ECLI:NL:RBGEL:2026:7669

ECLI:NL:RBGEL:2026:7669

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 05/086761-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

De rechtbank veroordeeld verdachte wegens verkrachting van het destijds 15-jarige slachtoffer tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/086761-26

Datum uitspraak : 28 september 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] (Polen),

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. B.J. Lokollo, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te Nijkerk met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen van zijn penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen en/of in de anus van die [minderjarige] en/of- het brengen van zijn vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen en/of in de anus van die [minderjarige] en/of- het brengen van zijn tong tussen en/of over de schaamlippen van die [minderjarige] en/of- het met zijn vingers en/of zijn penis betasten van de vulva en/of de anus van die [minderjarige] en/of- het tongzoenen van die [minderjarige] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de ten laste gelegde seksuele handelingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, behoudens dat verdachte zijn penis tegen en/of in de vagina en/of anus van het slachtoffer heeft gebracht. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van het 15-jarige slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie; het brengen van de vingers in de vagina en anus, het brengen van de tong tussen en over de schaamlippen en het tongzoenen kan wettig en overtuigend worden bewezen. De raadsman heeft gesteld dat verdachte voor deze handelingen zijn verantwoordelijkheid wil nemen, maar dat geldt niet voor het brengen van zijn penis tegen en/of in de vagina en/of anus van het slachtoffer.

Beoordeling door de rechtbank

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009, heeft verklaard dat zij op 31 oktober 2024 ‘s avonds in Nijkerk in de buurt van snackbar [bedrijf] was. Zij heeft verklaard dat zij daar met haar vriendinnen [persoon 1] en [persoon 2] was, en dat ene [persoon 3] even later kwam. Hij had twee vrienden meegenomen, waaronder een Poolse jongen die zich voorstelde als [verdachte] . [minderjarige] heeft verklaard dat zij alcohol dronk, wiet rookte en ineens enorm dronken werd. Ze had haar ogen veel dicht en kon niet meer goed lopen. Zij heeft verklaard dat ze opeens ergens anders was met genoemde [verdachte] en ze wist niet meer hoe ze daar gekomen was. [verdachte] begon haar toen te tongzoenen. Ze was er niet helemaal bij omdat ze dronken was, kon zich daardoor niet verzetten, maar wilde het niet. Ineens was haar broek naar beneden en was [verdachte] haar aan het beffen. [minderjarige] heeft verklaard dat zij haar broek niet zelf naar beneden had gedaan. [verdachte] raakte haar vagina daarna eerst met zijn hand aan en ging vervolgens met zijn vinger in haar vagina. Toen [verdachte] met zijn penis richting haar mond ging werd zij wakker geschud, waarop zij zich op de een of andere manier aankleedde en snel naar haar vriendinnen ging.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 31 oktober 2024 in de avond bij de genoemde snackbar in Nijkerk was. Hij heeft verklaard dat hij op een gegeven moment naar een park ging, daar [minderjarige] tongzoende en haar befte. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij zijn vinger in haar vagina heeft gebracht en dat hij zijn vinger zeker niet in haar anus heeft gebracht. Hij heeft verklaard dat [minderjarige] zijn ‘intieme plekken’ betastte en mogelijk daarna zichzelf betastte. Dat zou volgens hem kunnen verklaren dat zijn DNA bij [minderjarige] diep vaginaal en in de anus is aangetroffen.

Door een forensisch arts werden op 1 november 2024 bij [minderjarige] onder meer de volgende bemonsteringen gedaan:

Uit DNA-onderzoek met betrekking tot deze bemonsteringen, waarbij celmateriaal van het slachtoffer en verdachte werden betrokken, is het navolgende gebleken:

- bemonstering buitenste (grote) schaamlippen buitenzijde. In deze bemonstering is DNA-materiaal gevonden dat matcht met het DNA van verdachte. Het is minimaal 60 duizend keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat dat afkomstig is van verdachte dan wanneer de bemonstering DNA bevat dat afkomstig is van een willekeurige onbekende man;

- bemonstering binnenste (kleine) schaamlippen buiten- en binnenzijde. In deze bemonstering is DNA-materiaal gevonden dat matcht met het DNA van verdachte. Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat dat afkomstig is van verdachte dan wanneer de bemonstering DNA bevat dat afkomstig is van een willekeurige onbekende man;

- bemonstering diep vaginaal. In deze bemonstering is DNA-materiaal gevonden dat matcht met het DNA van verdachte en/of een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man. Het is zeer veel waarschijnlijker wanneer het mannelijke DNA in deze bemonstering afkomstig is van verdachte [verdachte] en/of van een in de

mannelijke lijn aan verdachte [verdachte] verwante man, dan wanneer het mannelijke DNA in deze bemonstering afkomstig is van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [minderjarige] als betrouwbaar is aan te merken, nu zij authentiek en consistent heeft verklaard over het feit in zowel haar aangifte, de weergave van het feit in het proces-verbaal van het informatieve gesprek, alsmede haar eerste uitlatingen tegenover haar vriendinnen en de moeder van [persoon 1] direct na het feit. Zij heeft steeds verklaard dat verdachte haar tegen haar wil heeft gebeft en gevingerd. Bovendien vindt haar verklaring, inhoudende dat verdachte haar tongzoende en zijn tong tussen en over haar schaamlippen bracht, steun in de verklaring van verdachte zelf én in de resultaten van het DNA-onderzoek. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank uit van de verklaring van [minderjarige] en gaat zij voorbij aan het door verdachte beschreven scenario, inhoudende dat [minderjarige] hem betastte bij zijn penis, zij vervolgens zichzelf betastte en daardoor zijn DNA-materiaal op en in haar vagina terecht is gekomen. Deze verklaring is gelet op het vorenstaande niet aannemelijk. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen dan ook af dat verdachte tongzoende met [minderjarige] , de vagina van [minderjarige] heeft betast, zijn vingers in haar vagina heeft gebracht en zijn tong over en tussen haar schaamlippen heeft gebracht.

De rechtbank acht op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen de ten laste gelegde verkrachting van [minderjarige] wettig en overtuigend bewezen. Voor de seksuele gedragingen bestaande uit het brengen van de penis tegen en/of in de vagina en/of anus, het brengen van de vingers in- en het betasten van de anus ontbreekt echter voldoende wettig en overtuigend bewijs, nu [minderjarige] niet heeft verklaard dat verdachte deze handelingen heeft uitgevoerd en het onderzoek naar het aangetroffen DNA dit bewijs op zichzelf niet heeft geleverd. Uit enkel het DNA-onderzoek volgt niet dat verdachte deze seksuele gedragingen heeft verricht. De rechtbank zal verdachte daarom van deze handelingen vrijspreken.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te Nijkerk met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen van zijn penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen en/of in de anus van die [minderjarige] en/of

- het brengen van zijn vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen en/of in de anus van die [minderjarige] en/of

- het brengen van zijn tong tussen en/of over de schaamlippen van die [minderjarige] en/of

- het met zijn vingers en/of zijn penis betasten van de vulva en/of de anus van die [minderjarige] en/of

- het tongzoenen van die [minderjarige] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop tussen de pleegdatum en de inhoudelijke behandeling van de zaak, aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf kan worden opgelegd, waarvan een kort onvoorwaardelijk strafdeel.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich als 26-jarige man schuldig gemaakt aan verkrachting, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van de destijds 15-jarige [minderjarige] . [minderjarige] was op dat moment zwaar onder invloed en kon zich niet meer tegen deze verkrachting verzetten. Het moment dat zij zich realiseerde wat er gaande was, voerde verdachte al seksuele handelingen bij haar uit. Dat verdachte verklaart dat [minderjarige] hem eerst betastte en vervolgens zichzelf, en in die zin ook initiatief nam, getuigt van een zorgelijk gebrek aan zelfinzicht en gebrek aan verantwoordelijkheid, die verdachte als volwassen man naar [minderjarige] had moeten nemen. Verdachte had [minderjarige] – zeker nu hij wist dat zij minderjarig was – juist in deze kwetsbare positie nooit mogen misbruiken. Hij maakte misbruik van de situatie en maakte een grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van [minderjarige] . Verdachte was daarbij enkel gericht op bevrediging van zijn eigen lusten en heeft zich geen moment bekommerd om het leed dat hij [minderjarige] aandeed. Welke gevolgen dit alles voor [minderjarige] heeft gehad, heeft zij treffend uiteengezet in de door haar voorgelezen slachtofferverklaring. Deze gebeurtenis heeft haar leven veranderd. Zij heeft zich vernederd en totaal ontwaard gevoeld. Dit was haar allereerste fysieke seksuele aanraking met het andere geslacht en nog altijd is ze vaak bang voor fysieke aanraking en intimiteit. Dat dergelijk misbruik zeer ernstige gevolgen in de zin van psychische, emotionele schade heeft voor kinderen is evident en volgt ook uit de verklaring van [minderjarige] . Ook laat haar verklaring treffend zien hoe van een slachtoffer als [minderjarige] de vrije seksuele ontwikkeling wordt geschaad en verstoord. Bij dergelijke feiten is het uitgangspunt dan ook niet voor niets een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering, vanwege de ten tijde van het onderzoek ontkennende verklaring van verdachte, geen delictgerelateerde factoren kon aanwijzen. Wel bleek dat sprake is van (fors) alcoholgebruik en van cannabisgebruik, waarbij laatstgenoemd middel met name wordt gebruikt om stress te verminderen. De overige leefgebieden zijn stabiel; verdachte werkt, woont bij zijn moeder en stiefvader en er zijn geen signalen van een negatief sociaal netwerk. De reclassering schat het risico op herhaling in als gemiddeld tot hoog, omdat sprake is van onder meer een beperkt aantal beschermende contacten, ontoereikende probleemoplossingsvaardigheden, seksuele preoccupatie en van seks als coping. Behandeling van verdachte is daarom geïndiceerd. Met behandeling kan volgens de reclassering worden ingezet op het in kaart brengen van factoren die hebben geleid tot het delict en op het verlagen van risico’s. Zij adviseren dan ook een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en het meewerken aan behandeling. Deze behandeling is gericht op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

De rechtbank ziet gelet op de aard en ernst van het feit geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Het is ook belangrijk dat verdachte wordt behandeld, om herhaling in de toekomst te voorkomen. De maatschappij en verdachte zijn er niet bij gebaat als verdachte na het uitzitten van de gevangenisstraf onbehandeld terugkeert in de samenleving. Bij de strafbepaling houdt de rechtbank verder rekening met het tijdsverloop en de bovenvermelde persoonlijke omstandigheden van verdachte. Al het voorgaande afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Dat betekent dat verdachte anderhalf jaar naar de gevangenis moet. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank als voorwaarden verbinden de meldplicht bij de reclassering, alsmede de verplichting dat verdachte zich laat behandelen. Wanneer hij zich gedurende de proeftijd van 2 jaar niet aan deze voorwaarden houdt of opnieuw een strafbaar feit pleegt, hangt hem nog een gevangenisstraf van een jaar boven het hoofd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [minderjarige] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 116,75 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat wat betreft de hoogte van het schadebedrag aansluiting moet worden gezocht bij de categorie ‘tamelijk ernstig’ in ontuchtzaken (paragraaf 15.2.), zoals uitgewerkt in de Rotterdamse schaal. Daar is een bandbreedte aangegeven van €1.500,- tot en met € 6.000,-.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 116,75 gevorderd in verband met reiskosten die zij heeft gemaakt voor het bezoek aan een ziekenhuis voor onderzoek, het bezoek aan een politiebureau voor het doen van aangifte en het bezoek aan het openbaar ministerie voor het slachtoffergesprek. De vordering is op dit punt onderbouwd met de reisadviezen van een routeplanner naar deze locaties. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 116,75 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 31 oktober 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Immateriële schade

Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde verkrachting een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde verkrachting op andere wijze in de persoon is aangetast. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval namelijk met zich dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het strafbare feit vormt een dusdanig ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en reeds daarom immateriële schade toegewezen kan worden. De uit het strafbare feit voortvloeiende schade komt dan ook voor vergoeding door verdachte in aanmerking.

Wat betreft de hoogte van het schadebedrag zoekt de rechtbank, gelet op de ernst van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder die plaatsvonden, de kwetsbaarheid en de leeftijd van het slachtoffer, alsmede de aard en ernst van de gevolgen voor het slachtoffer, aansluiting bij de bovenkant van de bandbreedte van categorie ‘(c)’ in ontuchtzaken waarbij sprake is van binnendringen (paragraaf 15.2.), zoals uitgewerkt in de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met voormelde factoren en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, zal de rechtbank de hoogte van het schadebedrag op € 7.500,- vaststellen. Verdachte is vanaf 31 oktober september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als het toegewezen bedrag niet wordt betaald, kunnen 63 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van bovenvermelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. A.T.G. van Wandelen en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.T.G. van Wandelen
  • mr. Y. Rikken

Griffier

  • mr. A. Hessel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand