Ontvankelijkheidskwesties
ARN 25/5654 ( [eiser 5] )
10. De rechtbank overweegt ambtshalve dat [eiser 5] na het instellen van haar beroep is overleden. Op 15 juni 2026 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van wijlen [eiser 5] verzocht om een notariële verklaring van erfrecht mee te nemen naar de zitting, zodat de rechtbank zou kunnen beoordelen wie de erfgenamen zijn en wie bevoegd is om namens de erfgenamen op te treden. Alleen uit een verklaring van erfrecht blijkt onomstotelijk wie de erfgenamen zijn en wie eventueel bij testament is aangewezen de boedel bij uitsluiting te vertegenwoordigen.
Op grond van artikel 4:188, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek is een verklaring van erfrecht een notariële akte waarin een notaris vermeldt dat een of meer in de verklaring genoemde personen, al dan niet voor bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij de nalatenschap reeds hebben aanvaard.
De gemachtigde van wijlen [eiser 5] heeft, ter reactie op de brief van de rechtbank van 15 juni 2026, dezelfde dag gereageerd. Hij heeft in dit schrijven gesteld dat een verklaring van erfrecht nog steeds niet is verstrekt aan de volgens hem enige erfgename van wijlen [eiser 5] , haar kleindochter, en dat mogelijk Zwitsers erfrecht een rol speelt.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van wijlen [eiser 5] niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank om een originele verklaring van erfrecht te over te leggen. De eigen verklaring van deze gemachtigde volstaat hiervoor niet. Nu voor de rechtbank niet is gebleken dat de rechtverkrijgenden van wijlen [eiser 5] de beroepsprocedure willen voortzetten, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
ARN 25/5682 (Raad, College en gemeente West-Betuwe)
11. Artikel 1.4 van de Chw luidt: ‘In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.’
De gemeenteraad van de gemeente West-Betuwe, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West-Betuwe en de (publiekrechtelijke rechtspersoon) gemeente West-Betuwe (de gemeente) betogen dat de volledige uitsluiting van hun toegang tot de bestuursrechter zoals neergelegd in artikel 1.4 van de Chw zich niet verdraagt met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus en de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie daaraan in haar uitspraak van 14 januari 2021 heeft gegeven en dat artikel 1.4 van de Chw daarom buiten toepassing moet worden gelaten. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen zij naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 mei 2022.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 augustus 2026 heeft geoordeeld over het hoger beroep dat was ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 25 mei 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte artikel 1.4 van de Chw buiten toepassing heeft gelaten en daarom ten onrechte de beroepen van het bestuursorgaan inhoudelijk heeft beoordeeld. De Afdeling heeft overwogen dat het volledig uitsluiten van de toegang van, in dat geval het college, tot de bestuursrechter niet in strijd is met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus en ook niet uit het unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming volgt dat toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiend uit Europees recht uitsluitend plaats moet vinden bij de bestuursrechter. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de rechtspraak van de Afdeling over toepassing van artikel 6:13 van de Awb in relatie tot het verdrag van Aarhus niet geldt voor toepassing van artikel 1.4 van de Chw.
Gelet op voorgaande uitspraak van de Afdeling en het feit dat in die uitspraak de door de gemeente in deze procedure gegeven argumenten zijn besproken en verworpen, verklaart de rechtbank het beroep van de gemeente tegen de omgevingsvergunning niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 1.4 van de Chw kan de gemeente namelijk geen beroep bij de bestuursrechter instellen tegen de omgevingsvergunning.
ARN 25/5666 (beroep [eiser 7] en anderen)
12. Wat betreft het beroep van [eiser 7] en anderen merkt de rechtbank op dat [eiser 7] stelt dat dit beroep mede is ingesteld door anderen, te weten De Gelderse Onderzoeksgroep en een aantal mensen dat zwemt in de Zandpunt in de buurt van Herwijnen. Niet is gebleken dat de Gelderse Onderzoeksgroep een rechtspersoon is, zoals een vereniging of stichting. Het is een groep natuurlijke personen. Van die groep mensen is tijdens de beroepstermijn niet vast komen te staan wie die personen zijn. Wat betreft de gestelde groep zwemmers merkt de rechtbank op dat [eiser 7] ter zitting een aantal machtigingen heeft overlegd waaruit blijkt dat hij is gemachtigd om het woord te voeren tijdens de zitting bij de rechtbank op 18 juni 2026 en hem is gemachtigd om aangifte te doen van de vervuiling van de zwemputlocatie in Herwijnen. Verder heeft [eiser 7] ter zitting een schrijven ingebracht waarop een aantal namen is weergegeven van mensen waarvan [eiser 7] aangeeft dat deze mensen regelmatig zwemmen in de zwemputlocatie. De rechtbank stelt vast dat ook van de groep zwemmers tijdens de beroepstermijn niet is vast komen te staan wie die personen zijn. De ingebrachte machtigingen en de lijst van namen zijn namelijk ingebracht na het sluiten van de beroepstermijn.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 20 juli 2005 kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn namelijk nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe om het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door De Gelderse Onderzoeksgroep en een groep zwemmers, is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door [eiser 7] zal inhoudelijk worden beoordeeld.
Totstandkomingsprocedure
13. Zoals onder 3.1 overwogen hebben de minister en staatssecretaris van Defensie en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening besloten om zelf een bestemmingsplan te maken – een rijksinpassingsplan geheten – en vanwege de urgentie die volgens Defensie is gemoeid met het nieuwe radarstation is ook gelijktijdig de benodigde omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen en in werking hebben van het radarstation aangevraagd en vervolgens verleend door de minister. Zoals onder 3.3 overwogen heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de totstandkomingsprocedure een gebrek had. Dit gebrek is gerepareerd door de doorzending van de beroepen van de eisende partijen naar deze rechtbank.
Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover van belang, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning indien de aanvraag gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Dit betekent dat de zogenoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is op onderhavige omgevingsvergunning (de zogeheten uov-procedure). De rechtbank stelt voorop dat alles wat er reeds voorafgaand aan deze wettelijke procedure heeft plaatsgevonden geen gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning. Daarom zal de rechtbank niet ingaan op de stellingen van verschillende eisende partijen waarin onder meer is gesteld dat Defensie een strategie heeft gehanteerd die alleen is gericht op vergunningverlening, dat Defensie niet transparant is geweest dan wel verkeerde informatie heeft gegeven in de beantwoording van Kamervragen en Defensie een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten om aanpassingen aan de woning van [eisers 10] te verrichten.
Van 5 april 2024 tot en met 16 mei 2024 hebben de aanvraag en een ontwerp van de omgevingsvergunning ter inzage gelegen. Op grond van artikel 3:12, vijfde lid, van de Wabo is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen over het ontwerp naar voren te brengen. In totaal zijn 230 zienswijzen ingediend op de ontwerp-omgevingsvergunning. De eisende partijen in deze procedure hebben ook ieder zienswijzen ingediend. De beantwoording van de zienswijzen is neergelegd in de Nota van Beantwoording (zienswijzennota) en deze zienswijzennota maakt integraal onderdeel van de omgevingsvergunning.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning centraal staat. De rechtbank zal daarom alleen de beroepsgronden van eisers die zien op de totstandkomingsprocedure van de omgevingsvergunning behandelen en zal zich niet uitlaten over de beroepsgronden van eisers die zien op de totstandkoming van het rijksinpassingsplan.
De verschillende eisende partijen hebben betoogd dat de totstandkomingsprocedure van de omgevingsvergunning gebrekkig is verlopen en dat de ingediende zienswijzen niet, niet volledig of onjuist zijn beantwoord.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij ervoor heeft gekozen om de zienswijzen samengevat weer te geven in de zienswijzennota en vervolgens op de zienswijzen heeft gereageerd door een verwijzing naar de thematische hoofdstukken en/of een individuele reactie. Op die manier zijn alle bezwaren en argumenten in de besluitvorming betrokken, aldus de minister.
Zijn de zienswijzen gebrekkig of niet beantwoord?
14. De verschillende eisende partijen betogen samengevat dat de totstandkomingsprocedure van de omgevingsvergunning gebrekkig en verkeerd is doorlopen. Zij stellen onder meer dat zij zich niet gehoord voelen en niet gehoord zijn over de door haar ingediende zienswijzen. Verder stellen zij dat in de zienswijzennota niet alle punten zijn meegenomen en dat sommige antwoorden een verwijzing naar een paragraaf bevatten waarin de vraag niet inhoudelijk, onjuist of zonder de juiste nuance wordt beantwoord.
De rechtbank stelt voorop dat de uov-procedure niet de verplichting voor het bevoegde gezag kent om degenen die zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht, voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit te horen.
Voor zover de eisende partijen stellen dat hun zienswijzen niet, onvolledig dan wel niet zijn beantwoord, merkt de rechtbank het volgende op. Op grond van artikel 3:46 van de Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Op grond van artikel 3:46 Awb moet het bestuursorgaan daarom in de motivering van het bestreden besluit ingaan op de zienswijzen die naar voren zijn gebracht. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat het bestuursorgaan de zienswijzen samengevat mag weergeven en verplicht dit artikel niet dat op ieder argument in een zienswijze apart en expliciet wordt ingegaan.
De rechtbank stelt vast dat de zienswijze van [eisers 9] onder nummer 202404074 niet is opgenomen in de zienswijzennota. Dit is als zodanig ook bevestigd door een medewerker van het Rijksvastgoedbedrijf per mail van 2 april 2025. In deze mail heeft de betreffende medewerker toegelicht dat er op 8 mei 2024 vier zienswijzen zijn ontvangen die gelijkluidend zijn, waaronder die van [eisers 9] . Ook heeft de medewerker in de betreffende mail opgenomen dat de andere drie zienswijzen, die dus inhoudelijk gelijk zijn aan de zienswijze van [eisers 9] , met eenzelfde motivering zijn beantwoord, zodat die motivering daarom ook van toepassing is op de zienswijze van [eisers 9] . Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eisers veronderstellen, wel een reactie gegeven op de inhoud van de zienswijze van de [eisers 9] en zijn hun belangen wel degelijk meegenomen in de besluitvorming. Voor zover [eisers 9] stellen dat in de zienswijzennota niets is opgemerkt over ICD’s merkt de rechtbank op dat in de memo ‘Publieksvriendelijke uitleg’ van het TNO, die als bijlage bij de zienswijzennota is gevoegd, in wordt gegaan op de effecten van het radarstation op elektronische apparatuur zoals ICD’s.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de zienswijzennota de benoemde punten uit de zienswijzen van de eisende partijen, met uitzondering van de zienswijze van [eisers 9] , heeft beantwoord door ofwel te verwijzen naar thematische hoofdstukken ofwel naar een individuele reactie. Hun stellingen dat in dit geval de beantwoording van hun zienswijzen algemeen is en er voor een buitenstaander een juist antwoord lijkt te zijn gegeven, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de omgevingsvergunning onvoldoende is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Toetsingskader
De vergunde activiteiten
15. In de omgevingsvergunning zijn, met het oog op de voorgenomen realisatie en de ingebruikname van het radarstation op het perceel, twee zogenoemde activiteiten vergund die van elkaar moeten worden onderscheiden. Enerzijds is een toestemming aangevraagd en verleend voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Anderzijds is er een toestemming aangevraagd en verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 1 en 3, van de Wabo.
De rechtbank overweegt nogmaals dat in deze procedure alleen de omgevingsvergunning wordt getoetst die is verleend door de minister en dan in het bijzonder de hierboven genoemde activiteiten. De vraag of het plaatsen en gebruiken van het radarstation op deze locatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening kan in deze procedure daarom niet aan de orde komen. De omgevingsvergunning is namelijk niet in strijd met het rijksinpassingsplan. In de procedure tegen het rijksinpassingsplan is deze vraag aan de orde geweest.
De rechtbank stelt vast dat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd die betrekking hebben op de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’. Eisers hebben alleen beroepsgronden aangevoerd die betrekking hebben op de activiteit ‘het oprichten en in werking hebben van een inrichting’.
Het eerste lid van artikel 2.14 van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. Het bevat gronden die in ieder geval bij de beslissing moeten worden betrokken, gronden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden en gronden die in ieder geval in acht moeten worden genomen. In het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Dit betekent dat de minister een zekere beoordelingsruimte heeft bij de afweging of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen geeft het hiervoor weergegeven toetsingskader aan het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning (voor milieu) uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moet nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg staat dat de omgevingsvergunning wordt verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag bij een weigering is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen in dit verband een rol spelen. Ook voor belangen die zijn gerelateerd aan gezondheid betekent dit dat op grond van algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet vast staan dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd zodanige risico’s oplevert, dat om die reden nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden dan wel dat de omgevingsvergunning om die reden moet worden geweigerd.
Defensie heeft bij haar aanvraag een document gevoegd waarin zij een zogenoemde ICNIRP-contour heeft bepaald. Met dit document heeft Defensie een contour willen schetsen waarbuiten verondersteld mag worden dat het toegankelijk is voor derden en waarbinnen niet gegarandeerd voldaan kan worden aan de stralingsrichtlijn van de International Commission On Non-Ionizing Radation Protection (ICNIRP). Dit betreft daarmee een denkbeeldige omlijning om het radarstation waarbij de gebieden buiten deze contour voor het algemeen publiek toegankelijk zijn en binnen deze contour niet. Deze ICNIRP-contour wordt achtereenvolgens gevormd door:
Een halve bol met een straal van 1200 meter waarvan het centrum in het hart van de radar op 24 meter boven het maaiveld is gelegen;
De onderkant van deze bol wordt gevormd door een vlak waarbij de hoogte (h) als functie is beschreven: h = ((Variabelen h en a in meters)
Deze halve bol sluit aan de onderzijde aan op een cilinder met een straal van 300 meter rond het centrum van het radarstation welke aan de onderzijde doorloopt tot 6 meter boven het maaiveld
Tot een afstand van 35 meter rond het centrum van het radarstation loopt bovengenoemde cilinder door tot 4 meter boven het maaiveld.
De bovengenoemde ICNIRP-contour is visueel op onderstaande afbeeldingen zichtbaar gemaakt:
De eisende partijen hebben een groot aantal beroepsgronden en argumenten aangevoerd waarom volgens hen de plaatsing en inwerkingtreding van het radarstation onevenredige risico’s oplevert voor de gezondheid van mensen en dieren als gevolg van straling. Alvorens de rechtbank op deze beroepsgronden zal ingaan, zal zij eerst de beroepsgrond van [eisers 6] bespreken waarin zij aanvoeren dat het radarstation voor geluidsoverlast zal zorgen.
Geluid
16. [eisers 6] betogen dat het radarstation voor geluidsoverlast zal zorgen. Hierbij verwijzen zij naar de ervaringen bij het bestaande radarstation in Wier, waar het radarstation in de nachtelijke uren stilgezet moet worden. Ook vinden zij onjuist dat voor de geluidsnormen gebruik is gemaakt van de Handreiking industrielawaai (de handreiking), omdat het radarstation in een landelijk gebied komt te staan en het radarstation een zendinstallatie is, geen industriële installatie.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het radarstation in Wier in de nachtperiode moest worden stilgezet vanwege overschrijdingen van de geluidsnormen in de nachtperiode. Van die overschrijding is volgens de minister sinds aanpassingen van dat radarstation in 2023 geen sprake meer. Dat is door [eisers 6] niet bestreden. In zoverre ontbeert het betoog feitelijke grondslag.
Wat betreft de handreiking is de rechtbank van oordeel dat de minister die handreiking als toetsingskader heeft kunnen gebruiken. Anders dan [eisers 6] veronderstellen, is niet de locatie van het radarstation - in het buitengebied van de gemeente West Betuwe – bepalend voor de toepasselijkheid van de handreiking, maar het type geluid dat wordt veroorzaakt. De handreiking is opgesteld als hulpmiddel bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai. Het gaat dus om de beoordeling van industriegeluid, wat niet altijd afkomstig hoeft te zijn van een industrieterrein. Dat het radarstation niet op een industrieterrein wordt gebouwd, betekent daarom niet dat de handreiking niet kan worden toegepast. Wel maakt de plek van het radarstation verschil voor de richtwaarden die van toepassing zijn. In landelijk gebied zijn die waarden lager. De minister heeft de omgevingsvergunning ook getoetst aan die lagere richtwaarden en deze richtwaarden als voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning. Verder merkt de rechtbank op dat het radarstation weliswaar een zendinstallatie is, maar het radarstation daarnaast ook een mechanisch geluid veroorzaakt door het draaien van de radar. Niet valt in te zien waarom de minister specifiek voor dit geluid, dat zich naar zijn aard niet onderscheidt van vergelijkbaar industrieel geluid, niet konden uitgaan van de handreiking.
Voor de omgevingsvergunning (en het inpassingsplan) is een geluidsonderzoek gedaan. Dat is opgenomen in het rapport ‘Radarpost-Zuid, Herwijnen’ van 21 juni 2023, opgesteld door het adviesbureau De Haan . Daarin wordt kort samengevat geconcludeerd dat bij de dichtstbijzijnde woning – die niet de woning van [eisers 6] is – aan de richtwaarden van de handreiking kan worden voldaan. [eisers 6] hebben niet onderbouwd in welk opzicht het geluidsonderzoek gebrekkig zou zijn. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan deze conclusie te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Straling
17. De rechtbank zal in de volgende overwegingen beoordelen of de minister heeft kunnen besluiten dat de aanvraag niet geweigerd hoefde te worden in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder mede wordt verstaan, gezondheidsrisico’s. De beroepsgronden en argumenten van de eisende partijen heeft de rechtbank onderverdeeld in de volgende rechtsvragen:
Heeft de minister aansluiting kunnen zoeken bij de ICNIRP-richtlijnen van de International Commission On Non-Ionizing Radation Protection?;
Zijn de mogelijke risico’s op gezondheidsschade voor mensen als gevolg door straling van het radarstation afdoende onderzocht door de minister en zijn de gestelde voorschriften in de omgevingsvergunning voldoende om stralingsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken?
Zijn de mogelijke risico’s op schade voor flora en fauna als gevolg door straling van het radarstation afdoende onderzocht door de minister?
Relativiteitsvereiste
18. De rechtbank stelt vast, op basis van de brief die zij hebben gestuurd, dat [eisers 10] niet langer wonen op het [adres 1] in [plaats ] . [eisers 10] wonen nu op een afstand van ongeveer 70 kilometer van de projectlocatie. Verder stelt de rechtbank vast, op basis van de brief van [eiser 4] , dat hij niet langer woont op het [adres 2] in [plaats ] . [eiser 4] is verhuisd naar het adres [adres 3] in [plaats ] en woont daarmee nu op een afstand van ongeveer 15 kilometer van de projectlocatie. De rechtbank ziet hierin aanleiding om eerst te bezien of de norm van bescherming van het milieu, voor zover deze ziet op het voorkomen van onevenredige (milieu) gevolgen op hun woon- en leefklimaat, strekt tot bescherming van de belangen van [eisers 10] en [eiser 4] .
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
De in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, ten 1°, van de Wabo opgenomen rechtsregel dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten van een inrichting strekt ter bescherming van het milieu en bevat daarmee een milieunorm.
[eisers 10] wonen nu op ongeveer 70 km en [eiser 4] op ongeveer 15 km afstand van de projectlocatie, waardoor de norm ‘bescherming van het milieu’ kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belang voor zover zij zich beroepen op het voorkomen van onevenredige (milieu) gevolgen op hun woon- en leefklimaat in directe omgeving vanwege hun woning vanwege straling. Gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb kan wat [eisers 10] en [eiser 4] hebben aangevoerd over straling niet leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond voor zover die is aangevoerd door [eisers 10] en [eiser 4] .
Heeft de minister aansluiting kunnen zoeken bij de richtlijn(en) van de ICNIRP?
19. De eisende partijen Stichting e.a., [eiser 3] , [eisers 6] en [eisers 9] betogen dat de minister niet (zonder meer) aansluiting heeft kunnen zoeken bij de richtlijnen van de ICNIRP. Zij stellen onder meer dat er veel (wetenschappelijke) kritiek bestaat op de richtlijnen van de ICNIRP, omdat die richtlijnen vooral kijken naar thermische effecten, maar onvoldoende oog hebben voor andere schadelijke effecten van straling. Zo blijkt volgens hen dat uit verschillende studies is gebleken dat er in de ICNIRP-richtlijnen geen rekening is gehouden met storingen van medische apparaten zoals defibrilators. Verder stellen zij ook dat de richtlijnen van de ICNIRP niet door onafhankelijk onderzoek zijn beoordeeld en sprake is van belangenverstrengeling binnen de ICNIRP. Ter onderbouwing van dit laatste standpunt wordt verwezen naar een onderzoek van Europarlementariërs van juni 2020.
De minister voert hierover aan dat wel aansluiting kon worden gezocht bij de richtlijn(en) van de ICNIRP. De minister stelt dat in de ICNIRP-richtlijnen zeer restrictieve referentiewaarden worden gehanteerd die zijn gebaseerd op een grote hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek. Daarbij merkt de minister op dat de referentiewaarden die in de richtlijnen zijn opgenomen regelmatig worden getoetst. Verder stelt de minister dat de Wereldgezondheidsorganisatie, de Raad voor de Europese Unie en de Gezondheidsraad adviseren om de ICNIRP-richtlijn te gebruiken. Ter zitting heeft de deskundige van het TNO uiteengezet dat in de ICNIRP-richtlijn meer dan alleen naar thermische effecten is gekeken. Ook de niet-thermische effecten zijn volgens hem onderzocht in de ICNIRP-richtlijnen.
In de omgevingsvergunning heeft de minister toegelicht dat voor de toets aan de stralingsveiligheid de ICNIRP-richtlijnen van 1998 en 2020 zijn gehanteerd. Daarbij is toegelicht dat het uitgangspunt is dat op plaatsen buiten de inrichting die toegankelijk zijn voor derden, de elektromagnetische velden die door de in de inrichting aanwezige SMART-L radar gezamenlijk worden opgewekt, niet hoger mogen zijn dan de in de ICNIRP-richtlijnen vastgestelde basisrestricties en referentieniveaus.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de minister in het kader van de stralingsveiligheid, aansluiting heeft mogen zoeken bij de richtlijnen van de ICNIRP.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten om aan te sluiten bij de waardes uit de richtlijnen van de ICNIRP. Uit hetgeen de eisende partijen hebben aangevoerd blijkt dat er wetenschappelijke kritiek bestaat op de ICNIRP-blootstellingslimieten. De rechtbank ziet hierin echter geen grond voor het oordeel dat dat deze kritiek en zorgen ertoe leiden dat de blootstellingslimieten van de ICNIRP ondeugdelijk zijn en onvoldoende bescherming bieden. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de overgelegde stukken weliswaar blijkt dat er kritiek is op de ICNIRP-richtlijnen, maar deze kritiek is niet zo breed gedragen dat er wetenschappelijke consensus bestaat over de wetenschappelijke ondeugdelijkheid van de beoordelingslimieten van de ICNIRP. Daarbij adviseert onder andere de Gezondheidsraad ook om deze beoordelingslimieten te hanteren. Dat andere landen strengere blootstellingslimieten hanteren geeft geen de rechtbank aanleiding om tot een andere conclusie te komen. In wat de eisende partijen hebben aangevoerd over de onafhankelijk van de ICNIRP ziet de rechtbank ook geen reden waarom niet van de blootstellingslimieten uitgegaan kan worden. Hoewel de rechtbank uit hetgeen eisers hebben aangevoerd afleidt dat er tot op zekere hoogte discussie bestaat over de samenstelling van de ICNIRP, ziet de rechtbank daarin onvoldoende grond voor de conclusie dat het ICNIRP niet onafhankelijk opereert en dat daarom niet van diens conclusies uitgegaan mag worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de mogelijke risico’s op gezondheidsschade als gevolg door straling van het radarstation afdoende onderzocht en beperkt door de minister?
20. Op grond van artikel 3:2 van de Awb dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. De rechtbank zal gelet op deze verplichting in de volgende overwegingen beoordelen of de minister bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning de nodige kennis heeft vergaard over de stralingsbelasting van het radarstation en de risico’s voor de gezondheid hiervan.
In de voorbereiding van de omgevingsvergunning en het rijksinpassingsplan hebben Defensie en de minister verschillende onderzoeken, rapporten en adviezen laten uitvoeren en opstellen waarin de gevolgen van straling door de ingebruikname van het radarstation zijn berekend of gemeten en eerder gedane onderzoeken zijn gevalideerd. Ten eerste betreft dit het Safety Assesment Report van het bedrijf Thales van 5 april 2023. Dit bedrijf is de leverancier van het radarstation. In dit rapport verklaart Thales dat het niveau van de elektromagnetische straling ten gevolge van het SMART-L MM/F systeem in Herwijnen onder de norm gestelde grenswaarde zal blijven in het gebied buiten de ICNIRP-Contour. Ten tweede betreft dit drie rapporten van het TNO. In het eerste rapport van januari 2020 is geconcludeerd dat de SMART-L radar voldoet aan de blootstellingslimiet van de ICNIRP-richtlijn van 1998. In het tweede rapport van augustus 2020 is geconcludeerd dat de SMART-L radar voldoet aan de blootstellingslimieten van de ICNIRP-richtlijnen van zowel 1998 als die van 2020. In het derde rapport van 21 september 2021 heeft TNO geconcludeerd dat de realisatie van de SMART-L radar geen overschrijding van de gelijktijdig samengestelde blootstelling zal veroorzaken. Ten derde is er een advies ingebracht van het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische zaken en Klimaat (het Agentschap) van 14 december 2020. In dit advies heeft het Agentschap de rapporten van TNO van januari en augustus 2020 (technisch) beoordeeld. In dit advies concludeert het Agentschap dat de resultaten van die TNO door berekening heeft verkregen aannemelijk maken dat de ICNIRP blootstellingsniveaus op de door TNO berekende afstanden onder de ICNIRP limieten blijven. Ten vierde en tot slot zijn er verschillende meetrapporten van DEKRA (een industriële inspectie-instelling) bij de aanvraag gevoegd. Blijkens het meetrapport van 7 juni 2021 zijn de stralingsintensiteiten gemeten op verschillende afstanden vanaf een locatie in Wier waar een vergelijkbare SMART-L radar actief is. Blijkens de meetresultaten worden nergens de blootstellingslimieten uit de ICNIRP-richtlijnen overschreden. In het tweede meetrapport van 18 september 2024 concludeert DEKRA wederom dat de ICNIRP-richtlijnen niet worden overschreden.
Verschillende eisende partijen hebben in deze procedure een rapport ingebracht waaruit volgens hen door middel van berekeningen en redereneringen blijkt dat de meetrapporten van DEKRA tot stand zijn gekomen met behulp van door Defensie gemanipuleerde variabele antenneversterkingen. Dit rapport van 15 april 2025 is opgesteld door eisende partij [eiser 3] en een oud-medewerker van het Agentschap Telecom, [oud-medewerker] .
De minister heeft het door verschillende eisers ingebrachte rapport laten beoordelen door het TNO en deze beoordeling ingebracht in deze procedure. Deze beoordeling is neergelegd in de notitie van 18 december 2025. TNO komt in deze notitie tot de conclusie dat verscheidene in het door eisers ingebrachte rapport gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodieken incorrect zijn.
De eisende partijen betogen samengevat dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen die de straling afkomstig van het radarstation heeft op de gezondheid van mensen. De eisende partijen stellen onder meer dat het radarstation in verschillende modi niet kan voldoen aan de ICNIRP-richtlijnen en risico’s op schade op de gezondheid als gevolg van blootstelling aan straling wordt gebagatelliseerd dan wel onderschat door de minister.
Advies van de STAB ex artikel 8:47 van de Awb
21. Nu de beroepsgronden van de eisende partijen betrekking hebben op een verschil van inzicht van verschillende (aangehaalde) deskundigen, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van Awb, de STAB tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De STAB is verzocht antwoord te geven op de volgende vraag:
‘Zijn de in de omgevingsvergunning gestelde voorschriften voldoende om de stralingsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken? Betrek hierbij de rapportages van de minister en de verwijzingen naar rapportages in de beroepsgronden van eisers.’
De STAB beantwoordt de gestelde vraag instemmend voor wat betreft het voldoen aan voorschrift 1.1.1 van de omgevingsvergunning waarin kortgezegd is voorgeschreven dat aan de ICNIRP-contour moet worden voldaan. Het voorschrift biedt volgens de STAB voldoende waarborg dat de blootstellingslimieten die gelden voor publiek toegankelijke locaties, niet mogen worden overschreden.
Meerdere eisende partijen hebben kortgezegd betoogd dat het advies van de STAB onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zo heeft de STAB volgens deze eisende partijen onder meer ten onrechte de onderzoeksvraag niet uitgebreid, de argumenten van de verschillende partijen niet even zwaar gewogen en is zij onvoldoende kritisch geweest op de deskundigenberichten die door de minister zijn ingediend.
De rechtbank stelt voorop dat een bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
Op grond van artikel 8:47, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank het voornemen tot het inschakelen van een deskundige van de STAB en de aan de deskundige voorgelegde vraag medegedeeld aan partijen. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de concept-vraagstelling. Verschillende partijen hebben van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt. Daaropvolgend heeft de rechtbank de partijen in kennis gesteld dat naar aanleiding van de reacties van partijen de vraagstelling is aangepast. Anders dan verschillende eisende partijen hebben gesteld kan en mag de STAB de onderzoeksvraag niet zelfstandig uitbreiden. Op grond van artikel 8:47, tweede lid, van de Awb is het namelijk de bestuursrechter die bij de benoeming van de deskundige de opdracht vermeldt die moet worden vervuld.
Uit het STAB-advies volgt dat de STAB de partijen kenbaar heeft gemaakt dat de adviseurs van de STAB op 14 en 16 januari 2026 de locatie zouden bezoeken en dat partijen hun beroepen desgewenst kunnen toelichten op het gemeentehuis van de gemeente West Betuwe. Dat heeft geleid tot verschillende gesprekken met vertegenwoordigers op 14 en 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 hebben de adviseurs van de STAB gesproken met de vertegenwoordigers van de minister.
Op 24 maart 2026 heeft de STAB het conceptverslag digitaal aan partijen verzonden, met de mogelijkheid om daar binnen twee weken op te reageren. Deze termijn is op verzoek verlengd tot en met 21 april 2026. Verschillende partijen hebben binnen de gestelde termijn een reactie op het conceptverslag ingediend. Deze reacties zijn overgenomen in de appendix en voorzien van een reactie door de STAB in het definitieve verslag. Op 15 mei 2026 heeft de STAB het definitieve verslag aangeboden aan de rechtbank.
Op grond van artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb hebben partijen na het uitbrengen van het deskundigenverslag de gelegenheid gehad hun zienswijzen daarop naar voren te brengen. Verschillende partijen hebben hun zienswijze naar voren gebracht.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het advies van de STAB onzorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het advies niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. De rechtbank acht hiertoe van belang dat de STAB ter voorbereiding van het definitieve advies zorgvuldig te werk is gegaan door onder meer een locatiebezoek uit te voeren, gesprekken te voeren met de partijen en de partijen de mogelijkheid te bieden om op het conceptadvies te reageren. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de STAB in haar definitieve advies uitdrukkelijk is ingegaan op de door de eisende partijen ingebrachte reacties en waar nodig ook deze reacties (inhoudelijk) heeft weerlegd. Bovendien acht de rechtbank van belang dat de STAB in het advies uitvoerig uiteen heeft gezet hoe zij is omgegaan met de deskundigenberichten die door de minister zijn ingebracht. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de STAB ook is ingegaan op de mogelijke gevolgen van straling voor medische apparatuur en de door eisers ingebrachte e-mail van 24 januari 2024 van Boston Scientific (een leverancier van pacemakers/ICD’s).
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van het STAB-advies. Het betoog van de eisende partijen geeft geen aanleiding om het STAB-advies niet bij de beoordeling te betrekken.
Voorschriften
22. De rechtbank zal in de volgende overwegingen, met inachtneming van het STAB-advies, beoordelen of de minister met de vergunningvoorschriften de mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van straling afdoende heeft beperkt.
Vergunningvoorschrift 1.1.1
In de omgevingsvergunning is onder 1.1.1 het volgende vergunningvoorschrift opgenomen: ‘1.1.1 Aan de ICNIRP-contour, zoals beschreven in het bij de aanvraag als bijlage M08A gevoegde rapport 'ICNIRP-contour SMART-L, d.d. 16-03-2023 versie 2.0' van het
Ministerie van Defensie moet worden voldaan. Overschrijdingen van de ICNIRP
1998 en 2020 blootstellingslimieten mogen niet voorkomen in voor publiek
toegankelijk gebied zoals gedefinieerd in het rapport 'ICNIRP-contour SMART-L,
d.d. 16-03-2023 versie 2.0'.’
Met bovengenoemd voorschrift is vastgelegd dat aan de ICNIRP-contour moet worden voldaan. In het STAB-advies heeft de STAB geconcludeerd dat dit voorschrift voldoende waarborgen biedt dat de blootstellingslimieten die gelden voor publiek toegankelijke locaties, niet mogen worden overschreden. De rechtbank ziet in de betogen van eisers, gelet op de onderbouwde conclusie van de STAB, geen aanleiding om te oordelen dat de minister met dit voorschrift onvoldoende bescherming voor de gezondheid ten gevolge van straling die afkomstig is van het radarstation. De vraag of in de feitelijke situatie aan deze ICNIRP-contour wordt voldaan geschiedt door metingen die volgens de hieronder uiteengezette voorschriften moeten worden uitgevoerd.
Vergunningvoorschriften 1.1.2, 1.1.3, 1.1.4, 1.1.5, 1.1.6 en 1.1.16
In de omgevingsvergunning zijn onder 1.1.2, 1.1.3. 1.1.4, 1.1.5, 1.1.6 en 1.1.16 de volgende vergunningvoorschriften opgenomen:
Binnen 6 maanden na oplevering en vóór het operationeel in gebruik nemen van
de radartoren en de radar dienen validatiemetingen uitgevoerd te worden. Uit de
validatiemetingen moet blijken dat buiten de ICNIRP-contour genoemd in 1.1.1
geen ICNIRP blootstellingslimieten worden overschreden. De resultaten van deze
'inbedrijfsstellingsmetingen' dienen binnen vier weken na het uitvoeren van de
metingen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overlegd.
Indien uit metingen blijkt dat niet voldaan wordt conform voorschrift 1.1.1, dienen
maatregelen genomen te worden, welke blijkens een nieuwe validatiemeting
leiden tot het voldoen aan voorschrift 1.1.1 alvorens de installatie operationeel in
gebruik mag worden genomen.
Ten minste vier weken vóórdat de metingen bedoeld in voorschrift 1.1.3 worden
uitgevoerd, wordt een meetplan ter goedkeuring toegestuurd aan het bevoegd
gezag.
Ten behoeve van het uitvoeren van de metingen genoemd in 1.1.3 moet de radar
in werking zijn. Een week voor het uitvoeren van de validatiemetingen dient het
bevoegd gezag hiervan op de hoogte te worden gebracht.
De radar mag definitief in gebruik worden genomen als uit de validatiemetingen is
gebleken dat geen blootstellingslimieten worden overschreden buiten de ICNIRP
contour en hierop goedkeuring is gegeven door het bevoegd gezag.
De hoogte onder de ICNIRP-contour is het laagst over de eerste 300 meter vanaf
de radartoren (6 meter). In voor publiek toegankelijk gebied buiten de
inrichtingsgrenzen dienen verificatiemetingen binnen deze 300 meter in ieder
geval plaats te vinden op een hoogte van 2 en 6 meter boven maaiveld.
Onderstaande figuur uit de 'ICNIRP-contour SMART-L, d.d. 16-03-2023 versie 2.0'
van het Ministerie van Defensie illustreert dit:
De rechtbank overweegt dat in bovengenoemde voorschriften eisen zijn gesteld aan wanneer en hoe validatiemetingen moeten worden uitgevoerd voordat radarstation (definitief) in werking mag worden gesteld. Deze validatiemetingen zijn noodzakelijk om definitief te kunnen bepalen of aan de ICNIRP-contour en de ICNIRP-blootstellingslimieten op voor publiek toegankelijke locaties wordt voldaan. In deze voorschriften is ook geregeld onder welke condities het radarstation in werking mag worden gesteld. De STAB heeft in haar advies opgenomen dat zij het van belang acht dat de metingen worden uitgevoerd door een onafhankelijke en geaccrediteerde instantie en dat dit niet in de voorschriften is geregeld.
Verschillende eisers hebben betoogd dat het voor hen onduidelijk is hoeveel tijd de validatiemetingen in beslag zullen nemen en of het radarstation tijdens het beoordelen van deze metingen ook in werking zal zijn. Verder hebben verschillende eisers ook vragen over welke instantie deze metingen gaat uitvoeren. Ook hebben eisers aangevoerd dat in de voorschriften ten aanzien van ingebruikname zowel de termen ‘definitief’ als ‘operationeel’ wordt gehanteerd en dat dit verwarrend is.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegezegd dat het radarstation alleen wordt aangezet voor validatiemetingen die enkele weken zullen duren. Daarna wordt het radarstation uitgeschakeld totdat de validatiemetingen zijn goedgekeurd en pas daarna weer ingeschakeld, aldus de gemachtigde van de minister. Ook heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat met de termen ‘definitief’ en ‘operationeel’ hetzelfde wordt bedoeld.
De rechtbank stelt voorop dat middels voorschrift 1.1.1 is geborgd dat moet worden voldaan aan de ICNIRP-contour. De naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning in deze procedure ligt in deze procedure niet voor. Wel ziet de rechtbank, gelet op het advies van de STAB, reden om voorschrift 1.1.2 aan te passen, omdat in dit voorschrift niet is geborgd door welke instantie deze validatiemetingen uitgevoerd moeten worden. De rechtbank zal zoals op zitting met partijen besproken om die reden het voorschrift als volgt aanpassen: ‘Binnen 6 maanden na oplevering en vóór het operationeel in gebruik nemen van de radartoren en de radar dienen validatiemetingen uitgevoerd te worden door een geaccrediteerde instantie. Uit de validatiemetingen moet blijken dat buiten de ICNIRP-contour genoemd in 1.1.1 geen ICNIRP blootstellingslimieten worden overschreden. De resultaten van deze 'inbedrijfsstellingsmetingen' dienen binnen vier weken na het uitvoeren van de metingen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd.’
Verder ziet de rechtbank aanleiding om voorschrift 1.1.6 aan te passen voor zover daarin de term ‘definitief’ wordt gebezigd. De rechtbank zal, gelet op de toelichting die is gegeven door de gemachtigde van de minister, de term ‘definitief’ in dit voorschrift vervangen door de term ‘operationeel’. Na deze aanpassing luidt dit voorschrift: ‘De radar mag operationeel in gebruik worden genomen als uit de validatiemetingen is gebleken dat geen blootstellingslimieten worden overschreden buiten de ICNIRP contour en hierop goedkeuring is gegeven door het bevoegd gezag.’
Gelet op het voorgaande is het beroep van een deel van de eisende partijen op dit onderdeel gegrond en de rechtbank zal de omgevingsvergunning op deze onderdelen dan ook vernietigen. De rechtbank ziet in hetgeen eisers verder hebben aangevoerd geen reden om andere aanpassingen te verrichten in de genoemde voorschriften. Zo heeft de gemachtigde van de minister toegezegd dat de validatiemetingen enkele weken zullen duren en het radarstation na het uitvoeren van deze metingen wordt uitgeschakeld totdat deze metingen zijn goedgekeurd.
Overige vergunningvoorschriften
De STAB heeft in haar advies geconcludeerd dat de voorschriften die zien op de veiligheidsvoorzieningen voldoende waarborgen bieden dat deze de beoogde extra laag van bescherming zullen bieden. Ook is volgens de STAB gewaarborgd dat het bevoegd gezag op de hoogte wordt gesteld van de rapportages van de in dit verband verplichte testen. Verder is volgens de STAB ook de staat van onderhoud voldoende gewaarborgd met de voorschriften en wordt met de voorschriften gewaarborgd dat een duidelijke fysieke barrière op de inrichtingsgrens wordt geplaatst.
De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde kanttekeningen bij deze overige vergunningvoorschriften geen grond om aan de bevindingen van de STAB in haar advies te twijfelen. De STAB heeft in haar advies uitvoerig uiteengezet waarom deze voorschriften volgens de STAB voldoende waarborgen bieden. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
Conclusie gezondheid
23. De rechtbank komt, met inachtneming van het STAB-advies, tot het oordeel dat de minister de mogelijke risico’s op gezondheidsschade voor mensen als gevolg door straling van het radarstation afdoende heeft onderzocht en deze gevolgen door de minister met de gestelde voorschriften, na de hierboven opgenomen aanpassingen van de voorschriften 1.1.2 en 1.1.6, voldoende heeft beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
Flora- en Fauna
24. Verschillende eisers hebben betoogd dat de ingebruikname van het radarstation onevenredige gevolgen heeft voor flora- en fauna. Zo is door meerdere eisers gesteld dat vleermuizen mogelijk worden verstoord door de radarsignalen, bijvoorbeeld in hun trekgedrag. Verder hebben verschillende eisers twijfels bij de betrouwbaarheid van de uitgevoerde ecologische onderzoeken. Zo is door eiser [eisers 6] onder meer gesteld dat de betreffende locatie in zijn geheel was kaalgeslagen voordat de onderzoeken werden uitgevoerd.
De rechtbank stelt vast dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning een Quick scan natuur van het adviesbureau SAB van 22 februari 2023 (Quick scan) gevoegd. Deze Quick scan is op 16 oktober 2024 door SAB aangevuld (de aanvulling). In deze aanvulling heeft SAB een aanvullende beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten van het in gebruik hebben van het radarstation op de beschermde soorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen. In de aanvulling heeft SAB geconcludeerd dat met de ingebruikname van het radarstation geen sprake is van een schadelijke handeling voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger.
Zoals hierboven in 21.3 reeds is overwogen mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
De rechtbank oordeelt dat de minister, onder verwijzing naar de uitgevoerde onderzoeken, heeft kunnen besluiten dat de ingebruikname van het radarstation geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor flora- en fauna. De rechtbank acht daartoe van belang dat het onderzoek van 16 oktober 2024 navolgbaar is en dat hierin uitdrukkelijk is geconcludeerd dat met de ingebruikname van het radarstation geen sprake is van een schadelijke handeling op de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. De eisende partijen hebben daarentegen geen deskundig advies ingebracht waaruit volgt dat de door de minister aangehaalde adviezen ondeugdelijk zijn. De stelling dat het plangebied voorafgaand aan de onderzoeken kaal was geslagen, is niet onderbouwd en volgt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Eindconclusie
25. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen zijn de beroepen van wijlen [eiser 5] en de gemeente West Betuwe niet-ontvankelijk. Het beroep van [eiser 7] en anderen is deels niet-ontvankelijk, namelijk voor zover dat is ingesteld door de Gelderse Onderzoeksgroep en een groep zwemmers.
De beroepen van [eisers 10] en [eiser 4] zijn ongegrond.
Het beroep van de andere eisende partijen is gegrond omdat de rechtbank van oordeel is dat twee vergunningvoorschriften aangepast dan wel aangevuld moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom de omgevingsvergunning, maar de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door deze voorschriften aan te passen, zoals genoemd onder rechtsoverweging 22.7 en deze uitspraak in de plaats te stellen van het vernietigde deel van het besluit.
Ter verduidelijking voor partijen merkt de rechtbank op dat dit tot gevolg heeft dat het radarstation gerealiseerd en gebruikt mag worden in overeenstemming met de omgevingsvergunning met de aangepaste voorschriften.
Proceskosten
Beroepen 25/5652, 25/5654, 25/5696 en 25/5682
26. De beroepen van wijlen [eiser 5] (25/5654) en de gemeente West-Betuwe (25/5682) zijn niet-ontvankelijk en de beroepen van [eiser 4] (25/5652) en [eisers 10] (25/5696) ongegrond. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beroep 25/5714
27. Het beroep van de Stichting e.a. (25/5714) is gegrond en daarom moet de minister het griffierecht aan de Stichting e.a. vergoeden en krijgen de Stichting e.a. ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voor het indienen van de schriftelijke zienswijze op het STAB-advies, als bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb, krijgen de Stichting e.a. geen vergoeding toegekend omdat deze zienswijze door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten.
Beroepen 25/5659, 25/5676, 25/5666 en 25/5672
De beroepen van [eisers 6] (25/5659), [eisers 9] (25/5676), [eiser 7] voor het overige (25/5666) en [eiser 3] (25/5672) zijn gegrond. Omdat deze beroepen gegrond zijn moet de minister in deze vier beroepen aan de eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is voor deze eisers niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen van wijlen [eiser 5] (25/5654), de gemeente West-Betuwe (25/5682) en [eiser 7] (25/5666) en anderen, voor zover het is ingesteld door de Gelderse Onderzoeksgroep en een groep zwemmers, niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen van [eiser 4] (25/5652) en [eisers 10] (25/5696) ongegrond;
- verklaart het beroep van de Stichting e.a. (25/5714), [eisers 6] (25/5659), [eisers 9] (25/5676), [eiser 7] voor het overige (25/5666) en [eiser 3] (25/5672) gegrond;
- vernietigt de omgevingsvergunning;
- vervangt de voorschriften 1.1.2 en 1.1.6 door de volgende voorschriften:
1.1.2 ‘ 1.1.2 ‘Binnen 6 maanden na oplevering en vóór het operationeel in gebruik nemen van de radartoren en de radar dienen validatiemetingen uitgevoerd te worden door een geaccrediteerde instantie. Uit de validatiemetingen moet blijken dat buiten de ICNIRP-contour genoemd in 1.1.1 geen ICNIRP blootstellingslimieten worden overschreden. De resultaten van deze 'inbedrijfsstellingsmetingen' dienen binnen vier weken na het uitvoeren van de metingen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd.’
1.1.2 ‘ 1.1.6 ‘De radar mag operationeel in gebruik worden genomen als uit de validatiemetingen is gebleken dat geen blootstellingslimieten worden overschreden buiten de ICNIRP contour en hierop goedkeuring is gegeven door het bevoegd gezag.’
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde omgevingsvergunning;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- moet vergoeden aan onderscheidenlijk [eisers 6] , [eisers 9] , [eiser 7] en eiser [eiser 3] ;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan de Stichting e.a. moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de Stichting e.a..
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.