aangever 1] en [aangever 2] onderdeel uitmaakten van deze groep. Verdachte heeft met het mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van de groep. Het gaat om een mes dat niet ingeklapt was en waarmee [aangever 1] is geraakt aan zijn vinger. Verdachte heeft erkend dat hij een mes in zijn handen had om zichzelf te beschermen.

De vraag is of de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd. De rechtbank is van oordeel dat dit onder de gegeven feiten en omstandigheden het geval is geweest. Immers, verdachte heeft een mes gepakt en is daarmee gaan zwaaien en stekende bewegingen gaan maken in de richting van [aangever 1] en [aangever 2] , personen met wie hij op dat moment een conflict had. De rechtbank concludeert, gelet op voornoemde omstandigheden, dat [aangever 1] en [aangever 2] met een mes zijn bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde.

4. De bewezenverklaring

1. Meer subsidiair

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, ter hand te nemen,

- voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op die [aangever 1] te richten en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] te schieten;

2.hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem [aangever 2] en/of [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een uitnodigend handgebaar te maken in de richting van die [aangever 2] en/of [aangever 1] ,- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, ter hand te nemen,- voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op die [aangever 2] en/of [aangever 1] te richten en/of- met voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 1

Het feit is strafbaar.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een succesvol beroep op noodweer toekomt. Verdachte was degene die achterna werd gezeten en hij werd aangevallen. Het enige dat hij kon doen was wegrennen en zichzelf beschermen. Verdachte heeft zichzelf pas verdedigd nadat hij al had geprobeerd een eind weg te rennen, dit uiteindelijk niet lukte en zijn aanvallers hem vervolgens op zeer korte afstand waren genaderd. Pas toen heeft hij een mes gepakt en zichzelf tegen de aanval verdedigd. Een andere handelswijze kon van hem niet verwacht worden. De raadsvrouw verzoekt daarom verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Volgens de officier van justitie heeft verdachte de groep zelf uitgedaagd.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Deze verdediging mag voorts de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake was van een noodweersituatie waartegen verdachte zich moest verdedigen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte zichzelf in een situatie heeft gebracht waarin hij zich, uiteindelijk, heeft verdedigd. Verdachte kreeg een conflict met twee jongens van de groep en is daarbij de confrontatie met hen niet uit de weg gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij de twee jongens heeft uitgedaagd. Op het moment dat de groep te groot werd, heeft verdachte een mes gepakt en hiermee zwaaiende en stekende bewegingen gemaakt richting de groep. Op basis van het dossier, waaronder de beelden, is niet aannemelijk geworden dat verdachte voordat hij het mes heeft gepakt is geslagen. Van een wederrechtelijke, ogenblikkelijke aanranding is daarom geen sprake geweest. Verdachte is daarna op een zodanig rustig tempo weggelopen van de groep dat de groep hem gemakkelijk kon volgen. Op de camerabeelden is voorts te zien dat verdachte, terwijl hij rustig wegloopt, de groep blijft uitdagen en handgebaren maakt dat de groep ‘naar hem moet komen’. Het was voor verdachte bovendien op meerdere momenten mogelijk om zich te onttrekken aan de situatie door bijvoorbeeld een winkel in te lopen. Nu verdachte zelf de confrontatie is aangegaan, de groep is blijven uitdagen/uitlokken en zich op geen enkel moment heeft onttrokken aan de situatie, komt verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toe.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer reeds daarom niet slaagt. Dit verweer wordt daarom verworpen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8. De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd, met een proeftijd van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om de feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen, conform het rapport van het NFI. Al met al wordt verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met daarbij een voorwaardelijke straf en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van twee personen in een druk winkelcentrum in een woonwijk in Arnhem. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een persoon waarbij door de medeverdachte tevens met een vuurwapen is geschoten. Dit handelen van verdachte heeft angst ingeboezemd bij de slachtoffers. Beide slachtoffers hebben lange tijd psychische gevolgen van dit incident ondervonden. Ook draagt dit bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De aanleiding van dit incident is niet volledig vast komen te staan. In ieder geval is gebleken dat verdachte uit was op een confrontatie en geweld niet schuwde. De rechtbank acht het zeer kwalijk en zorgelijk dat verdachte zich met de medeverdachte, schijnbaar uit het niets, in het openbaar dreigend uit en zeer gewelddadig optreedt tegen voor hem onbekende personen. Hoewel verdachte niet degene is geweest die met het vuurwapen heeft geschoten, is hij wel de aanstichter geweest van het conflict en heeft hij op geen enkel moment geprobeerd om dit conflict op een vreedzame manier op te lossen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk Daar komt bij dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en geen openheid van zaken heeft gegeven.

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Pro-Justitia rapportage

Er is over verdachte een Pro Justitia-rapportage daterend van 24 juni 2025 opgesteld. De psycholoog heeft bij verdachte een stoornis in cannabis- en alcoholgebruik vastgesteld. Hoewel er geen psychiatrische stoornissen worden vastgesteld in de gedragsmatige zin, zijn er wel duidelijke zorgen over zijn gebrekkige gewetensontwikkeling, vermijdingspatronen, affectregulatie en de sociaal-emotionele gevolgen van langdurig middelengebruik. Op het moment van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van bovengenoemde stoornissen. Deze stoornissen zijn vermoedelijk ontstaan tegen de achtergrond van een laag zelfbeeld dat zich ontwikkelde vanaf de late kindertijd. Ten tijde van het ten laste gelegde feit had verdachte, naar eigen zeggen, cannabis gebruikt maar geen alcohol. Het langdurige en problematische middelengebruik heeft aantoonbaar invloed gehad op zijn cognitief en gedragsmatig functioneren, met name op het gebied van impulsregulatie, oordeelvorming en het nemen van verantwoordelijkheid. Verdachte was zich bewust van de gevolgen van middelengebruik. Tegelijkertijd dient in overweging genomen te worden dat zijn middelengebruik ingebed is in een breder ontwikkelingspsychologisch patroon, waarin zelfbeeldproblematiek, beperkte coping-vaardigheden en affectieve instabiliteit een centrale rol spelen. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.

De psycholoog acht het van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn middelenproblematiek en de onderliggende zelfbeeldproblematiek om het recidiverisico te verminderen. Behandeling verdient een geïntegreerde aanpak met aandacht voor middelenbeheersing, emotieregulatie, versterking van zelfreflectie en het vergroten van zelfwaardering. Daarnaast is het essentieel dat betrokkene ondersteuning krijgt bij het aanleren van praktische vaardigheden gericht op het opbouwen van een gestructureerd dagelijks leven (zoals werk, dagbesteding en een stabiel inkomen). Gezien het matige recidiverisico en het feit dat een bijzondere voorwaarde op dit moment als een effectieve ‘stok achter de deur’ functioneert, wordt geadviseerd de bovengenoemde interventies ambulant in te zetten binnen het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport en neemt de conclusies uit het rapport over. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Reclasseringsadvies

De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 1 september 2026. In dat verslag is beschreven dat verdachte nu samen met zijn zus en broer in het huis van zijn moeder woont. Hij heeft betaald werk, ambulante begeleiding, volgt een behandeling en heeft toezicht. De reclassering schat het risico als gemiddeld in, maar de situatie is nog kwetsbaar vandaar dat een verdere behandeling en begeleiding nodig zijn. Verdachte vindt het zo nu en dan nog lastig om zich aan afspraken en regels te houden, laat dan een opstandig en ongemotiveerde gedrag zien, maar toch verlopen de huidige interventies over het algemeen goed. Zonder interventies ziet de reclassering een verhoging van het risico op recidive. Zij adviseert om de Elektronische Monitoring (EM) te laten vervallen omdat dit gezien het verloop van het huidige toezicht niet meer nodig is. De overige schorsingsvoorwaarden kunnen als bijzondere voorwaarden opgelegd worden in combinatie met een voorwaardelijke straf.

Strafoplegging

De rechtbank stelt voorop dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare

feiten met grote gevolgen voor de slachtoffers. Aan de andere kant ziet de rechtbank een kwetsbare verdachte, bij wie sprake is van persoonlijkheidsproblematiek en aan wie de feiten verminderd kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het onvoorwaardelijke deel zal niet hoger zijn dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Met het voorwaardelijk deel van de straf en de hieraan gekoppelde proeftijd en bijzondere voorwaarden brengt de rechtbank het belang van een goede behandeling en begeleiding van verdachte tot uitdrukking. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, conform de eis van de officier van justitie. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de reclassering in het voortgangsverslag heeft geadviseerd, met een proeftijd van 3 jaren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, zonder adequate behandeling, weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9. De beoordeling van de civiele vordering

Benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de ten laste gelegde feiten een schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd moet worden nu sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.

Overweging van de rechtbank

Smartengeld

Op basis van het dossier en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die valt binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek waarvoor geldt dat smartengeld kan worden toegekend. Door de bedreiging en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, is de benadeelde in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, de bedreiging met een mes en door het schieten met een vuurwapen de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde liggen zo voor de hand dat aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van het toe te kennen bedrag rekening met de aard en de ernst van het feit, de aard, ernst en duur van de gevolgen voor benadeelde en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarnaast bij het bepalen de hoogte van het smartengeld acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Gelet daarop zal de rechtbank het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 3.000,00.

Geen eigen schuld

De verdediging heeft gesteld dat de vordering moet worden gematigd, omdat sprake is van eigen schuld aan de zijde van benadeelde.

De rechtbank overweegt dat kan worden aangenomen dat benadeelde partij door in te gaan op de provocaties van verdachte en in een groep achter hem is aangegaan een fout heeft begaan die, in de zin van artikel 6:101, eerste lid BW, heeft bijgedragen aan de schade. Het verschil in ernst tussen die normschending en die van de bewezen gedragingen van verdachte is echter zo groot dat de vergoedingsplicht, gelet op de zogenaamde billijkheidscorrectie in het tweede deel van dat artikellid, geheel in stand blijft.

De rechtbank wijst om die reden het volledige bedrag toe van € 3.000,00.

Verdachte is vanaf 28 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan immateriële schade verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

Benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft (enkel) in verband met de bedreiging (feit 1) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat sprake is van eigen schuld.

Overweging van de rechtbank

Nu de bewezenverklaring van feit 1, mede gelet op de partiele nietigheid van de tenlastelegging, niet (mede) ziet op de bedreiging van benadeelde is geen sprake van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 361 tweede lid sub b is de vordering daarom niet-ontvankelijk.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart de dagvaarding van feit 1 partieel nietig met betrekking tot het onderdeel ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’;

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verdachte zich meldt bij de reclassering. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

 verdachte zich laat zich behandelen door Jan Arends te Arnhem of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

 verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de medeverdachte en slachtoffers heeft of zoekt, zolang de reclassering dit verbod nodig acht.

 verdachte zich gedurende zijn toezicht niet bevindt in het Winkelcentrum Kronenburg te Arnhem. Het Openbaar Ministerie en of reclassering kunnen dit locatieverbod (deels) laten vervallen.

 verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.

 verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

stelt als overige voorwaarden dat:

 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

 verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] een bedrag te betalen van € 3.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed en mr. E.C. van Geemen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.P.E.E. van Groeningen
  • mr. S.H.W. Martens

Griffier

  • mr. E.M. Breed en mr. E.C. van Geemen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand