ECLI:NL:RBGEL:2026:7294

ECLI:NL:RBGEL:2026:7294

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 05/190750-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot doodslag door met een vuurwapen driemaal in de richting van het slachtoffer te schieten. Daarnaast veroordeeld voor bezit van harddrugs. Geen geslaagd beroep op noodweer. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Toewijzing van de vordering benadeelde partij. Andere benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/190750-25

Datum uitspraak : 24 september 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

raadsman: mr. R.A.C. Frijns, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, ter hand te nemen,-voornoemd mes, althans voornoemd soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op die [aangever 2] en/of [aangever 1] te richten en/of- meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] en/of die onbekend gebleven personen te schieten;

2.hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1099,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 161,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. De geldigheid van de dagvaarding

De standpunten

De raadsman heeft partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit omdat ten aanzien van feit 1 onvoldoende concreet en specifiek is wat wordt bedoeld met ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’. Dit deel van de tenlastelegging is zodanig onduidelijk dat verdachte niet weet waartegen hij zich moet verdedigen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde voldoende concreet is geformuleerd en dat daarom de dagvaarding geldig is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) eisen zijn opgenomen waaraan een dagvaarding moet voldoen. Een dagvaarding moet een opgave van het tenlastegelegde feit inhouden en die opgave moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, zodat verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 partieel nietig moet worden verklaard, omdat de zinsnede ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’ niet nader is omschreven., waardoor onduidelijk is gebleven welke personen hiermee worden bedoeld. Onder deze omschrijving kunnen immers zowel buurtbewoners als personen met wie de medeverdachte, [medeverdachte] , een conflict in het winkelcentrum had, vallen. De rechtbank zal daarom het deel van de dagvaarding onder feit 1 dat ziet ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’, nietig verklaren en de dagvaarding voor het overige in stand laten.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 januari 2025 heeft verdachte in Arnhem met een vuurwapen in de richting van [aangever 1] geschoten. Aan het schieten door verdachte ging een conflict in het winkelcentrum in Arnhem vooraf tussen de medeverdachte en een groep van op dat moment zeven (7) personen. [aangever 1] maakte onderdeel uit van deze groep. Op het moment dat medeverdachte het winkelcentrum verliet, werd hij nog steeds achtervolgd door de groep. en. De medeverdachte heeft (telefonisch) contact gezocht met verdachte om hulp te vragen. Verdachte en medeverdachte komen elkaar op een gegeven moment tegen in de buurt van de woning verdachte. Hierna vond het schietincident plaats.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1, primair, en feit 2 gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om behoedzaam met de verklaringen van aangevers om te gaan en deze alleen te gebruiken als er steunbewijs is voor het te gebruiken onderdeel van de verklaring. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte weliswaar in de richting van [aangever 1] heeft geschoten, maar juist bewust niet op [aangever 1] . Hij heeft opzettelijke misgeschoten. Hij wilde hem alleen bedreigen. De raadsman heeft daarom vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde poging tot doodslag en de poging zware mishandeling omdat verdachte geen opzet had op de dood van [aangever 1] . Volgens de raadsman ontbreekt de aanmerkelijke kans op de dood en heeft verdachte deze kans ook niet bewust aanvaard. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om iemand te raken en dat hij daarom ook bewust hij naast [aangever 1] had geschoten op het gras.

Voor wat betreft het meer subsidiaire verzoekt de raadsman om het tweede en derde gedachtestreepje weg te strepen nu deze handelingen niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De raadsman heeft zich voor feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte bij het schieten in de richting van [aangever 1] (voorwaardelijk) opzet had op diens dood.

[aangever 1] heeft verklaard dat hij samen met andere jongens achter een jongen aan liepen door wie zij waren uitgescholden. Toen stond [aangever 1] met (een deel van) de groep bij een tunnel onder de flat. De jongen stond met het mes in de tunnel. Op dat moment kwam een ander persoon met een vuurwapen uit de flat bij de tunnel. De persoon met het vuurwapen liep op hem af. Er werd toen 3 keer geschoten.

Op de beelden uit de tuin van de woning op [adres] is volgens de beschrijving van de politie onder meer het volgende te zien.

“Omstreeks 17:28:49 uur is te zien dat 7 personen weer terug komen rennen en links uit beeld verdwijnen. Daarvan heeft de laatste persoon die rent een donkere T-shirt aan met een blauwe broek met witte verticale strepen en een donker voorwerp in zijn linkerhand. Omstreeks 17:28:40 uur komt er een vrouw uit een deur in de tuin lopen. Zij loopt vervolgens naar haar vijver en blijft daar even stil staan. Uit onderzoek bleek dit getuige Lotze te zijn (...) Omstreeks 17:29:02 uur komt er een jongen met de lichte jas rechts in beeld. Hij draagt een zwarte band schuin om zijn jas wat kan duiden op een tasje. Heeft een blanke huidskleur en donker haar. Te zien is dat hij meerdere armbewegingen maakt met zijn linkerhand en in de richting kijkt waar zojuist de 7 personen heen gerend zijn. Meteen daarachteraan komt een persoon met een donkere jas met capuchon op aangerend. Hij heeft iets donkerkleurigs vast in beide handen. Zijn beide armen wijzen gestrekt naar voren. Het voorwerp wat hij in zijn handen heeft, houdt hij in het verlengde naar voren, in de richting waar eerder de 7 personen waren heen gerend. Meteen hierop is te zien dat de vrouw in de tuin een soort schrikreactie vertoont en vervolgens naar binnen rent. Op de achtergrond is nog steeds de persoon te zien met het donkerkleurig voorwerp in zijn hand. Hij houdt het voorwerp vervolgens met zijn rechterhand vast en te zien is hoe hij naar achteren loopt vervolgens omkeert en vervolgens uit beeld verdwijnt om”

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij een groep van 6 of 7 jongeren zag. Hij zag dat een groot deel van de groep wegrende en dat er een jongen bleef staan en dat hij met stenen aan het gooien was in de richting van de berging onder zijn balkon. Tegelijkertijd zag hij de jongen met de capuchon vanuit de richting van de berging weer terugkomen. De jongen met een capuchon had een zwart handwapen in zijn hand. Hij zag dat die jongen begon te schieten in de richting van de jongens die met stenen aan het gooien waren. Hij zag dat hij het wapen doorlaadde. Hij zag dat hij het wapen in zijn linkerhand vasthield. Hij zag dat zijn rechterhand naar beneden ging. Hij zag dat hij met één hand schoot. Hij hoorde hem 2 of 3 keer schieten in de richting van de jongen. Het viel hem op dat de schoten snel achter elkaar klonken.

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het schieten zijn armen gestrekt naar voren had; de afstand tussen hem en de jongen was ongeveer 10 meter. Hij verklaart meerdere keren te hebben geschoten omdat de jongen na het eerste schot niet wegging.

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van vol opzet op de dood van [aangever 1] . Wel kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [aangever 1] .

Verdachte heeft in een chaotische situatie met een gestrekte arm in de richting van het slachtoffer geschoten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte aan komt rennen en driemaal, snel achter elkaar richting het slachtoffer schiet, dat zich op ongeveer 10 meter afstand van hem bevindt. Ten minste een deel van die schoten werd gelost terwijl verdachte het vuurwapen met een hand vast hield, zoals werd gezien door getuige [getuige] . Niet is gebleken dat verdachte de tijd heeft genomen om de situatie goed te overzien.

De rechtbank overweegt, met inachtneming van bovengenoemde omstandigheden, dat door het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op levensgevaarlijk letsel aanwezig was, ook in het geval dat verdachte (naar eigen zeggen) een geoefend schutter zou zijn (hetgeen niet vast is komen te staan). Door onder voornoemde omstandigheden op een afstand van ongeveer 10 meter meerdere malen in de richting van [aangever 1] te schieten met alle risico’s van dien, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans op zijn dood aanvaard.

In de geschetste situatie was er een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door een kogel was geraakt, bijvoorbeeld door het afketsen van een kogel op het nabijgelegen trottoir of een bouwwerk, door onverwachte bewegingen van het vuurwapen dan wel onverwachte bewegingen van het slachtoffer.

Op grond van voorgaande wordt voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [aangever 1] aangenomen. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat verdachte in vereniging met een ander handelde.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag zoals onder feit 1 primair tenlastegelegd.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 200-201.

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 216-241.

- de rapporten NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut, van 26 maart 2025, p. 245-256.

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 september 2026.

Niet is bewezen dat verdachte het tenlastegelegde in vereniging heeft gepleegd. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging spreekt de rechtbank verdachte vrij.

4. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen en/of pistool in de richting van die [aangever 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1099,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 161,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

poging tot doodslag;

feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van de feiten

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte en de medeverdachte werden bekogeld met stenen door de groep. Volgens verdachte zou iemand van de groep zelfs een mes bij zich hebben gehad. Daarmee was sprake van een onmiddellijk dreigende situatie. Gezien de hevigheid van de aanval, het feit dat de personen ook niet zomaar willen weggaan, weer terugkwamen en vanwege de aanwezigheid van wapens (riemen, een mes) kon niet gevergd worden van verdachte dat hij zich had moeten onttrekken aan die zeer dreigende situatie. De raadsman heeft bepleit dat de reactie van verdachte proportioneel is.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging waardoor verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer moet dan ook worden afgewezen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Deze verdediging mag voorts de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake was van een noodweersituatie waartegen verdachte zich moest verdedigen. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte een conflict had met de groep jongens en dat zij achter hem aan renden en met stenen gooiden. Naar aanleiding hiervan heeft medeverdachte verdachte gebeld waarna verdachte een vuurwapen heeft gehaald uit zijn slaapkamer, naar buiten is gegaan en richting de groep is gelopen. Kort daarna rent een groot deel van de groep weg van verdachte en medeverdachte. Alleen het slachtoffer was nog in de buurt. Verdachte schoot op dat moment driemaal richting het slachtoffer. Verdachte heeft hiermee bewust de confrontatie opgezocht, terwijl dit niet noodzakelijk was. Onder die omstandigheid kan niet worden gezegd dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen. Daarnaast had verdachte zich, samen met de medeverdachte, kunnen onttrekken aan de situatie, sterker nog, hij had zich niet opnieuw in de hoeven te begeven. Verdachte had zich immers al onttrokken aan de situatie door zijn woning in te gaan, maar heeft vervolgens een wapen gepakt en op eigen initiatief de confrontatie opgezocht door de woning weer te verlaten en de conflictsituatie op te zoeken.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet slaagt. Deze verweren worden verworpen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met het feit dat hij geen relevante justitiële documentatie heeft. Daarnaast is bij verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte ziet in dat hij hulp nodig heeft en is bereid om mee te werken aan alle voorwaarden die hem worden gesteld. De verdediging heeft om opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte verzocht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte heeft midden in een woonwijk in het centrum van Arnhem met een vuurwapen meerdere malen op het slachtoffer geschoten. Dit was voor het slachtoffer een zeer gevaarlijke en bedreigende situatie en had veel ernstiger kunnen aflopen. Verdachte heeft, nadat hij gebeld werd voor hulp bij een conflict direct een vuurwapen gepakt, kennelijk zonder daarbij na te denken over de gevolgen. Verdachte was op geen enkele wijze betrokken bij dit conflict en heeft gekozen voor het toepassen van disproportioneel vuurwapengeweld, waarbij hij het leven van het slachtoffer in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft hiermee niet alleen de gezondheid en veiligheid van het slachtoffer in gevaar gebracht, maar ook die van anderen die in de buurt aanwezig waren. Vuurwapengeweld in een woonwijk is een groot maatschappelijk probleem dat bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid en onrust.

Naast de poging tot doodslag heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en MDMA. Het is algemeen bekend dat harddrugs, zoals cocaïne en MDMA, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. Ook de productie en transport van deze middelen gaat gepaard met ernstige vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de rapportages van Reclassering Nederland van 31 oktober 2025 en 5 juni 2026. Hieruit komt naar voren dat verdachtes leven zich kenmerkt door een instabiele opvoedsituatie, het opgroeien binnen de jeugdzorg en een uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis. Daarnaast lijkt er de laatste jaren sprake van instabiliteit op het gebied van praktische zaken evenals op de overige leefgebieden. Er zou sprake zijn van schulden en verdachte zou geen bankrekening hebben. Daarnaast zou verdachte niet beschikken over een legaal inkomen en dagbesteding. Er zou vanaf zijn 12e levensjaar sprake zijn van dagelijks cannabisgebruik.

De reclassering schat het recidiverisico en risico op letsel als hoog in. De reclassering is van mening dat een behandeling noodzakelijk is om de risico's, vooral op het gebied van het psychosociaal functioneren, te kunnen verlagen. De reclassering schatten in dat het opleggen van meer bijzondere voorwaarden dan wat geadviseerd wordt averechts zal werkenbij verdachte. Daarom adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling en het meewerken aan de controle van het gebruik van alcohol/drugs zodat het middelengebruik beheerst kan worden.

Strafoplegging

De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een forse gevangenisstraf van wezenlijke duur. De rechtbank acht daarentegen de door de officier van justitie gevorderde straf bovenmatig. Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. De rechtbank heeft bij het opleggen van deze straf met name rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en de persoonlijkheidsproblematiek die bij hem speelt. Het is van belang voor zowel verdachte als de maatschappij, dat aan verdachte de juiste hulp en begeleiding geboden wordt. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen dan ook de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9. De beoordeling van de civiele vorderingen

Benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met de poging tot doodslag een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat het tenlastegelegde feit niet ziet op de benadeelde partij. Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank om rekening te houden met de eigen schuld van het slachtoffer.

Overweging van de rechtbank

Nu de bewezenverklaring van feit 1, mede gelet op de partiele nietigheid van de tenlastelegging, niet (mede) ziet op geweld richting benadeelde is geen sprake van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 361 tweede lid sub b is de vordering daarom niet-ontvankelijk.

Benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de poging tot doodslag een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd moet worden nu sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.

Overweging van de rechtbank

Smartengeld

Op basis van het dossier en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die valt binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek waarvoor geldt dat smartengeld kan worden toegekend. Door de poging tot doodslag en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, is de benadeelde op in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde liggen zo voor de hand dat aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van het toe te kennen bedrag rekening met de aard en de ernst van het feit, de aard, ernst en duur van de gevolgen voor benadeelde en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarnaast bij het bepalen de hoogte van het smartengeld acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Gelet daarop zal de rechtbank het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 3.000,00.

Geen eigen schuld

De verdediging heeft gesteld dat de vordering moet worden gematigd, omdat sprake is van eigen schuld aan de zijde van benadeelde.

De rechtbank overweegt dat kan worden aangenomen dat benadeelde partij door medeverdachte te achtervolgen en door naar hem en verdachte stenen te gooien een fout heeft begaan die, in de zin van artikel 6:101, eerste lid BW, heeft bijgedragen aan de schade. Het verschil in ernst tussen die normschending en die van de bewezen gedragingen van verdachte is echter zo groot dat de vergoedingsplicht, gelet op de zogenaamde billijkheidscorrectie in het tweede deel van dat artikellid, geheel in stand blijft.

De rechtbank wijst om die reden het volledige bedrag van € 3.000,00 toe.

Verdachte is vanaf 28 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan immateriële schade verschuldigd.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

10. De beoordeling van het beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen, te weten:

- € 4.740,00 ( Omschrijving: PL0600-2025042986-G3382012);

- Samsung Galaxy A04-e (Omschrijving: PL0600-2025043432)

- Samsung Galaxy 20 (Omschrijving: PL0600-2025043432).

De standpunten

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van het bedrag van € 4.740,00 gevorderd. Het geldbedrag heeft volgens de officier van justitie blijkens het dossier geen legale herkomst; het bedrag is uit misdrijf afkomstig. De telefoons mogen van de officier van justitie terug naar de rechthebbende.

De raadsman heeft verzocht het geld terug te geven aan verdachte. Volgens de raadsman is er geen verband tussen het inbeslaggenomen geld en het ten laste gelegde omdat met de aangetroffen drugs nog geen geld is verdiend.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en MDMA aanwezig heeft gehad in de periode van 26 tot en met 28 januari 2025. In de slaapkamer van verdachte werden ook diverse gripzakjes met restanten wit poeder aangetroffen. Bij deze spullen die gerelateerd waren aan het bezit van drugs lag het contante geldbedrag van € 4.740, -. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geld kreeg voor het bewaren van de drugs. Verder heeft verdachte geen enkele inkomstenbron en heeft hij geen verklaring gegeven over hoe hij aan dit geld is gekomen. Daarom concludeert de rechtbank dat het inbeslaggenomen geldbedrag is verkregen uit de baten van het bewezenverklaarde feit 2.

De rechtbank zal het inbeslaggenomen geld verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij voor zover mogelijk rekening gehouden met de gebleken draagkracht van verdachte.

De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van de overige beslag genomen voorwerpen, te weten:

- Samsung Galaxy A04-e (Omschrijving: PL0600-2025043432)

- Samsung Galaxy 20 (Omschrijving: PL0600-2025043432).

11. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 van de Opiumwet;

12. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart de dagvaarding van feit 1 partieel nietig met betrekking tot het onderdeel ‘en/of een of meerdere onbekend gebleven personen’;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verdachte zich meldt bij de reclassering. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

 verdachte zich laat behandelen door Transfore en/of JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

 verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

stelt als overige voorwaarden dat:

 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 wijst af het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis;

De beslissing ten aanzien van het beslag

 gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan verdachte:

o Samsung Galaxy A04-e (Omschrijving: PL0600-2025043432)

o Samsung Galaxy 20 (Omschrijving: PL0600-2025043432).

 verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten:

o €4.740,-

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

 verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag

op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] een bedrag te betalen van € 3.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed en mr. E.C. van Geemen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 september 2026.

Mr. T.P.E.E. van Groeningen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.P.E.E. van Groeningen
  • mr. S.H.W. Martens

Griffier

  • mr. E.M. Breed en mr. E.C. van Geemen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand