ECLI:NL:RBGEL:2026:756

ECLI:NL:RBGEL:2026:756

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 092853-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uit winstbejag behulpzaam zijn van zes vreemdelingen bij hun verblijf in Nederland, door hen te laten werken voor hem/zijn bedrijf en hen een verblijfplaats in een woning te verschaffen. De rechtbank veroordeelt verdachte voor mensensmokkel (art. 197a Sr) tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren en legt een beroepsverbod op voor de duur van 4 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.092853.25

Datum uitspraak : 2 februari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres 1], [postcode] [woonplaats]

Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2024 tot en met 26 maart 2025 te [plaats] en/of te Velp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander of anderen, te weten:- [naam 1] en/of- [naam 2] en/of- [naam 3] en/of- [naam 4] en/of- [naam 5]- [naam 6],uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of hen/hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, (lid 2)terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s):die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6]- in een voertuig vervoerd en/of- van en naar (een) werkplek(ken) vervoerd en/of- (een) auto(‘s) ter beschikking gesteld ten behoeve van vervoer en/of- (contant) uitbetaald voor werkzaamheden en/of- onderdak verschaft en/of- werkplek(ken) verschaft en/of- contacten gelegd en/of te onderhouden ten einde voornoemde perso(o)n(en) aan(een) werkplaats en/of verblijfplaats te helpen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt (lid 4);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2024 tot en met 26 maart 2025 te [plaats] en/of te Velp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander of anderen, te weten:- [naam 1] en/of- [naam 2] en/of- [naam 3] en/of- [naam 4] en/of- [naam 5]- [naam 6],die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens (mondelinge) overeenkomst of aanstelling, arbeid (bouwwerkzaamheden) te doen verrichten in diverse steden waaronder [plaats] en/of elders in Nederland, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s):die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6]- in een voertuig vervoerd en/of- van en naar (een) werkplek(ken) vervoerd en/of- (een) auto(‘s) ter beschikking gesteld ten behoeve van vervoer en/of- (contant) uitbetaald voor werkzaamheden en/of- onderdak verschaft en/of- werkplek(ken) verschaft en/of- contacten gelegd en/of te onderhouden ten einde voornoemde perso(o)n(en) aan(een) werkplaats en/of verblijfplaats te helpen,terwijl verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang of dat verblijf in Nederland wederrechtelijk was, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een beroep of gewoonte heeft/ hebben gemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een onderaannemer genaamd [naam 7]. De in de tenlastelegging genoemde personen werkten voor deze onderaannemer en niet voor hem. Hij hoefde dan ook niet te vermoeden dat er iets niet in orde zou zijn met de verblijfstatus van deze personen. Verdachte had dan ook geen wetenschap dat de in de tenlastegelegde genoemde personen zonder vergunning in Nederland werkzaam waren en behoorde deze ook niet te hebben. Ook heeft verdachte geen onderdak aan hen geboden, omdat hij geen eigenaar of huurder van de woning was en was er geen sprake van winstbejag.

Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat de getuigenverklaringen van [naam 1], [naam 5] en [naam 6] buiten beschouwing moeten worden gelaten, nu de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad om hen te horen. De getuigenverklaringen van [naam 2] en [naam 3] zijn tegenstrijdig en kennelijk leugenachtig en dienen daarom te worden uitgesloten van bewijs.

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, getuige Bawari te horen.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Bij een controle troffen verbalisanten van de Koninklijke Marchaussee (hierna: Kmar) op 13 februari 2025 [naam 8] en [naam 1] aan in een auto. [naam 1] bleek illegaal in Nederland/Europa te verblijven. [naam 1] heeft een terugkeerbesluit van 28 dagen en een inreisverbod opgelegd gekregen. [naam 1] heeft verklaard dat hij is uitgenodigd om badkamers te gaan maken door ene [verdachte] (fonetisch) en dat hij sinds 12 januari 2025 aan de [adres 2] in [plaats] woont. [verdachte] woont in [plaats] en [naam 1] heeft in zijn woningen gewerkt. [naam 1] liet aan verbalisanten een foto van [verdachte] op zijn telefoon zien.

Diezelfde dag, 13 februari 2025, komt [naam 1] met de door hem genoemde [verdachte] naar de ontvangstruimte van de brigade. Verbalisant herkent [verdachte] van de foto die [naam 1] had laten zien. [verdachte] vroeg waarom zijn medewerker was aangehouden. Door de Kmar is aan [verdachte] uitgelegd dat de verblijfstatus van [naam 1] niet in orde was en dat hij de opdracht heeft gekregen terug te gaan naar Oezbekistan.

Op de zitting van 19 januari 2026 heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad op 13 februari 2025 naar het kantoor van de Koninklijke Marechaussee in Zevenaar is gegaan.

De rechtbank concludeert dat verdachte ‘[verdachte]’ (hierna ook genoemd [verdachte]) is waar in de voornoemde bewijsmiddelen over wordt gesproken.

Op 26 maart 2025 gingen verbalisanten naar de woning aan de [adres 2] in [plaats]. Er werd niet opengedaan. Er kwam een auto aangereden, de bestuurder betrof [naam 8]. Hij verklaarde dat hij een sleutel voor een bedrijf op moest halen aan de [adres 2]. [naam 8] zei dat hij ging bellen met [verdachte]. Verbalisanten spraken aan de telefoon met [verdachte]. Hij zei dat er niks aan de hand is en dat hij de deur wel kon openmaken. Hij wilde er zelf bij zijn als de woning werd betreden. Verdachte kwam naar de woning en vertelde de verbalisanten dat hij de hoofdhuurder is van de [adres 2] in [plaats]. De personen die aanwezig zijn in de woning zijn voor hem werkzaam.

In de woning werden [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6] aangetroffen. Zij bleken illegaal in Nederland te verblijven. In de woning zijn kamers die ingericht zijn als slaapkamers. Er staan bedden in deze ruimtes, evenals kleding, tassen, een elektrische verwarming en opladers van een telefoon.

[naam 1] heeft verklaard dat hij in Nederland alleen op [adres 2] in [plaats] heeft verbleven. [verdachte] heeft hem geholpen met het vinden/verkrijgen van de woning. Hij zei: je mag hier komen wonen. Hij heeft ook werk voor [naam 1] voorgesteld. [naam 1] betaald 350 vaste lasten aan [verdachte]. Hij ontvangt loon van [verdachte].

[naam 2] heeft verklaard dat hij sinds november 2024 contact heeft met [verdachte]. [naam 2] heeft [verdachte] zijn paspoort laten zien waarin zijn visum stond gestempeld, dat was nog twee dagen geldig. [verdachte] heeft volgens [naam 2] geweten dat hij illegaal was, omdat zijn visum niet meer geldig was. [verdachte] was zijn werkgever. [naam 2] zijn taak was stukadoren en schilderen.[naam 2] woont nu ongeveer vijf maanden in deze woning (aan de [adres 2]). De vorige woning hebben zij opgeknapt en toen moesten zij weg. De eigenaar van het bedrijf heeft hen aan beide woningen geholpen. De naam van de werkgever is [bedrijf 1]

Uit een vordering bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer] toebehoort aan [verdachte] (hierna het telefoonnummer van verdachte).

In de telefoon van [naam 2] is een Whatsapp gesprek tussen [naam 2] en het telefoonnummer van verdachte gevonden. Dit gesprek start op 21 november 2024. De berichten zijn vertaald uit het Russisch. Op 21 januari 2025 stuurt [naam 2] een audiobericht waarin wordt gezegd: “[verdachte], voor een diesel hebben we geld nodig, geld is op.” Ook stuurt [naam 2] een foto van een brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Republiek Oezbekistan naar [verdachte], waarop [verdachte] reageert met “bedankt” en een emoji van een duim omhoog.

[naam 3] heeft verklaard dat hij met [naam 2] en [naam 4] voor [naam 9], wat je ook schrijft als [verdachte] of [verdachte] werkt. [verdachte] heeft hen ingeschreven, hij betaalt hen en hun belasting. Hij is hun baas. [verdachte] heeft gezegd dat [naam 3] zich over documenten geen zorgen moest maken. [verdachte] zei dat degene die zij moesten bellen al gebeld is. De documenten zouden in orde worden gemaakt. Hij zei nu moet je werken, dan krijg je geld voor je verblijfsvergunning van Polen. Hij zei dat het beste was om eerst geld te verdienen. [verdachte] zou zijn medische verzekering regelen. Hij gaf [naam 3] een plaats waar hij (kon) overnachten en zei ik ga alles regelen. Ik ga je helpen om een eenpersoonszaak te registreren, zodat jij een verblijfsvergunning krijgt. [verdachte] heeft hem onderdak, medicijnen en werkkleren gegeven. [naam 3] ontvangt loon van [verdachte].

[naam 3] heeft verklaard dat hij werk heeft gekregen van [verdachte]. [naam 3] moest het pand repareren en kreeg opdrachten van hem. Vanaf september 2024 heeft hij gewoond aan de [adres 2]. [naam 3] moest 300 euro huur per maand betalen aan [verdachte]. Hij moest klussen in de woning. Hij heeft ook op een ander adres gewerkt. [verdachte] was zijn werkgever. [verdachte] liet met zijn handen of via een vertaalapp zien wat hij moest doen. [verdachte] zei ik ga een BSN-nummer regelen voor jou, zodat [naam 3] als ZZP’er legaal kon werken. [verdachte] heeft [naam 3] niet gevraagd om documenten af te geven.

[naam 4] heeft verklaard dat hij in december 2024 naar Nederland is gekomen. Hij ging naar [plaats] omdat mensen hem hadden beloofd dat hier werk was. [verdachte] heeft hem geholpen om aan deze woning te komen. [naam 4] werkt voor deze man. Hij betaalt voor de woning door een gedeelte van zijn salaris in te leveren aan [verdachte]. Hij verdient 50 euro per dag en krijgt zijn loon contant van [verdachte]. [naam 4] heeft [verdachte] verteld dat hij een werkvergunning in Polen heeft aangevraagd. [naam 4] is met [verdachte] naar Den Haag gegaan. Daar heeft hij een papier gekregen.

[naam 4] heeft verder verklaard dat hij sinds 13 augustus 2024 contact had met verdachte. Hij verbleef 3 à 4 maanden in de woning aan de [adres 2]. Zij moesten in de woning werken en slapen. Het adres waar [naam 4] ingeschreven stond is het bedrijf van [verdachte]. [naam 4] stond daar ingeschreven, zodat hij een BSN-nummer kon krijgen. [verdachte] gaf opdrachten, hij kwam 1 of 2 keer per week. Er waren geen anderen die opdrachten of taken aan hem gaven. Het papier dat [naam 4] in Den Haag heeft gekregen ging over een BSN-nummer.

[naam 5] heeft verklaard dat hij op 13 december 2024 aankwam in Nederland. Hij werkt voor [verdachte] en dat [verdachte] de woning heeft verschaft. [naam 5] werkt als bouwvakker en was een dak aan het repareren. Hij ontvangt loon van [verdachte].

In de telefoon van [naam 5] is een Whatsapp gesprek gevonden met het telefoonnummer van verdachte.

Op 16 januari 2025 stuurt [naam 5]: Broer, naast de verf moet er las spullen meegenomen worden om de gaten te strijken. [verdachte] stuurt: Oke, ik zal meenemen.Op 31 januari 2025 stuurt [verdachte]: Mag er morgen gewerkt worden? [naam 5] stuurt: Die verf bij ons is helemaal op. Als de verf er is, dan mag er wel gewerkt worden.Op 11 februari 2025 stuurt [naam 5]: Goedemorgen [verdachte], ik wilde over het geld vragen. Zodra jij dit bericht heb gelezen, bel mij alstublieft op.Op 17 februari 2025 stuurt [naam 5] een audiobericht waarin wordt gezegd dat hij al twee bonnen heeft gestuurd en gevraagd om 100 euro over te maken. [verdachte] stuurt een afbeelding van de een ING rekening van [naam 5] en vraagt of hij het daarop moet storten. [verdachte] stuurt een PDF bestand met een afschrift van 150 euro van een rekening op naam van [bedrijf 2] naar rekening van [naam 10] met kenmerk: tanken.Op 18 februari 2025 stuurt [naam 5] audioberichten over dat iets besteld moet worden en dat hij dat zal opmeten. [verdachte] stuurt: beter nu opmeten. [verdachte] stuurt: De eigenaar zegt dat het hier schoon moet zijn.

[naam 6] heeft verklaard dat [verdachte] heeft gevraagd of hij bij hem wilde werken. [verdachte] zou meteen een woning voor [naam 6] hebben. [naam 6] heeft geen documentatie moeten aanleveren bij [verdachte] voor het werken bij hem. [verdachte] heeft niet naar zijn verblijfsrechtelijke positie gevraagd.

[naam 6] heeft verder verklaard dat [verdachte] heeft geregeld dat hij hier kan wonen. Zij mochten daar wonen in ruil voor werkzaamheden die er in de woning nodig waren. Hij verdient 150 euro per dag en krijg daar ook een woonruimte bij. Dit hebben zij allemaal geregeld met [verdachte]. [naam 6] maakt balkons voor [verdachte], hij regelt dit. [naam 6] ontvangt loon van [verdachte].

In de telefoon van [naam 6] is een Whatsapp gesprek gevonden met het telefoonnummer van verdachte, met Whatsapp naam [verdachte] ….

Op 2 december 2024 stuurt [verdachte]…. Hoi [naam 6] hoeveel dagen heb je gewerkt

Op 15 januari 2025 stuurt [naam 6]: Goedemorgen broer het geld is niet aangekomen voor diesel gisteren volgens mij heb je vergeten om over te maken. [verdachte] stuurt: Hallo [naam 6] ik zie het. Ik heb het verkeerd overgemaakt.

Op 15 februari 2025 stuurt [naam 6]: Hallo broer we hebben het binnenste gedeelte bijna afgemaakt. We hebben de gele boor nodig. En nog het geld broer naar de kaart of contant maakt niet uit voor ons allebei.

Op 3 maart 2025 stuurt [verdachte]: er moet isolatie gekocht worden vanavond.

Op 12 maart 2025 stuurt [naam 6] een spraakbericht waarin wordt gezegd: Hallo broer hoe gaat het, hoe zit het met het geld, je zei vandaag. [verdachte] antwoordt: 4500.

Op 13 maart 2025 stuurt [verdachte]: De rest zal ik de andere week contant geven. Ik kan niet meer geven uit firma zonder factuur.

De rechtbank stelt vast dat getuigen verklaren over [verdachte] of een soortgelijke naam. De rechtbank concludeert dat zij daarbij doelen op verdachte.

Verdachte heeft bij de Kmar verklaard dat hij een aannemer is die bij elk detail is betrokken. Hij is huurder van de woning aan de [adres 2]. Hij betaalt geen huur maar in plaats daarvan betaalt hij in natura door de woning te laten renoveren. Ook zegt hij dat ze (de rechtbank begrijpt: de mensen in de woning) hem om werk hebben gevraagd, en dat zij werk hebben gekregen in opdracht van hem.

Bewijsuitsluiting verklaringen getuigen

[naam 2] en [naam 3]?

De verdediging heeft verzocht de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] van het bewijs uit te sluiten, omdat de verklaringen – kort gezegd – innerlijk tegensstrijdig zijn en (kennelijk) leugenachting. De rechtbank verwerpt dit verzoek. Gelet op de getuigenverklaringen zoals deze door beiden zijn afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, in onderlinge samenhang bekeken en ook gelet op de andere getuigenverklaringen en de bevindingen in het dossier, acht de rechtbank deze consistent en daarmee betrouwbaar. De rechtbank is van oordeel dat deze niet dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

[naam 1], [naam 5] en [naam 6]

Een verzoek van de verdediging om [naam 1], [naam 5] en [naam 6] als getuige te horen, is door de rechter-commissaris afgewezen omdat van hen geen actuele verblijfplaats bekend was en gezien het land van herkomst (Oezbekistan) een nadere zoektocht naar een verblijfplaats en een daaropvolgende poging tot het horen van die getuigen tot mislukken gedoemd is (beslissing van de rechter-commissaris van 23 juni 2025). Ter zitting heeft de verdediging gesteld dat inmiddels de adressen van deze getuigen bij haar bekend zouden zijn en dat zij dus alsnog in de gelegenheid gesteld moet worden deze getuigen te horen. Echter ter zitting is gebleken dat deze adressen op geen enkele wijze te verifiëren zijn op echtheid en zo deze al wel zouden bestaan dat de getuigen daar zouden wonen. Het is derhalve nog steeds niet te verwachten dat de getuigen [naam 1], [naam 5] en [naam 6] binnen afzienbare tijd kunnen worden gehoord. Het feit dat de verdediging de betrokkenen niet heeft kunnen bevragen, staat er niet aan de weg dat hun verklaringen voor het bewijs worden gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, in het bijzonder en voor zover hier relevant doordat het bewijs niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd ('sole or decisive-rule'). Daarvoor is bepalend of er voldoende steunbewijs is dat betrekking heeft op het belastende onderdeel van de verklaring van de getuige dat de verdachte betwist. De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat de belastende verklaringen van [naam 1], [naam 5] en [naam 6] betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs. In de eerste plaats geldt dat de betrouwbaarheid van de verklaringen wordt ingegeven door de omstandigheid dat [naam 1] op 13 februari 2025 wordt staande gehouden, verdachte vervolgens samen met hem naar het kantoor van de Kmar komt en daar te horen krijgt dat [naam 1] niet legaal in Nederland verblijft en het land dient te verlaten. Op 26 maart 2025 treft de Kmar meerdere personen aan in de woning aan de [adres 2] die niet legaal in Nederland verblijven. Daaronder bevinden zich de getuigen [naam 1], [naam 5] en [naam 6]. Daarnaast bevinden zich in het dossier aangetroffen gesprekken in de telefoons tussen verdachte en [naam 5] en [naam 6] waaruit blijkt dat zij voor verdachte werkten. Het bewijs voor verdachtes wetenschap is derhalve niet uitsluitend ('solely') of in beslissende mate (‘to a decisive degree') gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [naam 1], [naam 5] en [naam 6].

Bewijsoverwegingen

Algemeen kader

Voor een veroordeling van het misdrijf van artikel 197a, tweede lid, Sr is vereist dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte uit winstbejag een ander behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was. Als de verdachte hier een beroep of gewoonte van heeft gemaakt of wanneer de verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen heeft gehandeld, werkt dat strafverhogend (artikel 197a, vierde lid, Sr).

Naar vaste rechtspraak dient het bestanddeel ‘behulpzaam bij’ in artikel 197a Sr in overeenkomstige zin te worden uitgelegd als in artikel 48 Sr, waarin medeplichtigheid in het algemeen strafbaar is gesteld. Het gaat er onder meer om of de betrokkene het verblijf van de vreemdeling in Nederland in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt.

In lijn met het doel en de strekking van artikel 197a Sr, te weten het tegengaan van mensensmokkel, en conform het algemeen spraakgebruik dient onder ‘het verblijven in Nederland’ als bedoeld in dat artikel te worden verstaan: elk zich ophouden in Nederland (ECLI:NL:HR:2003:AL3537 en ECLI:NL:HR:2006:AY8857).

Het begrip ‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr dient, gelet op de wetsgeschiedenis, te worden uitgelegd als ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid.

Wederrechtelijk verblijf

De rechtbank overweegt dat geen van de in de tenlastelegging genoemde personen – volgens de eerder in dit vonnis aangehaalde bewijsmiddelen – beschikte over een verblijfsvergunning of verblijfsrecht op grond waarvan zij rechtmatig in Nederland verbleven en arbeid mochten verrichten. Gelet daarop was hun verblijf in Nederland naar het oordeel van de rechtbank wederrechtelijk.

Behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte voor de in de tenlastelegging genoemde personen werk heeft verschaft door ze te laten werken voor hem en/of zijn bedrijf/bedrijven en hen voor dat werk ook te betalen. Ook heeft hij hen een woning ter beschikking gesteld aan de [adres 2] in [plaats]. Hiermee heeft verdachte hun verblijf bevordert en vergemakkelijkt en dus is hij ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam geweest bij het verschaffen van illegaal verblijf in Nederland.

Dat, zoals verdachte stelt, hij niet de eigenaar van deze woning is en ook niet over een sleutel zou beschikken, doet daar niet aan af.

Wetenschap of ernstige redenen te vermoeden wederrechtelijk verblijf

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte wist, of ernstige redenen had te vermoeden, dat het verblijf van alle in de tenlastelegging genoemde personen, wederrechtelijk was.

Uit de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [naam 1], [naam 2], [naam 5] en [naam 6], [naam 3] en [naam 4], volgt dat verdachte zou weten dat de mannen in de woning illegaal waren, er met verdachte gesproken is over documenten, dat een paspoort zonder visum is getoond aan verdachte en dat verdachte heeft gezegd dat de documenten in orde zou komen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat op 13 februari 2025 door de Kmar tegen verdachte is gezegd dat [naam 1] niet over de juiste papieren beschikte en terug moest naar Oezbekistan. [naam 1] is vervolgens op 26 maart 2025 in de woning aan de [adres 2] aangetroffen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er bij verdachte op zijn minst genomen sprake is van voorwaardelijke opzet in die zin dat verdachte ernstige reden had om te moeten vermoeden dat het verblijf van alle in de tenlastegelegde personen wederrechtelijk was.

Winstbejag

Van winstbejag is sprake als de handeling gericht is op verrijking, daadwerkelijk verrijking is niet vereist (ECLI:NL:HR:2012:BX5419).

De in de tenlastelegging genoemde personen werkten ten behoeve van verdachte of zijn bedrijf/bedrijven. Verdachte betaalde, zo volgt uit de bewijsmiddelen, het loon contant uit, of verrekende de geleverde arbeid met het door hem verstrekte verblijf in de woning aan de [adres 2]. Het feit dat zij voor zijn onderneming aan het werk waren impliceert naar het oordeel van de rechtbank reeds een winstbejag. Daarbij is ook niet gebleken dat deze personen waren opgenomen in de loonadministratie van (het bedrijf van) verdachte, waardoor verplichte loonheffingen en werkgeverslasten zijn uitgespaard. Het inzetten van illegale arbeidskrachten valt naar het oordeel van de rechtbank onder ‘winstbejag’ als bedoeld in artikel 197a lid 2 Sr.

Beroep of gewoonte

Het tenlastegelegde feit heeft betrekking op een langere periode waarbij verdachte vreemdelingen, die geen rechtmatig verblijf hadden in Nederland, arbeid voor hem lieten verrichten en woonruimte voor hen faciliteerde. Daarmee heeft het strafbare feit een structureel karakter. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte van het voorgaande zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt.

Medeplegen

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit alles tezamen met een of meer anderen heeft gedaan. Voor zover de officier van justitie daarbij heeft gewezen op de rol van [naam 8], die personen van en naar werkplaatsen zou hebben gereden, volgt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier dat daarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Van dit onderdeel zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Andere lezing verdachte

Voor zover door de verdediging alternatieve verklaringen en scenario’s zijn gegeven, vinden deze geen steun in het dossier, zijn deze ook overigens niet onderbouwd en worden deze weerlegd door de opgesomde bewijsmiddelen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode de daar genoemde personen uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichten heeft verschaft, terwijl hij ernstige reden had om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.

Verzoek horen getuige [naam 8].

De verdediging heeft subsidiair verzocht om getuige [naam 8] te horen. Gelet op de hierboven opgesomde bewijsmiddelen en hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, acht de rechtbank het niet noodzakelijk om de verzochte getuige (nader) te horen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2024 tot en met 26 maart 2025 te [plaats] en/of te Velp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander of anderen, te weten:- [naam 1] en/of- [naam 2] en/of- [naam 3] en/of- [naam 4] en/of- [naam 5] en- [naam 6],uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of hen/hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, (lid 2)terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s):die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6]D - in een voertuig vervoerd en/of - van en naar (een) werkplek(ken) vervoerd en/of - (een) auto(‘s) ter beschikking gesteld ten behoeve van vervoer en/of- (contant) uitbetaald voor werkzaamheden en/of- onderdak verschaft en/of- werkplek(ken) verschaft en/of- contacten gelegd en/of te onderhouden ten einde voornoemde perso(o)n(en) aan(een) werkplaats en/of verblijfplaats te helpen,terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt. (lid 4);

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring cursief verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

In de uitoefening van zijn beroep/uit gewoonte het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichten verschaffen, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, een beroepsverbod voor 4 jaren en verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen telefoon.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de bepleitte kortere pleegperiode elke straf hoger dan de reeds in voorarrest uitgezeten straf geheel voorwaardelijk te laten zijn.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het behulpzaam zijn van zes vreemdelingen bij hun verblijf in Nederland, door hen te laten werken voor hem/zijn bedrijf en hen een verblijfplaats in een woning te verschaffen, Verdachte heeft gelet op het aantal personen en de periode waarover de feiten zijn gepleegd daar een gewoonte van gemaakt.

Verdachte heeft uit winstbejag gehandeld door de vreemdelingen voor hem en zijn bedrijf klus- en bouwwerkzaamheden te laten verrichten. Verdachte betaalde hen deels contant en zonder factuur en – kennelijk – zonder loonheffingen en werkgeverslasten te betalen.

Verdachte heeft gezorgd voor oneerlijke concurrentie met ondernemers die legale arbeidskrachten inschakelen en verstoring van het arbeidsmarktbeleid van de overheid. Ook heeft hij door zijn handelen het overheidsbeleid met betrekking tot bestrijding van illegaal verblijf in Nederland ondermijnd.

Uit het reclasseringsrapport 5 januari 2026 volgt dat verdachte eigenaar is van een aantal ondernemingen die zich richten op de bouw en websitebeheer. De zaken gaan slecht en hij heeft zowel zakelijke als persoonlijke schulden. De reclassering schetst het beeld van een man die te goed van vertrouwen is en een gezond zakelijk wantrouwen jegens anderen mist. Er zijn aanwijzingen dat er mogelijk sprake is van een licht verstandelijke beperking. Verdachte is beperkt in staat is tot het overzien van gevolgen van beslissingen die hij neemt en is een man die graag aardig gevonden wil worden en die goedgelovig is. Hij lijkt gebukt te gaan onder lange werkdagen die hij maakt. Dat levert hem stress en slapeloze nachten op. De reclassering acht voor verdachte het beëindigen van het ondernemerschap en het aangaan van een loondienstverband het overwegen waard. Een dergelijke overstap zou het recidiverisico – indien aanwezig – ten positieve beïnvloeden en hem meer rust brengen.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om het door de officier van justitie gevorderde beroepsverbod aan verdachte op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het van belang is voor de samenleving en verdachte zelf dat verdachte voorlopig niet meer in vergelijkbare situaties terecht komt. Het beroepsverbod zal daaraan bijdragen.

Straf

Hoewel de ernst van het feit het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, zal de rechtbank – anders dan door de officier van justitie is geëist - de op te leggen straf beperken tot een maximale taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. De redenen hiervoor zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de opgelegde straffen in vergelijkbare zaken en het aan verdachte op te leggen beroepsverbod.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden in combinatie met een taakstraf van 240 uren passend en geboden.

Als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank de voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering en zich inzet voor een nuttige dagbesteding. De rechtbank geeft de reclassering de opdracht om toezicht te houden op het naleven van de voorwaarden. De rechtbank gaat ervan uit dat de begeleiding door de reclassering mede zal zien op de wijze waarop verdachte zijn werkzame leven/dagbesteding inricht en zijn arbeid verricht, gelet op het op te leggen beroepsverbod. De rechtbank is - hoewel de reclassering geen reclasseringstoezicht heeft geadviseerd – van oordeel dat verdachte begeleid moet worden in het vinden van een passende arbeid, mede gelet op het op te leggen beroepsverbod.

Het als bijkomende straf op te leggen beroepsverbod houdt in dat verdachte wordt ontzet van het recht om gedurende 4 jaren een beroep of bedrijf uit te oefenen in de bouwsector, voor zover dit geschiedt anders dan in loondienst op basis van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Onder dit verbod valt mede het verrichten van voornoemde werkzaamheden door tussenkomst van derden of rechtspersonen, indien verdachte daarbij feitelijk dezelfde rol vervult als die waarop de ontzetting betrekking heeft.

8. De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de inbeslaggenomen telefoon met behulp waarvan het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid verbeurd verklaren.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 28, 31, 33, 33a en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering neemt contact op met verdachte voor de eerste afspraak;

- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur en met inachtneming van het opgelegde beroepsverbod;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de opgelegde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 maanden dagen;

ontzet verdachte van het recht om gedurende 4 (vier) jaren een beroep of bedrijf uit te oefenen in de bouwsector, voor zover dit geschiedt anders dan in loondienst op basis van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Onder dit verbod valt mede het verrichten van voornoemde werkzaamheden door tussenkomst van derden of rechtspersonen, indien verdachte daarbij feitelijk dezelfde rol vervult als die waarop de ontzetting betrekking heeft;

 verklaart verbeurd de inbeslaggenomen telefoon.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. M.S. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. Y.M.J.I. Baauw
  • mr. M.S. de Vries

Griffier

  • mr. M.I. Tuk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?